ECLI:NL:RBZWB:2026:5347

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
23/2981 WAJONG
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling UWV in proceskosten na toekenning Wajong-uitkering

Verzoekster, als bewindvoerder van betrokkene, stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 12 april 2023 waarin de aanvraag voor een Wajong-uitkering werd afgewezen. Op 20 januari 2026 wijzigde het UWV dit besluit en kende alsnog met terugwerkende kracht vanaf 20 januari 2022 een Wajong-uitkering toe aan betrokkene.

Nadat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen, trok verzoekster het beroep in en verzocht de rechtbank het UWV te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank liet een behandeling ter zitting achterwege en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a Awb in de proceskosten veroordeeld kon worden.

De proceskosten werden vastgesteld op € 3.200,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij punten werden toegekend voor het indienen van bezwaarschrift en beroepschrift en het verschijnen op hoorzitting en zitting. Daarnaast werd overwogen dat het griffierecht van € 50,- door het UWV vergoed moet worden zonder dat een veroordeling daarvoor nodig is.

De rechtbank veroordeelde het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.200,-. De uitspraak werd gedaan door rechter A.M.L.E. Ides Peeters op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan verzoekster na toekenning van de Wajong-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2981 WAJONG
uitspraak van 25 juni 2026 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bewindvoerder] B.V., gevestigd te [plaats 1] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene](betrokkene), uit [plaats 2] , verzoekster,
gemachtigde: mr. L.J.J. van Asseldonk,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor [locatie] ), verweerder.

Procesverloop

1. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 april 2023 (bestreden besluit) van het UWV over afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) voor betrokkene.
1.1
Met het besluit van 20 januari 2026 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd en aan betrokkene met ingang van 20 januari 2022 een Wajong-uitkering toegekend.
1.2
Vervolgens heeft verzoekster het beroep ingetrokken met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft met de brief van 25 maart 2026 gebruik gemaakt van de gelegenheid hierop te reageren.
1.3
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2.1
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 20 januari 2026 dat het UWV aan verzoekster is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
2.2
De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 50,- aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 25 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.