ECLI:NL:RBZWB:2026:536

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
02-050026-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen een persoon tijdens een carnavalsoptocht

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk en in vereniging plegen van geweld. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 13 februari 2024 in de Koepelstraat te Bergen op Zoom, waar de verdachte samen met een medeverdachte geweld heeft gepleegd tegen een benadeelde partij. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, na een confrontatie, de benadeelde partij heeft vastgepakt en geduwd, waarna de medeverdachte de benadeelde in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank heeft de verklaringen van de benadeelde en getuigen als betrouwbaar beoordeeld en heeft geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de openlijke geweldpleging. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 90 uur, met een vervangende hechtenis van 45 dagen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij, die bestaat uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen, waarbij de benadeelde partij recht heeft op een totaalbedrag van € 2.231,14, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft de verdachte ook hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-050026-25
vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres] .
Raadsman: mr. H. van Asselt, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek van de zaak

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak op 2 mei 2025 naar de meervoudige strafkamer van deze rechtbank verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Daarnaast is namens de benadeelde partij [benadeelde] als gemachtigde verschenen mw. [gemachtigde] .

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er -kort en feitelijk weergegeven- op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld, dan wel aan een mishandeling.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dus schuldig is aan openlijke geweldpleging. Op basis van de aanname dat het zusje van verdachte is geduwd, is verdachte op aangeefster afgelopen en heeft zij zich tegen haar gekeerd. De agressie is dan ook gestart vanuit verdachte. Zij heeft vervolgens samen met [medeverdachte] meerdere gewelddadige handelingen gepleegd, waardoor aangeefster letsel heeft opgelopen. De geweldsgedragingen kunnen bewezen worden verklaard met uitzondering van het trappen tegen het gezicht.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat er feitelijk is voorgevallen. Het dossier bevat veel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. Dit moet leiden tot een integrale vrijspraak. De verklaring van verdachte en [medeverdachte] moet als uitgangpunt worden meegenomen bij de beoordeling van de zaak.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in Bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Aangeefster [benadeelde] heeft verklaard dat zij op 13 februari 2024 in de Koepelstraat in Bergen op Zoom is geweest. Op het moment dat zij daar wegliep, werd zij door een vrouw nageroepen. Aangeefster voelde haar pruik bewegen, maar heeft hierop niet gereageerd. Zij werd kort daarna aan haar pruik getrokken en bij haar arm vastgepakt door deze vrouw. Nadat aangeefster van de vrouw was losgekomen, werd zij door een man in het gezicht geslagen. Aangeefster heeft de vrouw herkend als verdachte en de man herkend als [medeverdachte] . Op het onderzoek ter zitting hebben verdachte en [medeverdachte] bevestigd dat zij bij het incident betrokken zijn geraakt, waarbij het tot een treffen met aangeefster is gekomen. De rechtbank acht de aangifte betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Daarbij is van belang dat aangeefster ook heeft verklaard dat zij is ingegaan op de provocaties door verdachte, beide verdachten heeft uitgescholden en dat de aangifte steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Uit de fotobijlagen die bij de aangifte zijn gevoegd is te zien dat aangeefster een bloeduitstorting en zwelling op de linkerwang heeft. Er bevinden zich ook een bloeduitstorting op de linkerzijde bij de kin en twee rode verkleuringen aan de rechterkant van het gelaat, ter hoogte van het jukbeen. Aangeefster is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Op de spoedeisende hulp is de diagnose gesteld dat er sprake is van een trauma capitis, oftewel hoofd- en hersenletsel. De symptomen bestaan uit pijn op de linkerwang en het achterhoofd, waarbij een aanhoudend duizelig en licht gevoel blijft optreden bij beweging van het hoofd.
De aangifte wordt ook ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] . Volgens deze getuige heeft de vrouwelijke verdachte aan de trui van aangeefster getrokken en haar geduwd. De mannelijke medeverdachte heeft aangeefster geslagen, waarna zij op de stenen ten val is gekomen. Vervolgens heeft de mannelijke medeverdachte ook getuige geslagen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij een vrouw op de grond zag liggen en dat er nog een andere vrouw in het gezicht werd geslagen. Hij zag dat zijn vriendin EHBO verleende aan het slachtoffer dat later door het ambulancepersoneel naar het ziekenhuis is meegenomen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is hoe de handelingen van verdachte en [medeverdachte] moeten worden gekwalificeerd.
De kwalificatieDe rechtbank is van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan de vechtpartij door aangeefster vast te pakken en haar te duwen. Na het duw- en trekwerk heeft [medeverdachte] aangeefster in het gezicht geslagen, waarna zij op de grond is gevallen. Verdachte heeft een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het gewelddadig handelen. Het geweld is ontstaan door de gedragingen van verdachte en is vervolgens geëscaleerd doordat [medeverdachte] dit heeft voortgezet. Bovendien heeft verdachte bewust een keuze gemaakt om de confrontatie niet uit de weg te gaan. Het opzet op het geweld is daarmee bewezen.
Het geweld vond plaats op de openbare weg, tijdens een drukbezochte carnavalsoptocht. Het element ‘openlijk’ kan daarom ook worden bewezenverklaard.
Conclusie:De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en zich dus schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld. Het dossier bevat onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde schoppen, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 13 februari 2024 te Bergen op Zoom, openlijk, te weten in de Koepelstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , welk geweld bestond uit:
- het bij de arm pakken en
- het duwen en
- het in het gezicht slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Bespreking van het verweer
De raadsman heeft bepleit dat het handelen van verdachte en [medeverdachte] moet worden beschouwd als een adequate verdediging tegen aangeefster, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het verweer wordt door de rechtbank begrepen als een beroep op noodweer.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangeefster is weggelopen en aanvankelijk niet heeft gereageerd op de eerste aanraking van verdachte. Verdachte en [medeverdachte] zijn op aangeefster afgekomen en niet andersom. Het initiatief tot geweld is dus van verdachte en [medeverdachte] uitgegaan. De verklaringen van verdachte en [medeverdachte] dat aangeefster geweld jegens hen heeft gebruikt, worden door geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Gelet hierop acht de rechtbank het door verdachte genoemde scenario niet aannemelijk en verwerpt zij het verweer.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uur. Daarnaast wordt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf geëist voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaar.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en verzocht daarmee rekening te houden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich op 13 februari 2024 in Bergen op Zoom schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen het slachtoffer [benadeelde] . Het gewelddadige optreden heeft fors en blijvend letsel in het gezicht van het slachtoffer veroorzaakt. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daar vaak nog lang nadien nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Bovendien draagt het hier aan de orde zijnde geweld bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel en bij de omstanders in het bijzonder. Verdachte heeft op zitting gewezen op de schuld van het slachtoffer en haar eigen aandeel gebagatelliseerd. Zij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor haar gedrag.
De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die plegen te worden opgelegd in soortgelijke zaken en rekening gehouden met de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Het oriëntatiepunt bij openlijk geweld, met enig letsel ten gevolge, is een taakstraf voor de duur van honderdvijftig uur. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop aanleiding om hiervan in strafmatigende zin af te wijken.
Alles afwegende, acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van negentig uur passend en geboden.

7.De benadeelde partij

De standpunten
De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de vordering tot schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van maximaal € 350,00.
De vordering tot schadevergoeding
Er is namens de benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 2.779,46, bestaande uit € 279,46 aan materiële schade en € 2500,00 aan immateriële schade. De materiële schade betreft kosten voor medicatie (€ 28,84 en € 19,48) en kosten voor de ambulance (€ 231,14). De gevorderde vergoeding van immateriële schade betreft smartengeld. Er is tevens gevorderd om de wettelijke rente op te leggen en de schadevergoedingsmaatrel van toepassing te verklaren.
Algemene overweging
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primaire feit heeft gepleegd. Dit betekent dan ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat zij verplicht is de schade die hieruit is ontstaan te vergoeden.
Het materiële deel van de vordering tot schadevergoeding
Uit de dossierstukken blijkt dat de benadeelde partij met de ambulance naar het ziekenhuis is vervoerd en dat deze kosten door haar zijn betaald. Het betreft een bedrag van € 231,14 dat onder het eigen risico valt van de zorgverzekering. Deze schade staat in voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
Voor de overige materiële schade, die ziet op de gevorderde kosten voor medicatie, is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband ontbreekt. Er is geen sprake van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Het medicijn Esomeprazol lijkt namelijk al te zijn voorgeschreven voordat het incident heeft plaatsgevonden. Het is verder onduidelijk in hoeverre het medicijn Levetiracetam (een anti-epilepticum) en het medicijn Zolpidem (een slaapmiddel) noodzakelijk zijn voor behandeling van het letsel. Dit is onvoldoende gemotiveerd in de vordering. De daarop ter zitting gegeven toelichting maakt dit niet anders. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het immateriële deel van de vordering tot schadevergoeding
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij ernstig en blijvend letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en haar medeverdachte. Er is bij de benadeelde partij hoofd- en hersenletsel gediagnosticeerd bij aankomst op de spoedeisende eerste hulp op 13 februari 2024. De KNO-arts heeft, bijna vijf maanden later, in een medisch journaal geconstateerd dat het letsel nog niet volledig is genezen. Er is bij de benadeelde partij sprake van een verminderd gezichtsgevoel. Daarnaast zijn de lippen van de mond niet meer geheel recht en is de mondhoek links verlaagd. Naast de scheefhang in het gezicht ervaart de benadeelde partij ‘s ochtends stuwing in het gelaat. De linkerwang blijft gezwollen en er vormt zich daar stug littekenweefsel. De rechtbank concludeert dat deze fysieke letsels een rechtstreeks gevolg zijn van het openlijke geweld dat door verdachte is toegepast, zodat een vergoeding van immateriële schade in de rede ligt. De rechtbank zal de immateriële schade schatten en het gevorderde bedrag toewijzen tot € 2000,00. De benadeelde partij zal in het overige deel van de vordering tot immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.
Conclusie:
De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 2.231,14, waarvan € 231,14 bestaat uit vergoeding voor materiële schade en € 2000,00 bestaat uit vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij wordt voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter in het geding worden gebracht.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit is gepleegd, te weten 13 februari 2024. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.(vul naam in van de benaddelde partij met alleen voorletters)
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het primair bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

- verklaart verdachte strafbaar
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 90 (negentig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
45 (vijfenveertig) dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] voor een bedrag van in totaal € 2.231,14, waarvan € 231,14 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat zij de vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van het toegewezen bedrag en de proceskosten, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde partij is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] (ten aanzien van het primair bewezenverklaarde feit), € 2.231,14,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 13 februari 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 22 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de Staat is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.M. Los, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.C. Admiraal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2026.
Mr. Froger-Zeeuwen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

10.Bijlage I

De tenlastelegging
zij op of omstreeks 13 februari 2024 te Bergen op Zoom, openlijk, te weten in de Koepelstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] , welk
geweld bestond uit:
- het bij de arm pakken en/of
- het duwen en/of
- het in het gezicht slaan en/of
- het trappen tegen het gezicht;
(artikel 141 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 13 februari 2024 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde]
- te duwen en/of
- in het gezicht te slaan en/of
- in het gezicht te trappen;
(artikel 300 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)