Uitspraak
1.[gedaagde partij 1] ,
2.
[gedaagde partij 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele bodemzaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 juni 2026 geoordeeld over een vordering van een voormalige vennoot tegen de overige vennoten. De kern van het geschil betrof de vaststelling van goodwill bij de verkoop van een onderneming.
De rechtbank benoemde een deskundige die de goodwill moest bepalen. Deze deskundige kwam in zijn rapport tot de conclusie dat de goodwill nihil bedroeg. De eiser betwistte deze uitkomst niet inhoudelijk. Op basis hiervan oordeelde de rechtbank dat de vordering van de eiser niet toewijsbaar was, omdat er geen goodwill was die aan de gedaagde vennoten was toegekomen.
De rechtbank stelde de eiser in het ongelijk en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten, inclusief de kosten van het deskundigenonderzoek die hij zelf had voorgeschoten. Tevens werd de wettelijke rente over de proceskosten toegewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door rechter Van der Lende-Mulder Smit.
Uitkomst: De vordering van de voormalige vennoot wordt afgewezen omdat de goodwill nihil is vastgesteld.