ECLI:NL:RBZWB:2026:5305

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/02/445335 / JE RK 26-304
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 7 lid 1 Brussel II-terArt. 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die bij haar moeder woont. De vader en moeder hebben gezamenlijk gezag, maar de vader vertoont dreigend en grensoverschrijdend gedrag, wat ernstige zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige veroorzaakt.

De vader is eerder veroordeeld wegens bedreiging van jeugdbeschermers en heeft het omgangsrecht met de minderjarige ontzegd gekregen omdat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de ontwikkeling van het kind. De moeder is in staat zelfstandig voor de minderjarige te zorgen en steunt de verlenging van de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter oordeelt dat de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige nog niet zijn weggenomen en dat de vader en moeder onvoldoende in staat zijn de bedreiging zelf weg te nemen. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor drie maanden, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De beslissing is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd voor drie maanden vanwege ernstige zorgen over de vader en de veiligheid van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445335 / JE RK 26-304
Datum uitspraak: 23 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars uit Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;
  • de brief met bijlagen van de vader, ontvangen op 25 maart 2026.
1.2.
Op 23 april 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de moeder in de zaak met kenmerk C/02/438412 / FA RK 25-3994, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak wordt afzonderlijk beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigers van het Landelijk Expertiseteam (hierna: LET) namens
de GI.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was de heer [de opa (vz)], de opa vaderszijde, aanwezig tijdens de zitting.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 2 juni 2022 is [minderjarige] , zonder voorafgaand verhoor van de
belanghebbenden, voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juni 2022 en tot 16 juni 2022. Daarnaast is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de
andere ouder met gezag, te weten de moeder, verleend met ingang van 2 juni 2022 tot 16
juni 2022.
2.4.
Bij beschikking van 15 juni 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de
GI met ingang van 16 juni 2022 en tot 2 september 2022. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de moeder, met ingang van 16 juni 2022 en tot 2 september 2022.
2.5.
Bij beschikking van 4 mei 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met
ingang van 4 mei 2023 en tot 4 mei 2024. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 4 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden worden aangehouden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek. In de huidige situatie waarin sprake is van gezamenlijk gezag, is het van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Ingeval het gezag van de vader wordt beëindigd, verwacht de GI dat een nadere verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig is. De moeder is namelijk in staat zelfstandig de zorg voor [minderjarige] te dragen en gezagsbeslissingen te nemen. Bovendien kan de hulpverlening dan worden voortgezet in het vrijwillige kader. Daarvoor moet in de komende periode een borgingsplan worden opgesteld. Verder licht de GI toe dat zij op dit moment geen contact hebben met de vader. Dit komt doordat de vader heeft aangegeven dat hij geen contact meer wil met de GI. Daar komt bij dat de vader het recht op omgang bij beschikking van 14 oktober 2025 is ontzegd, waarbij is overwogen dat de vader eerst diagnostiek en behandeling nodig heeft voordat de mogelijkheden voor contactherstel opnieuw onderzocht kunnen worden. Zolang de vader hierin geen stappen heeft gezet, heeft de GI geen actieve betrokkenheid bij de vader.
4.2.
De moeder is het eens met het verzoek. Zij wil graag dat de jeugdbeschermers betrokken blijven en dat de hulp wordt voortgezet, ook omdat de moeder erg angstig is voor de vader.
4.3.
De vader heeft er geen vertrouwen in dat de situatie door de betrokkenheid van de GI zal verbeteren. Hij heeft namelijk geen contact met de jeugdbeschermers en is ontevreden over de rapportages die zij opstellen. Bovendien sturen zij geen informatie over [minderjarige] en zorgen zij er niet voor dat hij [minderjarige] kan zien. De vader zou [minderjarige] wel heel graag weer willen zien. Hij begrijpt niet waarom dit niet kan en mist [minderjarige] heel erg. Ook zou hij graag willen dat opa [minderjarige] ziet.
4.4.
De Raad adviseert het verzoek toe te wijzen.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder de Peruaanse nationaliteit heeft en dat de vader en [minderjarige] de Italiaanse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Het wettelijk kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.5.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.6.
De kinderrechter overweegt allereerst dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat het goed gaat met de moeder en [minderjarige] . De moeder is meer in balans, zij heeft meer geduld met [minderjarige] , haar zelfredzaamheid is toegenomen en zij toont meer veerkracht. Tegelijkertijd is de kinderrechter van oordeel dat de ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Deze zorgen zien met name op de houding en het gedrag van de vader. De vader toont namelijk dreigend, intimiderend en grensoverschrijdend gedrag en hoewel hier vanuit de hulpverlening en de GI veel voor is ingezet, is hierin nog geen verandering zichtbaar. Zo is de vader in het afgelopen jaar veroordeeld wegens bedreiging van de jeugdbeschermers en is hij op de basisschool van [minderjarige] verschenen, waarbij hij dreigend was en [minderjarige] wilde zien. Dit terwijl de vader het recht op omgang met [minderjarige] bij beschikking van 14 oktober 2025 is ontzegd omdat omgang met de vader ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] en de vader zonder aanpassing van zijn gedrag kennelijk niet in staat wordt geacht tot omgang met [minderjarige] . Deze houding van de vader maakt dat het niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht om het contact met de vader op dit moment te herstellen. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Daar komt bij dat de kinderrechter van oordeel is dat de vader en de moeder onvoldoende in staat zijn om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Er is namelijk al geruime tijd geen sprake van communicatie tussen de ouders. Daarbij betrekkende dat de vader tot op heden geen verandering laat zien in zijn gedrag, maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat een overdracht naar het vrijwillige kader op dit moment nog niet mogelijk is. Het is noodzakelijk dat de GI in de komende periode regie blijft voeren en zicht blijft houden op de veiligheid van [minderjarige] .
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden. De behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 4 augustus 2026. De kinderrechter verwacht dat de GI
uiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verdere verloop van de ondertoezichtstelling.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 4 mei 2026 en tot 4 augustus 2026;
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting,
gelegen voor 4 augustus 2026,tegen welke zitting de Raad, de GI, de vader en (de advocaat van) de moeder dienen te worden opgeroepen;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.