ECLI:NL:RBZWB:2026:5361

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
02-054244-26, 02-084145-25 en 02-348511-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38p SrArt. 57 SrArt. 138 SrArt. 254b SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd voor meerdere mishandelingen en aanstootgevend gedrag

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 18 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van meerdere mishandelingen, lokaalvredebreuk en aanstootgevend gedrag. De feiten betroffen onder meer mishandeling van een politieambtenaar en het tonen van zijn geslachtsdeel in het openbaar. De rechtbank achtte een deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, terwijl verdachte werd vrijgesproken van een mishandeling waarvoor onvoldoende bewijs was.

De rechtbank nam kennis van het strafblad en het reclasseringsadvies, waaruit bleek dat verdachte een langdurig patroon van recidive vertoonde en instabiliteit op diverse leefgebieden. Ondanks het advies van de reclassering om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, koos de rechtbank voor een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met een proeftijd van eveneens twee jaar, vanwege de nieuwe persoonlijke omstandigheden en motivatie van verdachte.

De maatregel is verbonden aan bijzondere voorwaarden, waaronder het melden bij de reclassering, het zoeken naar werk of dagbesteding, medewerking aan controles op middelengebruik en het verlenen van medewerking aan identificatie en toezicht. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500,- aan een benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente, met een gijzelingsmogelijkheid bij niet-betaling.

De rechtbank gaf verdachte een laatste kans om zijn leven duurzaam te veranderen, met de waarschuwing dat niet-naleving of het plegen van nieuwe strafbare feiten kan leiden tot tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel.

Uitkomst: Verdachte opgelegd een voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar met proeftijd en veroordeeld tot schadevergoeding.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-054244-26, 02-084145-25 (gev. ttz) en 02-348511-25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres 1] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
raadsman mr. J. Rokx, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 04 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.E. de Feijter en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-054244-26
feit 1:[slachtoffer 1] heeft mishandeld;
feit 2:zich schuldig heeft gemaakt aan huisvredebreuk;
parketnummer 02-084145-25[slachtoffer 2] heeft mishandeld;
Parketnummer 02-348511-25
feit 1:[slachtoffer 3] heef mishandeld;
feit 2:zijn geslachtsdeel in het openbaar heeft getoond.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie meent dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van feit 1 onder parketnummer 02-054244-26 en feit 1 onder parketnummer 02-348511-25. Voor de overige feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02-054244-26
Feit 1
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld en overweegt daartoe het volgende. Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat er geen sprake was van opzet en dat hij het slachtoffer louter heeft ‘aangetikt”, maar de rechtbank schuift deze lezing terzijde.
Aangever heeft in de aangifte een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd over de wijze waarop verdachte hem heeft aangevallen. De rechtbank stelt vast dat deze aangifte niet op zichzelf staat. De verklaring van aangever wordt ondersteund door twee getuigen die het incident hebben waargenomen. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] hebben, afzonderlijk van elkaar, verklaard over de gewelddadige handelingen van verdachte. Omdat deze drie verklaringen op essentiële punten op elkaar aansluiten, acht de rechtbank de feitelijke gang van zaken zoals omschreven door aangever en de getuigen geloofwaardig en gaat zij daarvan uit.
De uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte is naar haar aard gericht geweest op het toebrengen van pijn en/of letsel. Dat er slechts sprake zou zijn van onschuldig aantikken, is dan ook onverenigbaar met de inhoud van de bewijsmiddelen. Alles overziend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever heeft mishandeld door hem met een vuist tegen de kaak te slaan.
Parketnummer 02-084145-25
De rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever meerdere malen heeft geslagen en overweegt hiertoe het volgende. Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij het slachtoffer één klap heeft gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van de overige bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van meerdere klappen.
De rechtbank baseert dit oordeel in de eerste plaats op de gedetailleerde en consistente aangifte van het slachtoffer, waarin expliciet wordt gesproken over meerdere slagen. Deze verklaring vindt steun in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant] . De rechtbank ziet in het dossier, noch in het verhandelde ter terechtzitting, reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van de aangifte en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Zij gaat daar dan ook vanuit.
De rechtbank schuift de verklaring van verdachte, voor zover hij stelt slechts één klap te hebben uitgedeeld, dus terzijde.
Parketnummer 02-348511-25
Feit 1De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Aangever verklaart dat hij door verdachte met iets op zijn hoofd is geslagen waarna hij een stekende pijn had op zijn linkeroogkas. Nu het letsel, zoals dat uit de aangifte naar voren komt, niet overeenstemt met het gestelde geweld dat door verdachte zou zijn toegepast, en het dossier ook overigens onvoldoende steunbewijs bevat voor de gestelde feitelijke handeling, kan de rechtbank niet vaststellen dat het incident heeft plaatsgevonden zoals is ten laste gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de inhoud van het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Verdachte zal dan ook van deze ten laste gelegde mishandeling vrijgesproken worden.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02-054244-26
1
op 21 februari 2026 te Breda [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1]
met gebalde vuist tegen de kaak te stompen;
2
op 21 februari 2026 te Breda het besloten lokaal, te weten de vestiging van
[stichting] gevestigd aan [adres 2] ,
bij [stichting] in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende
en zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft
verwijderd;
Parketnummer 02-084145-25
op 18 maart 2025 te Breda een politieambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, heeft mishandeld, door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen met kracht in het gezicht te stompen;
Parketnummer 02-348511-25
2
op 21 december 2025 te Breda opzettelijk, in het openbaar te weten aan [adres 3] ,
handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het tonen van zijn geslachtsdeel.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte staat niet achter de maatregel. Hij is echter wel gemotiveerd om zijn leven te veranderen. De verdediging verzoekt een geheel voorwaardelijke ISD‑maatregel op te leggen voor de duur van twee jaar, met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van de algemene voorwaarden. Mocht de rechtbank wel tot oplegging van de ISD-maatregel komen dan verzoekt de verdediging een verplichte tussentijdse toetsing na één jaar.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen, lokaalvredebreuk en aanstootgevend gedrag. Door zo te handelen heeft hij de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en hen pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft hiermee ook de eerbaarheid geschonden en gevoelens van onveiligheid gecreëerd. De rechtbank rekent verdachte deze feiten aan.
Uit het strafblad van verdachte van 23 april 2026 blijkt dat sprake is van veelvuldige recidive.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 21 april 2026. De rechtbank lest hierin dat sprake is van instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte is al langere tijd dak- en thuisloos en verslaafd aan (diverse) middelen. Er is getracht om te werken aan gedragsverandering door middel van verschillende trajecten, zowel in het vrijwillige als gedwongen kader (waaronder een ISD-maatregel in 2008, schorsingstoezicht in 2023 en een reclasseringstoezicht in 2024), echter blijft verdachte in beeld komen bij justitie. Er is geen sprake van een steunend netwerk of een structurele dagbesteding. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Door de reclassering worden geen mogelijkheden gezien om de hoge risico's middels een forensisch kader, zoals een reclasseringstoezicht, te beperken. Gelet op de mislukte trajecten bij de reclassering, overige instellingen/ hulpverlening en de (sociaal wenselijke) houding van verdachte is de reclassering van mening dat – naast de objectieve criteria – aan de subjectieve criteria voor een ISD-maatregel is voldaan. Door de reclassering wordt geadviseerd een onvoorwaardelijk ISD-maatregel op te leggen. Er is een voorwaardelijke ISD-maatregel overwogen, echter gelet op het ontbreken van (intrinsieke) motivatie, de mislukte reclasseringscontacten en trajecten, acht de reclassering dit niet haalbaar, noch uitvoerbaar.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Dat betekent dat aan verdachte een ISD-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank acht dit in beginsel ook passend. Echter, anders dan de reclassering, ziet de rechtbank nog mogelijkheden om verdachte door middel van een voorwaardelijke ISD-maatregel tot een structurele gedragsverandering te bewegen
De redenen daarvoor zijn de volgende.
Verdachte is thans op de gevorderde leeftijd van 56 jaar gekomen. Als hij nu niet aan zichzelf gaat werken, is de kans zeer waarschijnlijk dat verdachte in crimineel gedrag zal blijven vervallen. Hijzelf, maar zeer zeker ook de samenleving, hebben daar veel last van. Dit lijkt verdachte te beseffen. Verdachte heeft een zwaar leven gehad, recent getekend door het overlijden van zijn vader. Deze gebeurtenis heeft hem – naar eigen zeggen – teruggezet en hij is er weer bovenop gekomen. Er is – voor het eerst in zijn volwassen leven – door de erfenis een sterk financieel fundament en hij heeft een concreet perspectief op een woning. Daarnaast heeft hij een bewindvoerder die zijn geld beheert en ziet zijn broer als testamentair bewindvoerder toe op een goede besteding van de erfenis van zijn vader. Door deze omstandigheden lijkt een voorwaardelijke ISD-maatregel nu toch meer in de rede te liggen dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De eerder opgelegde onvoorwaardelijke ISD-maatregel is toen zonder het gewenste resultaat beëindigd. Op enkele essentiële leefgebieden is nu stabiliteit te verwachten, hetgeen verdachte eerder niet had. Verder lijkt verdachte in deze nieuwe situatie wel gemotiveerd om aan de voorwaarden die worden verbonden aan een voorwaardelijke ISD-maatregel te voldoen. Gelet daarop wil de rechtbank verdachte een laatste kans geven om zijn leven duurzaam te veranderen. De verantwoordelijkheid voor het slagen daarvan ligt bij verdachte. Indien verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, zal dit tot gevolg hebben dat de ISD-maatregel alsnog door middel van een vordering tenuitvoerlegging bij de rechtbank wordt aangebracht.
De rechtbank zal verdachte dus een geheel voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen, met een proeftijd van twee jaren met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden, zoals hieronder opgesomd.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 850,- voor het feit onder parketnummer 02-084145-25.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 500,- ter zake immateriële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd op 18 maart 2025.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38p, 57, 138, 254b en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan feit 1 onder parketnummer 02-348511-25;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-054244-26
feit 1:mishandeling;
feit 2:wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet
op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen;
parketnummer 02-084145-25
feit 1:mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
parketnummer 02-348511-25
feit 2:opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de
eerbaarheid verrichten;
- verklaart verdachte strafbaar;
Maatregel
- gelast de
plaatsingvan verdachte
in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;
- bepaalt dat deze maatregel
niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de
proeftijd van twee jarenna te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaarden:
* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
1. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland Advies & Toezichtunit
1. Zuid, Vrijlandstraat 33 te Middelburg ;
2. dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
3. dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs, en lijst II softdrugs en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. Methadon mag enkel onder begeleiding worden ingenomen en verstrekt;
4. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
5. dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- draagt de reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
Benadeelde partij
T.a.v. het feit onder parketnummer 02-084245-25
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 500,-, aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- wijst het overige gedeelte van de vordering af;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2]
, € 500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 18 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 5 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mr. M.E.I. Beudeker en
mr. H. Faouzi, rechters in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juni 2026.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Parketnummer 02-054244-26
1
hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Breda, althans in Nederland,
[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1]
(met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen de kaak, althans het lichaam te
slaan/stompen/stoten;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Breda, althans in Nederland
in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten de vestiging van
[stichting] gevestigd op/aan [adres 2]
bij [stichting] , althans bij een ander of anderen dan bij
verdachte, in gebruik
wederrechtelijk aldaar vertoevende
zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft
verwijderd
( art 138 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
Parketnummer 02-084145-25
hij op of omstreeks 18 maart 2025 te Breda, een (politie)ambtenaar, [slachtoffer 2] ,
gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening
heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, met
kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of stompen;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf Pro/sub 3° Wetboek van
Strafrecht )
Parketnummer 02-348511-251
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Breda,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 3] in het gezicht te slaan;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 21 december 2025 te Breda
opzettelijk in het openbaar, te weten aan [adres 3]
een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht,
te weten het tonen van zijn geslachtsdeel;
( art 254b Wetboek van Strafrecht )