Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5257

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
02-225760-25; 02-347722-21 (tul) (e)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring poging zware mishandeling, mishandeling en vernieling met oplegging tbs met dwangverpleging

Op 17 juli 2025 heeft verdachte te [plaats 2] meerdere geweldsdelicten gepleegd: hij heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen door hem herhaaldelijk met vuisten tegen het hoofd te slaan, wat resulteerde in een neusfractuur en val op de grond. Tevens mishandelde hij zijn toenmalige vriendin [slachtoffer 2] door een glazen asbak met kracht van tafel te vegen, die haar raakte.

Daarnaast vernielde verdachte een autoruit van een geparkeerde auto van [slachtoffer 3]. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaardde bij het slaan van [slachtoffer 1], waarmee poging zware mishandeling bewezen is. Voor het schoppen tegen het hoofd ontbrak voldoende bewijs, waardoor verdachte daarvan partieel werd vrijgesproken.

De rechtbank nam mee dat verdachte een ernstige psychiatrische problematiek heeft, waaronder een posttraumatische-stressstoornis, een periodieke explosieve stoornis, een gemengde persoonlijkheidsstoornis en een ernstige verslavingsziekte. Gezien het hoge recidiverisico, de ernst van de feiten en de beperkte beïnvloedbaarheid, werd tbs met dwangverpleging noodzakelijk geacht.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijf maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af vanwege de oplegging van de tbs-maatregel. De rechtbank achtte behandeling binnen een voorwaardelijk kader of tbs met voorwaarden niet passend.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Middelburg op 18 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en tbs met dwangverpleging opgelegd.

Uitspraak

2Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-225760-25
Parketnummer TUL: 02-347722-21
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in PI [plaats 1] ,
raadsvrouw mr. S. van de Voorde, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 04 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. S. van der Wilt-Withfield en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 17 juli 2025 te [plaats 2] :
1. heeft gepoogd [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen dan wel hem heeft mishandeld;
2. zijn vriendin [slachtoffer 2] heeft mishandeld;
3. de ruit van de auto van [slachtoffer 3] heeft vernield.
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde onder feit 1, feit 2 en feit 3 heeft begaan en baseert zich hierbij op de bewijsmiddelen. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij aangever [slachtoffer 1] aanvaard door hem meermaals met de vuist tegen het hoofd te slaan en te schoppen. Daarnaast heeft verdachte ook de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn toenmalige vriendin [slachtoffer 2] letsel zou oplopen door op korte afstand van haar een asbak met kracht van tafel te vegen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde onder feit 1 en van feit 2. De gedragingen van verdachte kunnen, gelet op de afwezigheid van ander letsel dan een gebroken neus en omdat verdachte zwaar onder invloed was, niet worden aangemerkt als de aanvaarding van de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. De verdediging meent dat onder feit 1 slechts eenvoudige mishandeling bewezen kan worden met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van het schoppen tegen het hoofd en/of in het gezicht. Ten aanzien van het tweede feit dient verdachte te worden vrijgesproken omdat het vereiste opzet voor de mishandeling, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. Met betrekking tot het derde feit, de vernieling van de autoruit, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vaststelling van de feiten
Op 17 juli 2025 zijn verdachte, zijn toenmalige vriendin [slachtoffer 2] en aangever [slachtoffer 1] (stiefbroer van [slachtoffer 2] ) van plan om naar de McDonalds te rijden. Verdachte en [slachtoffer 1] zitten al in de auto die voor de woning van [slachtoffer 2] geparkeerd staat, en bij het instappen van [slachtoffer 2] raakt verdachte geïrriteerd. Verdachte stapt boos uit de auto en loopt richting de woning van [slachtoffer 2] . Hij trapt de deur van het appartement in en gaat aan tafel zitten. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volgen verdachte de woning in en nemen ook plaats aan tafel. Verdachte raakt nog meer geïrriteerd en slaat daarbij op tafel en veegt met een zwaaiende beweging onder meer een asbak van de tafel. De asbak raakt [slachtoffer 2] tegen haar hoofd. [slachtoffer 1] spreekt verdachte hierop aan. Er wordt over en weer geduwd en een gevecht ontstaat waarbij klappen vallen. Verdachte slaat [slachtoffer 1] meermaals met zijn vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd. Dit gebeurt zowel in de woning, als op de galerij en tot slot buiten op straat. Hierdoor loopt [slachtoffer 1] uiteindelijk een neusfractuur op. Wanneer zij buiten op straat staan, geeft verdachte [slachtoffer 1] een dusdanige vuistslag dat [slachtoffer 1] als gevolg daarvan naar de grond valt. Verdachte geeft [slachtoffer 1] , terwijl hij op de grond ligt, een schop tegen het lichaam. Kort daarna loopt verdachte weg en slaat hij met vlakke hand op een autoruit van een geparkeerde auto. Deze ruit breekt.
Poging zware mishandeling
De rechtbank staat voor de vraag of bovenstaande gedragingen van verdachte kunnen worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling ten opzichte van [slachtoffer 1] . Daarvoor is nodig dat verdachte (voorwaardelijke) opzet moet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte het volle opzet had op het toebrengen van dergelijk letsel. Voor het vaststellen van voorwaardelijke opzet op zwaar lichamelijk letsel moet verdachte bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer 1] meermaals met zijn vuisten in het gezicht en tegen het hoofd heeft geslagen, met een gebroken neus tot gevolg. Het slaan begon in de woning, werd voortgezet op de galerij en eindigde tenslotte buiten op straat. De laatste vuistslag is bovendien van dusdanige kracht geweest dat [slachtoffer 1] ten gevolge hiervan op de grond is gevallen. Verdachte heeft de kracht van deze laatste vuistslag op zitting ook erkend. Het gericht, aanhoudend en met kracht met de vuisten in het gezicht en op het hoofd te slaan, dat een zeer kwetsbaar onderdeel is van het menselijk lichaam ziet de rechtbank de voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Door aldus te handelen heeft verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat het alleen bij een neusfractuur is gebleven, is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. Nu er sprake is van een poging en niet van een voltooid delict, is de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voldoende.
De rechtbank kan op basis van het dossier onvoldoende vaststellen of verdachte ook tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft geschopt. Over dit punt hebben aangever en getuigen wisselend verklaard, waardoor de rechtbank niet zonder redelijke twijfel kan vaststellen dat tegen het hoofd is getrapt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel tegen de zijkant van het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschopt. Het dossier bevat echter geen aanknopingspunten voor de kracht van deze schop. Hoewel dit schoppen bijdraagt aan de intensiteit van het gebruikte geweld, ontstaat door deze handeling geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Gelet hierop spreekt de rechtbank verdachte partieel vrij van het schoppen en/of trappen in het gezicht, tegen het hoofd en/of lichaam.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging zware mishandeling van [slachtoffer 1] , zoals primair is ten laste gelegd onder feit 1.
Mishandeling
Verdachte zat met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan tafel in de woning van [slachtoffer 2] . Op deze tafel lagen of stonden verschillende spullen, waaronder een glazen asbak. Verdachte zat op korte afstand van [slachtoffer 2] . Verdachte verklaarde dat zij vanwege haar lengte slechts beperkt boven de tafel uitkwam. Verdachte was boos en in deze boosheid heeft hij de spullen met een zwaai van tafel geveegd. Hierdoor is de asbak tegen het hoofd van [slachtoffer 2] gekomen. Verdachte zegt geen opzet te hebben gehad op het toebrengen van letsel. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte het volle opzet had op het toebrengen van letsel. De vraag is of er sprake is van voorwaardelijke opzet. Verdachte heeft met een zwaaiende beweging de spullen van tafel geveegd, waaronder de glazen asbak. Gelet op het gewicht van deze asbak was enige kracht nodig om deze van tafel te vegen. Door een dergelijke krachtige beweging te maken op korte afstand en in de richting van [slachtoffer 2] was de kans aanmerkelijk dat zij geraakt zou worden. De rechtbank merkt deze gedraging naar de uiterlijke verschijningsvorm aan als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van pijn of letsel aan [slachtoffer 2] , dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans daarop aanvaard heeft. De asbak heeft [slachtoffer 2] geraakt, dit deed haar pijn en het letsel als gevolg hiervan is waargenomen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] .
Vernieling
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van een autoruit.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 17 juli 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 1] meermalen met kracht in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gestompt tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] op de grond is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 17 juli 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 2] (zijn vriendin) heeft mishandeld, door een glazen asbak tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te vegen;
3
op 17 juli 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (merk; Toyota, type: Aygo, kenteken: [kenteken] ), die geheel aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een ongemaximeerde tbs met dwangverpleging. Aan de vereisten van de oplegging voor een dergelijke maatregel is voldaan. Daarnaast is behandeling binnen een voorwaardelijk vrijwillig kader niet mogelijk. Verdachte staat niet open voor behandeling, is beperkt beïnvloedbaar, bagatelliseert zijn problematiek en heeft zich in het verleden onttrokken aan voorwaarden, werkstraffen of reclasseringstoezicht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke straf waaraan bijzondere voorwaarden kunnen worden gekoppeld op te leggen. Subsidiair verzoekt de verdediging tbs met voorwaarden op te leggen, gelet op de motivatie van verdachte. Hij heeft voorafgaand aan zijn preventieve detentie vrijwillig hulp gezocht voor zijn problematiek en ook met betrekking tot werk en wonen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft slachtoffer [slachtoffer 1] meermaals met zijn vuist tegen zijn hoofd geslagen waardoor deze uiteindelijk naar de grond is gevallen en zijn neus heeft gebroken. Door zo te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daar komt bij dat het geweld plaatsvond voor een appartementencomplex, waar ook buurtbewoners getuige van zijn geweest. Dergelijk geweld veroorzaakt niet alleen pijn bij het slachtoffer, maar zorgt ook voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de omstanders. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige vriendin en aan vernieling.
Uit het strafblad van verdachte komt naar voren dat hij in de afgelopen jaren diverse malen is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder een poging tot zware mishandeling. De verschillende straffen die hiervoor zijn opgelegd hebben recidive niet kunnen voorkomen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van [psycholoog] van 20 april 2026. Hieruit volgt dat verdachte lijdt aan een posttraumatische-stressstoornis, een periodieke explosieve stoornis, een gemengde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken, en aan een ernstige verslavingsziekte aan alcohol en cannabis. De psycholoog acht de kans op geweldsescalaties, al dan niet met ernstig lichamelijk letsel, hoog. Daarbij kunnen deze escalaties acuut ontstaan. Verdachte beschikt niet over beschermende structuren in zijn leven, terwijl hij structuur wel nodig heeft om stabiel te kunnen functioneren. Om de kans op recidive terug te dringen is zowel behandeling van de traumata als behandeling van de verslavingsziekte aangewezen. Verdachte dient te leren om zijn emoties op een andere manier te reguleren dan met alcohol zodat hij in de toekomst meer grip en sturing zal hebben op zijn gedrag. Door het verwerken van het verleden zal de innerlijke lading van woede afnemen en minder doorwerken in het gedrag. Mogelijk dat er daarna ruimte zal ontstaan voor behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek. Naar inschatting van de psycholoog kan een dergelijk behandeldoel alleen gerealiseerd worden middels een langdurende klinische behandeling. Hoe lang een dergelijke behandeling zal duren is onbekend omdat dit sterk afhangt van de mate waarin verdachte zich in zal zetten voor verandering. Een ambulante behandeling is overwogen maar wordt niet aangewezen geacht. Daarvoor is de problematiek te omvangrijk, te zeer verweven met het dagelijks leven, en verdachte heeft aangetoond onvoldoende in staat te zijn om zijn zucht naar middelen te beteugelen. Verdachte ziet de wenselijkheid van een klinische behandeling niet. Dit is passend bij het patroon van ontbrekende beïnvloedbaarheid in het verleden, waarbij verdachte niet meegewerkt heeft aan begeleidings- of behandeltrajecten, zich onttrekt aan toezicht, werkstraffen niet uitvoert, en voorwaardelijke gevangenisstraffen hem niet afremmen maar ten uitvoer moeten worden gelegd. Verdachte lijkt zijn tijd in
detentie voornamelijk uit te zitten en heeft tot nu toe zijn leven na invrijheidsstelling op ongewijzigde wijze voortgezet. Door de combinatie van geweld, hoge kans op recidive, klinische behandelnoodzaak, de ingeschatte lange duur van de behandeling en ontbrekende beïnvloedingsmogelijkheden wordt gekomen tot het advies om verdachte een behandeling op te leggen binnen het kader van de tbs met dwangverpleging. Tbs met voorwaarden of (indien de strafmaat dat toe zou laten) de bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel zijn overwogen, maar beide kaders worden door het ontbreken van beïnvloedbaarheid en de oppositionele en vijandige attitude, niet aangewezen geacht.
Ook wordt geadviseerd om verdachte alle ten laste gelegde feiten, indien en voor zover bewezen, in een verminderde mate toe te rekenen. Alhoewel verdachte op rationeel niveau geweten moet hebben dat het gebruik van alcohol kon leiden tot agressieve impulsdoorbraken, heeft hij door zijn verslavingsziekte de verleiding van alcohol niet kunnen weerstaan. Hij ervoer op dat moment naar eigen zeggen forse onlustgevoelens door een sterfgeval, wat hem verder gestimuleerd moet hebben om te drinken door het ontbreken van andere emotieregulatiemechanismen. Verder hebben verlaagde frustratietolerantie, periodieke explosieve stoornis en chronische gevoelens van agressie en machteloosheid door de vroegkinderlijke traumatisering een rol gespeel bij het ten laste gelegde.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportage van [psychiater] van 24 februari 2026 en de aanvullende rapportage van 19 mei 2026. Hieruit volgt dat er bij verdachte sprake is van een posttraumatische-stressstoornis, een periodiek explosieve stoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ook is er sprake van stoornissen in alcoholgebruik en in cannabisgebruik. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, waarbij het risico op acuut geweld tevens wordt ingeschat als hoog. Verdachte lijkt makkelijk in conflict te komen als dingen niet lopen zoals hij zou willen. Hij handelt impulsief en lijkt zich vervolgens volledig te verliezen. De kans op een geweldsrecidive naar personen en voorwerpen alsmede dreiging richting personen, wordt derhalve door de psychiater ingeschat als hoog. Verdachte heeft een lange voorgeschiedenis van begeleiding binnen de (gesloten) jeugdzorg. Nadien is hij meermaals in contact geweest met hulpverleners en de GGZ. Meerdere trajecten zijn niet van de grond gekomen door toedoen van verdachte. Hij heeft herhaaldelijk blijk gegeven van een gebrek van respect voor autoriteit en hulpverlening. Intrinsieke motivatie ontbreekt, waarbij ook eerder door reclassering omschreven wordt dat zijn motivatie vooral voort lijkt te komen vanuit berekenbaarheid en functionaliteit. Enkel een intensieve behandeling binnen een strikt en verplicht forensisch kader lijkt nog mogelijkheden te bieden. Een klinische start van behandeling is derhalve noodzakelijk binnen een kliniek met voldoende hoog beveiligingsniveau. Behandeling binnen een voorwaardelijk kader is overwogen, maar wordt niet haalbaar geacht. Verdachte is te wispelturig wat betreft zijn motivatie voor behandeling. In het verleden is gebleken dat hij niet open staat voor behandeling, wat ook zo wordt uitgedragen richting de eerder rapporterend psycholoog. Dat verdachte nu aangeeft zonder restricties open te staan voor behandeling, een volledige ommekeer van zijn eerdere mening, neigt eerder naar het opportunistische, zeker ook gezien het vrijwel ontbrekende ziekte-inzicht. Inzet van een behandeling binnen een voorwaardelijk strafdeel wordt sowieso als te vrijblijvend gezien. Behandeling binnen een tbs met voorwaarden wordt om deze zelfde redenen als niet haalbaar geacht. Een zorgmachtiging is kort overwogen, maar wordt als ontoereikend geacht gezien het hoge recidiverisico. Alles in overweging nemend adviseert de psychiater een terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Een doorwerking van de bij verdachte aanwezige problematiek, zowel de verslavingsproblematiek (met name alcoholgebruik) als de posttraumatische stressstoornis, antisociale persoonlijkheidsstoornis en periodiek explosieve stoornis, was duidelijk aanwezig. Verdachte was echter niet geheel in beslag genomen door eerdergenoemde stoornissen. Het advies is om de ten laste gelegde feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 22 mei 2026. De reclassering schat de kans op recidive in als hoog. Met name het psychosociaal functioneren, alcoholgebruik en agressieproblematiek van verdachte hebben een rol gespeeld tijdens het delict. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden schat de reclassering eveneens in als hoog. In het verleden onttrok verdachte zich vaker aan voorwaarden of werkstraffen. Het laatste reclasseringstoezicht werd om die reden geretourneerd. Er is sprake van een uitgebreide justitiële documentatie en een delictpatroon met betrekking tot geweldsdelicten veelal onder invloed van alcohol en/of drugs. Om binnen een tbs met voorwaarden toezicht te kunnen houden op naleving van de voorwaarden moet verdachte leerbaar zijn en er moet enige vorm van motivatie voor behandeling zijn. Ook dient hij langdurig controle te kunnen verdragen. De leerbaarheid van verdachte is zeer beperkt kijkend naar zijn behandelgeschiedenis en daarnaast is het vanwege zijn problematiek moeilijk om concrete behandeldoelen op te stellen. Door de inconsistenties in het verhaal van verdachte, zijn opportunistische houding en de grote mate van onmacht wordt er getwijfeld aan zijn betrouwbaarheid. De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden, omdat zij niet in staat zijn om op een verantwoorde wijze toezicht te houden, de risico's te beperken of gedragsverandering te bewerkstelligen. De reclassering kan de risico's binnen een tbs met voorwaarden of binnen een voorwaardelijk strafdeel niet borgen.
De rechtbank neemt de conclusies van de psycholoog, de psychiater en de reclassering over en maakt deze tot de hare. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, passend en geboden. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de mate waarin het feit aan verdachte kan worden toegerekend enerzijds en de impact die het feit op de samenleving heeft gehad anderzijds.
Naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank gelet op bovengenoemde rapporten en adviezen, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op het onder feit 1 bewezenverklaarde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.
De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
Voor een tbs met voorwaarden of een (deels) voorwaardelijke straf met daarbij bijzondere voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte. De rechtbank heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn motivatie om de behandeling te laten slagen, maar ziet ook dat eerdere behandelingen niet zijn geslaagd. Het heeft verdachte er bovendien niet van kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Daar komt bij dat door de psycholoog en psychiater uitvoerig is toegelicht dat dergelijke kaders volstrekt onvoldoende zijn gelet op de problematiek van verdachte, de afwezigheid van zijn intrinsieke behandelmotivatie en het hoge recidiverisico. Hierdoor kan de veiligheid van de maatschappij onvoldoende worden gegarandeerd. Ook de reclassering kan de risico’s in geval van tbs met voorwaarden of binnen een voorwaardelijk strafdeel niet borgen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat oplegging van tbs met dwangverpleging in het geval van verdachte een passend juridisch kader is.

7.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 30 juni 2022 voor het thans nog resterende deel van vijf maanden ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij dit niet opportuun acht gelet op de oplegging van de tbs-maatregel en de lange tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: poging tot zware mishandeling
feit 2: mishandeling
feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan
een ander toebehoort, vernielen
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte,
met verpleging van overheidswege;
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter, en mr. J. Bergen en mr. L.W. Boogert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 18 juni 2026.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats 2]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te
weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht
en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt (tengevolge waarvan
voornoemde [slachtoffer 1] op de grond is gevallen) en/of (vervolgens) in het gezicht
en/of tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht
en/of tegen het hoofd te slaan en/of stompen (tengevolge waarvan voornoemde
[slachtoffer 1] op de grond is gevallen) en/of (vervolgens) in het gezicht en/of tegen het
hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of trappen;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats 2] [slachtoffer 2] (zijn vriendin) heeft
mishandeld, door een glazen asbak, in elk geval een hard en/of zwaar voorwerp, in
het gezicht en/of tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] te gooien en/of te zwaaien en/of te vegen;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf Pro/sub 1° Wetboek van
Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 17 juli 2025 te [plaats 2] opzettelijk en wederrechtelijk
een ruit van een auto (merk; Toyota, type: Aygo, kenteken: [kenteken] ), in elk geval
enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] ,
toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
( art 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )