Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5288

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
25-032141
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring klaagschrift tegen strafvorderlijk beslag op voertuig

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het klaagschrift van een eigenaar die de teruggave van haar in beslag genomen voertuig vorderde. Het voertuig was in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro omdat de beslagene zonder rijbewijs in het voertuig reed. De eigenaar stelde dat zij aantoonbaar rechthebbende was en dat zij het gebruik door de beslagene had willen voorkomen.

Tijdens de raadkamerzitting werd vastgesteld dat de eigenaar en beslagene geen rijbewijs hadden en dat de eigenaar eerder was gewaarschuwd dat bij herhaald gebruik van haar voertuigen inbeslagname zou volgen. De rechtbank oordeelde dat de eigenaar onvoldoende had gedaan om te voorkomen dat de beslagene in haar voertuig reed, waardoor het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter het voertuig zal verbeurd verklaren.

De rechtbank concludeerde dat het strafvorderlijk belang het voortduren van het beslag vordert en dat teruggave van het voertuig of onderdelen daarvan, zoals de carkit, niet mogelijk is. Het klaagschrift werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open.

Uitkomst: Het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag op het voertuig wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 25-032141
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klaagster] ,
geboren op [geboortedag 1] 1978 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
mr. R.S. Vriend, advocaat te Middelburg,
hierna te noemen: de klaagster,
Beslagene is:
[beslagene] ,
geboren op [geboortedag 2] 1982

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 11 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
  • de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv Pro, waaruit blijkt dat op 26 november 2025 onder beslagene een voertuig merk Volkswagen Scirocco, kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig) in beslag is genomen;
  • de reactie van de officier van justitie en
  • de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 24 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. R.S. Jacobs en mr. R.S. Vriend als gemachtigd advocaat van klaagster gehoord.
Klaagster en de beslagene zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klaagster. Daartoe is aangevoerd dat klaagster aantoonbaar eigenaar is van het voertuig. Klaagster heeft een groot persoonlijk belang bij de teruggave van het voertuig. Klaagster heeft beslagene geen toestemming gegeven om in het voertuig te rijden en heeft voldoende gedaan om dat te voorkomen. Beslagene heeft de reservesleutel gebruikt. Klaagster heeft geen rijbewijs, maar verwacht dit op korte termijn weer te verkrijgen. De andere voertuigen die op haar naam staan kan zij nu niet gebruiken. Het voertuig vertegenwoordigt een waarde van tussen de 4500 en 7000 euro. Zij heeft een carkit in de auto ingebouwd dus dat maakt de waarde hoog. Klaagster is dakloos geraakt en is met het Leger des Heils bezig om op te krabbelen. Primair wordt verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en het voertuig aan klaagster terug te geven. Subsidiair verzoekt klaagster om teruggave van de carkit.
De officier van justitie heeft ter zitting aangevoerd dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend het voertuig verbeurd zal verklaren. Klaagster en beslagene hebben geen rijbewijs. Klaagster is op 13 maart 2025 samen met beslagene aangetroffen in een andere auto van klaagster en zij is toen gewaarschuwd dat er een inbeslagname zou volgen indien zij en beslagene wederom in haar auto zouden rijden.
Een gedeeltelijke teruggave van een onderdeel van het voertuig is niet mogelijk en ook praktisch onuitvoerbaar. Ten aanzien van de proportionaliteit merkt de officier van justitie op dat klaagster 7 voertuigen op haar naam heeft staan en dat de taxatiewaarde van dit voertuig 2000 euro is. De officier van justitie verzoekt het klaagschrift ongegrond te verklaren.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
Het beslag op het voertuig is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in het beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv Pro. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Hier is sprake van een klaagster die stelt eigenaar/rechthebbende van het voorwerp te zijn en om teruggave vraagt, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht en die niet de beslagene is. Beoordeeld moet worden of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar/rechthebbende van het voorwerp moet worden
aangemerkt en zo ja, of zich de situatie als bedoeld in artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de klaagster buiten redelijke twijfel als rechthebbende/eigenaar moet worden beschouwd.
Nu de rechtbank de klaagster als eigenaar aanmerkt, dient zij te onderzoeken of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Dat is het geval als klaagster bekend was met het criminele gebruik van het voertuig of dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden. In dat geval is er een strafvorderlijk belang en dient het beslag op het voertuig gehandhaafd te blijven.
Klaagster wist dat beslagene niet in het bezit was van een rijbewijs. Op 13 maart 2025 heeft de politie beslagene en klaagster als bestuurder, aangetroffen in een andere auto (Citroën Saxo) van klaagster. Klaagster is toen gewaarschuwd dat de auto in beslag zou worden genomen, indien zij of beslagene wederom in haar auto zou rijden. Op 22 november 2025 is de Citroën Saxo van klaagster onder beslagene in beslag is genomen, omdat beslagene daarin reed. Enkele dagen later, op 26 november 2025, is het onderhavige voertuig van klaagster (de Volkswagen Scirocco) in beslag genomen, omdat beslagene opnieuw in een voertuig van klaagster werd aangetroffen.
Gelet op deze omstandigheden was klaagster gewaarschuwd en kan niet worden staande gehouden dat klaagster voldoende heeft gedaan om te voorkomen dat beslagene in haar voertuig zou rijden. De rechtbank acht het daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag en teruggave van het in beslag genomen voertuig. Voor een teruggave van een onderdeel van het inbeslaggenomen voorwerp – in dit geval een carkit – bestaat geen aanleiding.
Het klaagschrift zal ongegrond worden verklaard.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van
I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 7 april 2026.
De griffier is buiten staat te tekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.