ECLI:NL:RBZWB:2026:5327

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446493 / JE RK 26-522 (bekrachtiging schriftelijke aanwijzing)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging en vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling

De zaak betreft een rekestprocedure over de schriftelijke aanwijzing gegeven door de gecertificeerde instelling (GI) aan de moeder van drie minderjarige kinderen onder toezichtstelling. De GI verzocht om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 6 maart 2026, terwijl de moeder verzocht om deze aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren.

Tijdens de mondelinge behandeling op 18 mei 2026, waarbij de moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, bleek dat de vader niet was verschenen. De minderjarigen kregen de gelegenheid hun mening te geven, maar maakten hier geen gebruik van. De GI erkende dat er nog zorgen zijn over de basale verzorging van de kinderen, maar constateerde ook dat de moeder hard werkt en recent een positief gesprek met de GI heeft gehad.

De moeder gaf aan de ondertoezichtstelling als een inbreuk op haar privéleven te ervaren en wilde deze zo snel mogelijk beëindigen. Zij erkende de wisselende samenwerking met de GI, maar hoopte op duidelijke afspraken en een constructieve samenwerking in het belang van de kinderen.

De kinderrechter overwoog dat een beslissing op de verzoeken de recent verbeterde samenwerking mogelijk zou verstoren. Gezien het vertrouwen in de voortzetting van de positieve lijn zag de rechter geen meerwaarde in het bekrachtigen of vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing. Daarom werden beide verzoeken afgewezen.

De beschikking is op 18 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter De Beer en griffier Van der Meer, en op 28 mei 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze eindbeslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank wijst zowel het verzoek tot bekrachtiging als het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing af vanwege het vertrouwen in de samenwerking tussen moeder en GI.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/446493 / JE RK 26-522 (
bekrachtiging schriftelijke aanwijzing)
C/02/447357 / JE RK 26-684 (
vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing)
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaken van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
verzoekster in de zaak met kenmerk JE RK 26-522,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 26-684,
en
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer uit Middelburg,
verzoekster in de zaak met kenmerk JE RK 26-684,
belanghebbende in de zaak met kenmerk JE RK 26-522.
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2014 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 26-522:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026.
Inzake JE RK 26-684:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026.
1.2.
Op 18 mei 2026 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren gezamenlijk behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om hun mening te geven.

2.De feiten

2.1.
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders.
2.2.
[minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 17 april 2020 zijn [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 april 2020 en tot 17 april 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 17 juli 2026.
2.4.
De GI heeft op 6 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Hierin is het volgende opgenomen:
- De moeder werkt mee aan de opdracht van de kinderrechter en aan de doelen die
door de GI zijn opgesteld, Dit houdt in dat de moeder afspraken nakomt,
informatie aanlevert en bereikbaar is voor overleg met de jeugdbeschermers.
- De moeder geeft toestemming aan betrokken zorgaanbieders om, in het kader van
de ondertoezichtstelling, relevante informatie te delen met de jeugdbeschermers
- De moeder draagt zorg voor de basale verzorging van de kinderen, handelt
hiernaar en accepteert hierbij passende hulpverlening
- De moeder verleent medewerking aan hulpverleningstrajecten die door de GI
worden ingezet voor haar en/of voor de kinderen, zoals ter voorbeeld het
verschijnen op afspraken van [hulpverlening] die door de jeugdbeschermers gemaakt
worden maar ook het uitvoeren van opdrachten en het beschikbaar zijn voor
overleg met de jeugdbeschermers en betrokken organisaties.
- De moeder communiceert met de jeugdbeschermers uitsluitend via e-mail. De
jeugdbeschermers reageren op vrijdag als zij vragen stelt die betrekking hebben op
de kinderen en het uitvoeren van de ondertoezichtstelling.
- De moeder gebruikt de WhatsApp-groep met de vader uitsluitend voor de
overdracht van informatie over de kinderen wanneer zij naar vader gaan.

3.Het verzoek

Inzake JE RK 26-522
3.1.
De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 6 maart 2026.
Inzake JE RK 26-684
3.2.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schriftelijke aanwijzing van 6 maart 2026 geheel dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI verklaart dat het goed gaat met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De GI ziet dat de moeder hard werkt om de situatie van de minderjarigen te verbeteren, maar ziet ook dat er nog verschillende zorgen zijn waaraan gewerkt moet worden. Deze zorgen zien met name op de basale verzorging van de minderjarigen. Deze zorgen kwamen kort voorafgaand aan de vorige zitting naar voren en de GI begrijpt dat dit voor de moeder als een verrassing kwam. De GI heeft het gevoel dat de moeder sindsdien op verschillende kleine punten de strijd is aangegaan met de GI. Het is daardoor in de afgelopen maanden vooral gegaan over de samenwerking tussen de moeder en de GI, waardoor het belang van de minderjarigen steeds minder ter sprake is gekomen. Dit terwijl de GI vooral samen met de moeder wil kijken hoe kan worden gewerkt aan het verbeteren van de basale verzorging van de minderjarigen. De GI is dan ook blij dat er een positief gesprek is geweest met de moeder in de afgelopen week. De hoop is dat de moeder en de GI mede door dit gesprek samen positieve stappen kunnen zetten. Op dit moment acht de GI de schriftelijke aanwijzing niet nodig om de moeder in haar gedrag te sturen.
4.2.
De moeder wil de ondertoezichtstelling het liefst zo snel mogelijk afsluiten. Zij vindt de ondertoezichtstelling namelijk een inbreuk in haar privéleven. De samenwerking met de GI verloopt wisselend. De moeder voelt zich onvoldoende gezien door de GI en de communicatie verloopt met momenten moeizaam. De moeder doet erg haar best om de situatie van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zo goed mogelijk te maken, maar zij heeft het gevoel dat de GI vooral de nadruk legt op negatieve punten. De moeder en de GI hebben in de afgelopen week wel een goed gesprek met elkaar gehad. De moeder hoopt dat zij samen met de GI een manier kan vinden in hoe zij in het belang van de minderjarigen het beste kunnen samenwerken. Daarvoor is het van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt. Er moet een gesprek komen over welke stappen er in de komende periode gezet moeten worden en de moeder gaat ervan uit dat zij hier samen met de GI uit zal komen.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven die zien op de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen als de met het gezag belaste ouders (of één van hen) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Op grond van het tweede lid van het hiervoor genoemde artikel moeten de met het gezag belaste ouders (of één van hen) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing opvolgen. Uit het derde lid volgt dat de GI de kinderrechter kan verzoeken om een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
5.2.
Op grond van artikel 1:264, eerste lid, BW kan de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Tijdens de zitting is gebleken dat de moeder en de GI recent een goed gesprek hebben gehad waarin zij nader tot elkaar zijn gekomen. Zij willen de samenwerking in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verbeteren zodat zij kunnen werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling en hebben er vertrouwen in dat zij hier samen uit zullen komen. Met de GI, de moeder en haar advocaat overweegt de kinderrechter dat een beslissing op de voorliggende verzoeken de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI mogelijk opnieuw op scherp zal stellen, terwijl hierin recent juist positieve stappen zijn gezet en het van belang is dat deze positieve lijn wordt voortgezet. De kinderrechter ziet daardoor geen meerwaarde om de aan de moeder gegeven schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren of te bekrachtigen. De kinderrechter zal de voorliggende verzoeken daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake JE RK 26-522
6.1.
wijst het verzoek af.
Inzake JE RK 26-684
6.2.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).