ECLI:NL:RBZWB:2026:5222

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C/02/414274 / FA RK 23-4512
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve zorgregeling voor minderjarige vastgesteld met verdeling zorg en vakanties

In deze zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 mei 2026 een definitieve zorgregeling vastgesteld voor een minderjarige geboren in 2019. De procedure betrof een verzoek tot vaststelling van de zorgregeling tussen de ouders, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming advies uitbracht en partijen hun standpunten naar voren brachten.

De voorlopige regeling bepaalde het hoofdverblijf bij de moeder en een omgangsregeling waarbij de vader de minderjarige om het weekend en op dinsdag na schooltijd ziet. De Raad adviseerde deze voorlopige regeling definitief vast te leggen. De vader diende een gewijzigd verzoek in met aanpassingen in de zorg- en vakantieverdeling, terwijl de moeder instemde met het advies van de Raad maar bezwaar maakte tegen de verdeling van het halen en brengen.

De rechtbank oordeelde dat het wenselijk was om nu een definitieve beslissing te nemen. De zorgregeling werd vastgesteld met het hoofdverblijf bij de moeder, omgang van de vader om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond, en contact op dinsdag. De vakanties van een week lopen door tot het weekend van de vader of beginnen daarin, en vakanties en feestdagen langer dan een week worden gelijk verdeeld. Daarnaast zijn specifieke afspraken gemaakt over verjaardagen en religieuze feestdagen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek dat verder ging dan deze regeling werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een definitieve zorgregeling vast met hoofdverblijf bij de moeder, omgangsrecht voor de vader om het weekend en op dinsdag, en een gelijke verdeling van vakanties en feestdagen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/414274 / FA RK 23-4512

beschikking d.d. 15 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal;
en

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. M. Soytekin te Rotterdam,
Ouders van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019
.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren

1 Het verdere procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 19 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- het op 19 september 2025 ontvangen rapport en advies van de Raad;
- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Soytekin;
- het F-formulier d.d. 5 februari 2026 van mr. De Jongh;
- de brief d.d. 26 maart 2026 van mr. De Jongh, met bijlagen;
- de ter zitting van 3 april 2026 door mr. Soytekin overgelegde schriftelijke wijziging van het verzoek betreffende de zorgregeling.
1.2
De zaak is (laatstelijk) behandeld op de mondelinge behandeling van 3 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Poolse taal. De man is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verder was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
2 De verdere beoordeling
2.1.
De rechtbank verwijst naar de beschikking van 19 december 2024 waarin:
- het hoofdverblijf van de minderjarige is bepaald bij de vrouw;
- aan de vrouw vervangende toestemming is verleend voor de inschrijving van de minderjarige op het adres van de vrouw in [woonplaats 1] , alsmede voor de inschrijving op de basisschool ( [basisschool] ) te [woonplaats 1] en de aan die school verbonden buitenschoolse opvang;
- aan de vrouw vervangende toestemming is verleend voor een vakantie met de minderjarige in Polen van 20 tot en met 29 december 2024;
- de door de man aan de vrouw met ingang van 19 december 2024 ten behoeve van de minderjarige te betalen kinderbijdrage is bepaald op € 178,= per maand;
- een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is bepaald waarbij de man en de minderjarige gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
eens per twee weken, waarbij de man [minderjarige] op vrijdagmiddag uit school haalt en de vrouw [minderjarige] op zondagavond om 18:00 uur ophaalt bij de man;
alsmede gedurende een omgangsmoment iedere week op dinsdag uit school tot circa 18:30 uur;
- en een voorlopige verdeling van de vakanties waarbij de minderjarige:
  • in de eerste week van de kerstvakantie 2024 vanaf 20 december tot en met 29 december bij de vrouw verblijft en in de tweede week van de kerstvakantie bij de man;
  • de carnavalsvakantie 2025 bij de vrouw doorbrengt;
  • in de meivakantie 2025 bij ieder van de ouders één week doorbrengt;
2.2.
Het verzoek met betrekking tot de (definitieve) zorgregeling is - op advies van de Raad - voor 9 maanden aangehouden in afwachting van (de vrijwillige) hulpverlening. De zaak is verwezen naar de familiekamerrol van 23 september 2025. Partijen dienen alsdan de rechtbank schriftelijk nader te informeren over de stand van zaken en zich uit te laten over het door hen gewenste verdere verloop van de procedure. De Raad is nadien verzocht aanvullend onderzoek te verrichten en heeft op 18 september 2025 gerapporteerd en geadviseerd.
2.3.
De Raad adviseert de rechtbank de huidige "voorlopige" regeling waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 18.30 uur bij vader zal zijn, definitief vast te leggen. Vader haalt [minderjarige] hierbij op uit school en moeder haalt haar op zondag weer op bij vader. Ouders hebben in het huidige onderzoek beiden aangegeven hier mee akkoord te gaan. De Raad adviseert de "voorlopige" afspraken met betrekking tot de dinsdag eveneens definitief vast te leggen. De inhoudelijke (details en flexibiliteit) worden ook gefinetuned in de ouderschapsbemiddeling. Ten aanzien van de invulling van de vakanties en feestdagen adviseert de Raad de rechtbank de eerder gemaakte voorlopige afspraak deze bij helfte te verdelen eveneens definitief vast te leggen. De Raad kan zich vinden in een verdeling van de feestdagen op basis van het geloof van ouders. Dus b.v. Offer- en Suikerfeest kan [minderjarige] naar vader, beide kerstdagen en b.v. Pasen naar moeder. Ouders zullen ook hier binnen het traject Ouderschapsbemiddeling nadere afspraken over gaan maken.
2.4.
Door en namens de man is verklaard dat hij het in grote lijnen eens is met het advies van de Raad. De man kan zich niet vinden met de 50-50 verdeling van het halen en brengen van [minderjarige] in de weekenden. Hij stelt dat de vrouw dit voor haar rekening dient te nemen omdat zij zonder toestemming van de man is verhuisd. Ter zitting is namens de man een (schriftelijk) gewijzigd verzoek ten aanzien van de zorgregeling overgelegd, waarin wordt verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een zorgregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarige inhoudende dat:
 De minderjarige elke dinsdag na school tot 18.30/19.00 uur of een dag dat ze een
hobby (zoals zwemmen, gym) heeft zodat de man deze kan bijwonen als de minderjarige een bij de man verblijft alsmede
 De minderjarige een weekend per 14 dagen van vrijdag na school/BSO tot zondag
18
uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw in de weekendregelingen de
minderjarige haalt en brengt naar de man;
 De vakanties en feestdagen van langer dan een week bij helfte te verdelen, waarbij in
de even jaren de vrouw de eerste keus heeft en de man in de oneven jaren de eerste
keus heeft;
  • De normale zorgregeling in de vakanties van een week te laten doorlopen;
  • De minderjarige op haar verjaardag in de even jaren bij vader en oneven jaren bij
moeder verblijft;
 De minderjarige in het weekend van vaderdag bij vader, weekend van moederdag bij
moeder verblijft;
 De minderjarige op de dag van suikerfeest/ offerfeest bij vader zal zijn;
althans een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie wenst te bepalen.
2.5.
Bij F-formulier van 5 februari 2026 heeft mr. De Jongh namens de vrouw gesteld dat zij zich kan vinden in de inhoud van het rapport van de Raad en het gegeven advies. De reguliere regeling van één weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:30 uur kan in een definitieve beslissing worden vastgelegd, waarbij vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en moeder [minderjarige] op zondag bij vader ophaalt. Het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw zowel het halen en brengen voor haar rekening moet nemen, is in strijd met de regeling die al geruime tijd wordt uitgevoerd. Daarbij komt dat de vader niet aan zijn alimentatieverplichting voldoet. Voorts kan de vrouw instemmen met het advies dat wekelijks contact tussen de man en de minderjarige bestaat op dinsdag uit school tot 18:30 uur. De vrouw handhaaft haar verzoek met betrekking tot de verdeling van de vakanties als weergegeven in overweging 3.1 van de beschikking van 19 december 2024 onder VI I tot en met XI, met in aanvulling daarop de bepaling dat [minderjarige] de christelijke feestdagen bij de moeder doorbrengt. Partijen volgen een traject van ouderschapsbemiddeling. Dat traject verloopt volgens de vrouw niet goed. Er is geen verbetering in de communicatie bereikt. Inmiddels lijkt ook voor [minderjarige] hulp nodig. [minderjarige] is begonnen met stotteren en heeft problemen met angst en boosheid. De vrouw krijgt de indruk uit wat zij hoort van [minderjarige] , dat bij vader negatief over moeder wordt gesproken. De vrouw heeft contact gehad met de casusregisseur over de hele situatie tussen haar en de man en de ontwikkeling van [minderjarige] . De vrouw zou graag zien dat de Raad opnieuw onderzoek doet.
2.6.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen aanleiding om de Raad opnieuw onderzoek te laten verrichten zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank acht het voor partijen en met name ook voor de minderjarige [minderjarige] wenselijk dat er nu een definitieve beslissing over de zorgregeling volgt.
2.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over de reguliere regeling van één weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:30 uur. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen zijn verdeeld over het halen en brengen. De rechtbank zal bepalen dat het halen en brengen bij helfte tussen ouders wordt verdeeld, waarbij de man [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de vrouw [minderjarige] op zondag bij de man ophaalt, zoals op dit moment plaatsvindt en ook door de Raad wordt geadviseerd. De rechtbank overweegt hierbij dat dit een gebruikelijk uitgangspunt is en merkt daarbij aanvullend nog op dat in voornoemde beschikking van 19 december 2024 (in rechtsoverwegingen 4.51. en 4.52.) bij de berekening van de draagkracht van de man rekening is gehouden met een bedrag aan reiskosten van € 200,= per maand.
2.8.
De rechtbank ziet verder aanleiding zoals door de vrouw verzocht en door de Raad is geadviseerd om doordeweeks een vaste dag af te spreken en zal om die reden bepalen dat in beginsel iedere week op dinsdag uit school tot circa 18:30 uur contact zal zijn tussen de man en [minderjarige] . Als de man een andere dag wenst in verband met een activiteit van [minderjarige] of om een andere reden dan dient hij dit tijdig bij de vrouw aan te geven, zodat de vrouw en [minderjarige] hier van op de hoogte zijn. De vrouw lijkt hier niet op tegen als ze het maar tijdig weet.
2.9.
Voor wat betreft de vakanties ziet de rechtbank aanleiding om aan te sluiten bij het gewijzigd verzoek van de man met uitzondering dat vakanties van een week doorlopen tot en met het weekend van de man of anders dat deze vakanties beginnen in het weekend van de man en doorlopen tot vrijdag. Hierdoor blijven de afspraken over halen en brengen in stand en zien beide ouders de kinderen frequent.
3. De beslissing
De rechtbank:
stelt tussen de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, een definitieve zorgregeling vast waarbij::
- de minderjarige om het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18:30 uur bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige ophaalt uit school en de vrouw haar op zondag ophaalt bij de man;
- de minderjarige elke dinsdag na school tot 18.30 uur bij de man verblijft, met inachtneming van hetgeen hierover in rechtsoverweging 2.8. is overwogen;
- de vakanties van een week doorlopen tot en met het weekend van de man of anders beginnen in het weekend van de man en doorlopen door tot vrijdag;
- de vakanties en feestdagen van langer dan een week bij helfte worden verdeeld, waarbij in
de even jaren de vrouw de eerste keus heeft en de man in de oneven jaren de eerste
keus heeft;
- de minderjarige op haar verjaardag in de even jaren bij vader en oneven jaren bij de vrouw verblijft;
- de minderjarige in het weekend van vaderdag bij de man, weekend van moederdag bij
moeder verblijft;
- De minderjarige op de dag van suikerfeest/offerfeest bij de man zal zijn;
- de minderjarige tijdens de christelijke feestdagen bij de vrouw verblijft;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.