Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5273

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
02-202566-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging zware mishandeling met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

Op 29 september 2024 hebben verdachte en twee mededaders het slachtoffer in Tilburg aangevallen, waarbij het slachtoffer meerdere keren werd geslagen en geschopt, ook tegen het hoofd, en in een wurggreep werd gehouden. De rechtbank acht op basis van camerabeelden, getuigenverklaringen en medische rapporten bewezen dat verdachte een van de daders is, aangeduid als man 5, en dat sprake is van medeplegen van poging tot zware mishandeling.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet op de beelden te zien is en dat de herkenning door het slachtoffer en verbalisanten onvoldoende bewijs vormt, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren. Het letsel van het slachtoffer bestond uit een hersenschudding en kneuzingen, wat de ernst van het geweld onderstreept.

De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes weken met een proeftijd van twee jaar op, naast een taakstraf van 200 uren, waarbij niet-naleving kan leiden tot 100 dagen hechtenis. Daarnaast werd verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een schadevergoeding van €1.494,96 aan het slachtoffer, inclusief wettelijke rente en met toepassing van een schadevergoedingsmaatregel.

De strafmaat is mede gebaseerd op eerdere geweldsdelicten van verdachte, de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het geweld plaatsvond. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bevestigde zijn strafbaarheid voor het bewezen verklaarde.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot medeplegen poging zware mishandeling met zes weken voorwaardelijke gevangenisstraf en 200 uur taakstraf.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-202566-25
vonnis van de meervoudige kamer van 16 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]
zonder vaste woon- of verblijfplaats
laatst opgegeven adres (moeder) te [adres]
bereikbaar via zijn
raadsvrouw mr. F.H.J. de Graaf, advocaat te Bredaseweg 204-13, 5038 NK Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 juni 2026. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie, mr. M.P. de Graaf , en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] (hierna telkens: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Op grond van de op de zitting getoonde camerabeelden, de aangifte van [slachtoffer] , de geneeskundige verklaring en de herkenning van verdachte door [slachtoffer] en door verbalisanten, acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat niet buiten redelijke twijfel is vast te stellen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Verdachtes standpunt is dat hij niet één van de mannen is, die te zien zijn op de camerabeelden. De ‘herkenning’ van verdachte door [slachtoffer] kan niet voor het bewijs worden gebruikt, omdat deze haaks staat op zijn aangifte. De processen-verbaal met de herkenning door de verbalisanten kunnen evenmin voor het bewijs worden gebruikt vanwege het ontbreken van persoons-specifieke kenmerken.
Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de aan verdachte toegeschreven gedragingen onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 29 september 2024 zijn drie personen uit een auto gestapt en onmiddellijk op [slachtoffer] afgelopen. Op de camerabeelden heeft de rechtbank waargenomen dat [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte 1] werd vastgehouden, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] [slachtoffer] met kracht sloeg. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] met zijn vuisten meerdere keren tegen het hoofd geraakt en [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] vervolgens naar de grond gewerkt. Liggend op de grond heeft [medeverdachte 1] [slachtoffer] in een wurggreep gehouden en is [slachtoffer] door hem en een derde verdachte, die in het dossier als man 5 wordt aangeduid, meerdere keren geslagen tegen het hoofd en lichaam en ook meerdere keren geschopt. De rechtbank stelt op grond van de camerabeelden vast dat [slachtoffer] ook tegen zijn hoofd is geschopt.
Vervolgens moet de rechtbank vaststellen of verdachte één van de drie personen is geweest die [slachtoffer] hebben geslagen en geschopt. De rechtbank stelt allereerst vast dat de camerabeelden die zich in het dossier bevinden en waar de verdediging kennis van heeft kunnen nemen, kwalitatief goed genoeg zijn om personen te kunnen herkennen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verdachte ambtshalve herkend op de camerabeelden: hij had verdacht kort daarvoor nog gezien bij een aanhouding. Van deze herkenning heeft hij een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. Verbalisant [verbalisant 2] heeft verdachte herkend op basis van een vergelijking van een recente SKDB-foto met screenshots van de camerabeelden en de bewegende camerabeelden. Van deze herkenning heeft zij een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat de herkenning door deze verbalisanten niet op zichzelf staat. Deze wordt ondersteund door de bevinding van verbalisant [verbalisant 3] dat aangever [slachtoffer] hem, op het moment dat hij in het ziekenhuis werd ondervraagd, heeft gezegd dat hij in elkaar was geslagen door een Turkse man genaamd [persoon 2] , een man genaamd [persoon 1] en een Somalische man genaamd [persoon 3] . [slachtoffer] heeft deze namen genoemd voordat verdachten in beeld waren. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat de processen-verbaal met de herkenning van verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte één van de drie personen is die [slachtoffer] hebben geslagen en geschopt, te weten de man die in het dossier wordt aangeduid als man 5. Verdachte heeft [slachtoffer] meerdere malen geslagen en geschopt, ook tegen zijn hoofd, toen hij op de grond lag.
De rechtbank oordeelt dat er met dit handelen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen, zodat verdachte voor alle tenlastegelegde handelingen aansprakelijk is.
Na onderzoek van [slachtoffer] is een geneeskundige verklaring opgemaakt. Deze vermeldt onder meer dat [slachtoffer] een hersenschudding heeft opgelopen en dat er een echo en een CT-scan zijn gemaakt, omdat er een vermoeden bestond van niet uitwendig waarneembaar letsel. Hierbij werd gedacht aan breuken of bloedingen. [slachtoffer] bleek kneuzingen in de rug en de buik te hebben opgelopen. Gelet hierop en in aanmerking genomen de wijze waarop en de kracht waarmee [slachtoffer] meerdere keren is geslagen en geschopt, waarbij hij door één persoon werd vastgehouden waardoor hij zich niet kon verdedigen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachten met hun gedragingen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
primair
op 29 september 2024 te Tilburg, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen,
- in het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of geschopt, en
- in de wurggreep heeft gehouden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte druk bezig is om zijn problemen aan te pakken en dat een gevangenisstraf dit traject onnodig zal doorkruisen. Een taakstraf zal verdachte aanzienlijk belemmeren in zijn kansen op de arbeidsmarkt en daarom is verzocht om te volstaan met het opleggen van een grotendeels voorwaardelijke straf, ook omdat het feit van bijna twee jaar geleden is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft samen met twee mededaders [slachtoffer] in elkaar geslagen. Het was duidelijk dat verdachte en zijn mededaders [slachtoffer] ‘moesten hebben’ en met dat concrete doel uit de auto zijn gestapt. Uit het dossier blijkt dat aan deze mishandeling een conflict ten grondslag lag. Na het uitstappen was het een medeverdachte die als eerste op [slachtoffer] in begon te slaan. Nadat [slachtoffer] op de grond terecht was gekomen, is hij ook door de verdachte en de andere mededader mishandeld. Daarbij werd [slachtoffer] fors geslagen en geschopt, waarbij verdachte [slachtoffer] ook tegen het hoofd heeft geschopt. Dat het opgelopen letsel beperkt is gebleven tot kneuzingen, zwellingen en een hersenschudding is zeker niet aan verdachte en zijn mededaders te danken, maar betreft een kwestie van geluk. Het door verdachte en de mededaders gepleegde geweld levert een ernstig strafbaar feit op, temeer nu het op klaarlichte dag en op openbaar terrein heeft plaatsgevonden. Uit het oogpunt van generale preventie en vergelding moet aan verdachte voor dit feit een straf worden opgelegd en voor wat betreft de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door schoppen tegen het hoofd geven deze een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden als oriëntatiepunt.
In dit geval gaat het om een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten. Voorts laat de rechtbank meewegen dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt. Ook zal de rechtbank er rekening mee houden dat het feit al van langer geleden is. Alles afwegend zal de rechtbank daarom aan verdachte opleggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van 2 jaar en daarnaast een taakstraf van 200 uren. Wanneer deze niet volledig wordt verricht, staan daar 100 dagen hechtenis tegenover.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal € 3.683,00, waarvan € 1.183,00 materiële schade en € 2.500,00 immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
7.1
Materiële schade
Ter zake van de materiële schade vordert de benadeelde partij een schadevergoeding bestaande uit € 770,00 voor beschadigde zaken (iPhone en kleding) en € 413,00 voor eigen bijdrage ziektekosten en medicatie.
Wat betreft de gestelde schade aan de iPhone en aan de kleding is de rechtbank van oordeel dat deze onvoldoende is onderbouwd. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit de gestelde schade blijkt.
Het eigen risico voor het jaar 2024 is toewijsbaar tot een bedrag van € 351,96, nu dit schade is die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Dit geldt niet voor het eigen risico van € 18,17 voor het jaar 2025. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat deze schade het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De gevorderde schadevergoeding voor de niet op recept aangeschafte medicatie tot een bedrag van € 43,00 is naar het oordeel van de rechtbank schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en daarmee toewijsbaar.
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de door de benadeelde gevorderde materiële schadevergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 394,96.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.2
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde voldoende met concrete gegevens onderbouwd dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en nadelige gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Dit betekent dat de benadeelde in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade.
Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
De rechtbank zoekt aansluiting bij hoofdstuk 13, categorie C en acht in dit geval een bedrag van € 1.100,00 billijk. Dat de benadeelde daarnaast ook psychisch letsel zou hebben opgelopen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en de rechtbank zal de benadeelde partij daarom voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan ook bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.3
Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel, hoofdelijkheid
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 29 september 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het volledig toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Primair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van zes (6) weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 200 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.494,96, waarvan € 394,96 aan materiële schade en € 1.100,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders [medeverdachte 2] (02-202568-25) [medeverdachte 1] (02-202561-25) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 1.494,96 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 14 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met genoemde mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Marsé, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 juni 2026.
De griffier en mr. Froger-Zeeuwen zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij, op of omstreeks 29 september 2024 te Tilburg,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meermalen, althans eenmaal,
- in het gezicht en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
geschopt, en/of
- in de wurggreep heeft gehouden en/of heeft geklemd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid Pro
1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
Subsidiair:
hij, op of omstreeks 29 september 2024 te Tilburg,
openlijk, te weten, aan de [plaats] , in elk geval op of aan de openbare weg
en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meerdere personen, te weten [slachtoffer] ,
door die [slachtoffer] ,
meermalen, althans eenmaal:
- vast te pakken en/of mee te trekken en/of te sleuren,
- in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] te
slaan en/of te schoppen,
- op te tillen en/of naar de grond te werken, en/of
- in de wurggreep te houden en/of te klemmen;
( art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )