ECLI:NL:RBZWB:2026:5209

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447494 / JE RK 26-709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BWArt. 6.1.3 JeugdwetArt. 6.1.10 JeugdwetArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van drie minderjarigen wegens ernstige gedragsproblemen

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Zeeland-West-Brabant om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarigen, [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], vanwege ernstige gedragsproblemen en een onveilige thuissituatie. De minderjarigen vertonen gedragsstoornissen zoals PTSS, ODD en CD, met bijkomende problemen zoals weglopen, agressie, middelengebruik en betrokkenheid bij criminele activiteiten.

De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar haar draagkracht is verminderd door de complexe problematiek en het ontbreken van een eenduidige hulpverleningsaanpak. De Raad benadrukte de noodzaak van een ondertoezichtstelling voor een jaar en machtigingen tot uithuisplaatsing en gesloten jeugdhulp om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en behandeling mogelijk te maken.

De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is voldaan. De verzoeken voor ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] werden toegewezen. Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] werden spoedmachtigingen gesloten jeugdhulp voor twee weken verleend, met aanhouding van het resterende deel van de verzoeken om de minderjarigen gelegenheid te geven hun mening te geven.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en verdere behandeling van de resterende verzoeken is aangehouden tot een latere zitting. De uitspraak is gedaan door kinderrechter Sumner op 13 mei 2026.

Uitkomst: De kinderrechter stelt drie minderjarigen onder toezicht en verleent machtiging tot uithuisplaatsing en spoedmachtigingen gesloten jeugdhulp vanwege ernstige gedragsproblemen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers:
C/02/447494 / JE RK 26-709 – ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
C/02/448062 / JE RK 26-808 – voorlopige ondertoezichtstelling
C/02/448123 / JE RK 26-833 – (spoed)verzoek machtiging gesloten jeugdhulp
C/02/448133 / JE RK 26-836 – (spoed)verzoek machtiging gesloten jeugdhulp
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
advocaat M.T.E. Kranenburg uit Roosendaal.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A. Koop-van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake C/02/447494 / JE RK 26-709
  • de in deze zaak op 6 mei 2026 gegeven beschikking en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van mr. Kranenburg, ontvangen op 8 mei 2026;
  • het bericht van mr. Kranenburg, ontvangen op 12 mei 2026;
  • de brief van [minderjarige 1] , ontvangen op 13 mei 2026.
Inzake C/02/448062 / JE RK 26-808
- de in deze zaak op 12 mei 2026 gegeven beschikking en alle daarin genoemde stukken.
Inzake C/02/448123 / JE RK 26-833
  • het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 12 mei 2026;
  • de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper, ontvangen op 13 mei 2026;
  • het verzoekschrift met onderbouwing van de Raad, ontvangen op 13 mei 2026.
Inzake C/02/448133 / JE RK 26-836
- het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 13 mei 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van [minderjarige 3] ;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
[minderjarige 3] is niet verschenen. Hij is voor de zitting op 6 mei 2026 weggelopen uit de gesloten groep van [accommodatie 1] in [plaats 2] . Na die zitting is hij bij zijn moeder opgedoken en daarna weer teruggebracht naar [accommodatie 1] . Op 12 mei 2026 is hij opnieuw vertrokken en is sindsdien uit beeld.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft een brief gestuurd naar de kinderrechter waarin haar mening over het verzoek staat. In de brief geeft zij aan dat ze graag mondeling haar standpunt had willen toelichten, maar dat dit vanwege de korte termijn niet mogelijk was. De kinderrechter heeft geprobeerd contact met haar op te nemen via het telefoonnummer dat zij in de brief had vermeld. Het bleek echter dat [minderjarige 1] op school zat en telefonisch niet bereikbaar was. Omdat [minderjarige 1] haar mening duidelijk in de brief had verwoord, heeft de kinderrechter besloten om de zitting te houden. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft momenteel bij [accommodatie 2] op de [woongroep] in [plaats 1] .
2.3.
[minderjarige 3] verblijft sinds juli 2025 binnen de [accommodatie 3] in [plaats 2] .
2.4.
[minderjarige 2] verblijft sinds 22 april 2026 bij [kliniek] .
2.5.
Bij beschikking van de kinderrechter van 6 mei 2026 is de behandeling van de verzoeken aangehouden tot onderhavige zitting. Iedere verdere beslissing is voorbehouden.
2.6.
Bij beschikking van 11 mei 2026 is [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 11 mei 2026 tot 25 mei 2026. De behandeling van het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot onderhavige zitting.

3.Het verzoek

Inzake C/02/447494 / JE RK 26-709
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
Daarnaast verzoekt de Raad om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 3] te verlenen voor de duur van drie maanden.
Inzake C/02/448062 / JE RK 26-808
3.4.
De Raad verzoekt [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
Inzake C/02/448123 / JE RK 26-833
3.5.
De Raad verzoekt om een spoedmachtiging om [minderjarige 2] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken. Tijdens de zitting heeft de Raad toegelicht dat dit verzoek moet worden beschouwd als het primaire verzoek, terwijl het subsidiaire verzoek betreft het verzoek onder zaaknummer C/02/447494 / JERK 26-709 dat onder rechtsoverweging 3.2. is vermeld.
Inzake C/02/448133 / JE RK 26-836
3.6.
De Raad verzoekt, mondeling tijdens de zitting, om een spoedmachtiging om [minderjarige 3] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken.
Alle verzoeken
3.7.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van de verzoeken voert de Raad, samengevat, het volgende aan.
[minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] zijn opgegroeid in een onveilige en onrustige thuissituatie. Tussen de ouders is sprake geweest van zeer fors huiselijk geweld, waarvoor de vader in 2016 is veroordeeld. De vader speelt sinds 2014 geen rol meer in het leven van de kinderen en de moeder is in 2016 belast met het eenhoofdig gezag. [minderjarige 3] is sinds augustus 2025 met een machtiging gesloten jeugdzorg uit huis geplaatst bij [accommodatie 1] in [plaats 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in november 2025 uit huis geplaatst: [minderjarige 1] op de [crisisgroep 1] , en [minderjarige 2] op de [crisisgroep 2] van [accommodatie 2] .
4.2.
Er zijn forse zorgen rondom kinderen. [minderjarige 1] laat zelfbepalend gedrag zien. Ze houdt zich niet aan de afspraken op de groep en luistert niet goed naar haar moeder en de groepsleiding. Ze gaat regelmatig niet naar school en er is sprake van een verstoord dag- en nachtritme. Er zijn grote zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige 1] . Ze heeft seks voor een weddenschap gehad en heeft ook seksueel onbeschermd contact, wat maakt dat de kans op zwangerschap en soa’s aanwezig is. Ze is hierin heel open en is grenzeloos: ze lijkt zich niet bewust van de gevaren. Ook is het zorgelijk dat [minderjarige 1] zonder enige empathie spreekt over meisjes waarvan zij filmpjes met naaktbeelden en seksuele handelingen op haar telefoon heeft. [minderjarige 1] vindt dit grappig en stuurt deze filmpjes door. [minderjarige 1] is op een behandelgroep in [plaats 1] geplaatst, maar zij is nog niet aan behandeling toegekomen.
4.3.
Bij [minderjarige 3] is sprake van PTSS (post-traumatische stressstoornis) ODD (oppositioneel-opstandige gedragsstoornis) en CD (Conduct disorder, normoverschrijdende gedragsstoornis). [minderjarige 3] heeft baat bij structuur en duidelijkheid. Het leek een tijdje beter te gaan met [minderjarige 3] op de gesloten groep, maar hij laat sinds februari 2026 een terugval zien. Hij is meer in conflict, loopt weg van de groep en sluit zich af van zijn moeder en de mentoren. [minderjarige 3] is snel beïnvloedbaar voor groepsdruk, en snel vatbaar voor roken, drugsgebruik en weglopen. Er zijn vermoedens dat [minderjarige 3] dealt en zorgen dat hij zich in een crimineel milieu bevindt. Op 12 april is hij weggelopen en door de politie opgepakt in Arnhem, omdat hij een winkeldiefstal had gepleegd. [minderjarige 3] staat niet open voor therapie en wil geen afspraak met de psychiater aangaan voor aanpassingen in zijn medicatie. De laatste periode zijn er ook meer conflicten met de moeder. De Raad is van mening dat [minderjarige 3] vanwege de grote zorgen nog niet de overstap kan maken naar een open behandelgroep.
4.4.
Ook bij [minderjarige 2] is sprake van PTSS, ODD en CD. De zorgen met betrekking tot [minderjarige 2] nemen steeds verder toe. Hij laat agressief en zelfbepalend gedrag zien: hij wordt snel boos en heeft weinig controle over zijn emoties. Op de groep heeft hij een groepsleiding geslagen. Ook op school is het gedrag van [minderjarige 2] niet meer houdbaar: hij zorgt voor onveiligheid voor leerkrachten en leerlingen. Er zijn zorgen over het netwerk waar hij zich in begeeft, over middelengebruik en over vechtpartijen waar hij betrokken in raakt. Ook zou hij schulden hebben en zijn er zorgen dat hij wordt ingezet als loopjongen om pakketjes af te leveren. Hij loopt (’s nachts) van het terrein af en de groepsleiding weet dan niet waar hij is. Door de grote zorgen over zijn gedrag is tevens een voorlopige ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] verzocht en verleend.
4.5.
Er is lange tijd onvoldoende basisveiligheid in het gezin geweest. De moeder wil graag meedenken en meewerken aan de afspraken. Tegelijkertijd neemt de draagkracht van de moeder steeds verder af en zijn er zorgen over haar belastbaarheid. Ze staat al lange tijd onder zeer veel stress en lijkt geen overwicht te hebben bij de kinderen. De Raad heeft daarnaast zorgen over de betrokken hulpverlening. Het raadsonderzoek heeft langer geduurd dan normaal gesproken. Er is veel onduidelijkheid rondom hetgeen nodig wordt geacht voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Er gebeurt veel in korte tijd en visies worden meerdere malen gewijzigd. Alleen al binnen [accommodatie 2] zijn drie verschillende behandelcoördinatoren betrokken. Dit is niet helpend om het proces overzichtelijk en begrijpelijk te houden. Het ontbreekt aan een duidelijk plan voor de kinderen.
4.6.
Naar de mening van de Raad is een ondertoezichtstelling noodzakelijk. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Bij alle drie de kinderen is sprake van gedragsproblematiek, die ondanks de inzet van vele vormen van hulpverlening niet is afgenomen. De moeder doet haar best en wil het beste voor haar kinderen, maar het lukt haar onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Er lijkt sprake te zijn van overvraging van de moeder. De moeder moet alleen voor drie kinderen met forse gedragsproblemen alle keuzes maken en daarnaast is er sprake van een visieverschil tussen moeder en hulpverlening over wat nodig is om de zorgen weg te nemen. Een ondertoezichtstelling kan ook helpend zijn voor de moeder om haar te ondersteunen en te onschuldigen. Gezien de ruis, onduidelijkheid en snelheid waarmee keuzes worden gemaakt voor de kinderen is het van des te groter belang dat er een gezinsvoogd betrokken wordt die regie kan voeren. Het vrijwillig kader biedt onvoldoende kaders om knopen door te kunnen hakken.
4.7.
Een uithuisplaatsing voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is daarnaast noodzakelijk, omdat alle drie de kinderen momenteel niet thuis wonen. Voor [minderjarige 1] is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk, zodat zij behandeling kan aangaan op de groep in [plaats 1] . [minderjarige 2] is eerst geplaatst op een crisisgroep van [accommodatie 2] en daarna bij [kliniek] , als laatste poging om een gesloten plaatsing te voorkomen. [kliniek] heeft aangegeven hem niet langer te kunnen behandelen vanwege het gedrag dat hij laat zien. De Raad acht het van belang dat er rust en duidelijkheid komt voor [minderjarige 2] , zodat hij toekomt aan behandeling. Een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp is daarom noodzakelijk. De Raad verzoekt machtiging voor de periode van vier weken, zodat in die periode kan worden onderzocht wat [minderjarige 2] nodig heeft en op welke plek hem dit voor de langere termijn geboden kan worden. De Raad verzoekt om het verzoek voor een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing aan te houden, omdat nog niet duidelijk is waar [minderjarige 2] na de machtiging gesloten jeugdhulp naartoe zal gaan. Voor [minderjarige 3] is ook een machtiging gesloten jeugdhulp noodzakelijk, omdat de zorgen over zijn gedrag zijn toegenomen en hij nog niet terug naar huis of naar een open groep kan gaan. Omdat [minderjarige 3] niet is verschenen en de kinderrechter hem niet heeft kunnen spreken, verzoekt de Raad tijdens de zitting om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor vier weken, zodat [minderjarige 3] de gelegenheid krijgt om zijn mening over het verzoek te geven. Daarnaast verzoekt de Raad om het reguliere verzoek aan te houden.
De advocaat van [minderjarige 3]
4.8.
De advocaat van [minderjarige 3] heeft hem niet kunnen spreken. Zij kan daarom niet bevestigen of ontkennen dat hij niet gehoord wil worden. De wet schrijft voor dat de minderjarige in de gelegenheid gesteld moet worden om gehoord te worden. Op basis hiervan moet het verzoek worden afgewezen, of anders worden aangehouden. Op de vraag van de rechtbank of zij ook bereid zou zijn op als advocaat voor [minderjarige 2] op te treden, heeft zij bevestigend antwoord.
De moeder
4.9.
Door en namens de moeder is, samengevat, aangegeven dat er forse zorgen over de kinderen zijn, en dat het daarnaast ook een puinhoop is met betrekking tot de betrokken hulpverlening. Er is sprake van gebrek aan overleg tussen de verschillende hulpverleningsorganisaties en van door elkaar lopende verzoeken. Het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling kan worden toegewezen. De moeder moet ontlast worden. De moeder stemt tevens in met het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] . De situatie rondom [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is ernstig en baart de moeder grote zorgen. Het is daarom wenselijk om de verzoeken ten aanzien van hun uithuisplaatsing over twee weken te behandelen, zodat [minderjarige 3] en [minderjarige 2] de kans krijgen om hun mening over het verzoek te geven.
De GI
4.10.
Door de GI is, samengevat, aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren, mits dit uitvoerbaar is. Het is duidelijk dat er forse zorgen zijn. Er moet regie komen, want er moet iets gebeuren voor de kinderen.

5.De nadere beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.3.
Uit artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet volgt, dat een spoedmachtiging voor een gesloten plaatsing alleen kan worden verleend, indien naar het oordeel van de kinderrechter:
onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
Ondertoezichtstelling
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Bij alle drie de kinderen is er sprake van gedragsproblematiek, trauma en hechtingsproblematiek. Over [minderjarige 1] bestaan zorgen over haar seksuele ontwikkeling, aangezien zij veel wisselende contacten met jongens heeft, (onbeschermd) seksueel actief is en zorgelijke contacten op sociale media heeft. Ook is [minderjarige 1] zelfbepalend en laat zij zich moeilijk aansturen door haar moeder en de betrokken hulpverlening. Bij [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is ODD en CD vastgesteld. [minderjarige 3] is vanwege zijn agressieve en zelfbepalende gedrag gesloten geplaatst binnen [accommodatie 1] . De zorgen over zijn ontwikkeling blijven groot. Hij raakt vaak in conflict, loopt weg van de groep en sluit zich af van zijn moeder en zijn mentoren. Er zijn zorgen dat hij drugs dealt en zich in een crimineel milieu bevindt. Over [minderjarige 2] zijn er eveneens grote zorgen vanwege zijn zelfbepalende en toenemende agressieve gedrag. Ook is er zorg over zijn middelengebruik en het netwerk waarin hij verkeert. Daarnaast zijn er zorgen over zijn betrokkenheid bij vechtpartijen, schulden en dat hij mogelijk wordt ingezet als loopjongen voor illegale activiteiten.
5.5.
De kinderrechter ziet dat de moeder haar best doet, maar het lukt haar onvoldoende om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Haar draagkracht neemt af en er zijn zorgen over haar belastbaarheid. De moeder moet alleen voor drie kinderen met forse gedragsproblemen alle keuzes maken. Een grote zorg van de kinderrechter is daarnaast het gebrek aan overleg tussen de betrokken hulpverleningsorganisaties. De steeds wisselende aanpak en visie dragen niet bij aan verbetering van de situatie. Er moet duidelijke regie komen, met een gezamenlijk plan van aanpak voor alle drie de kinderen.
5.6.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.7.
Binnen de ondertoezichtstelling dient gewerkt de worden aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een veilige, stabiele opvoedomgeving.
Dit wil zeggen dat er geen sprake is van geweld en er wordt niet geschreeuwd en gescholden.
  • [minderjarige 3] en [minderjarige 2] leren hun emoties te herkennen en te reguleren waardoor de gedragsproblematiek (boosheid, verbale en fysieke agressie) afneemt.
  • De emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verloopt positief. Dit wil zeggen dat zij hun trauma’s hebben verwerkt en vervelende situaties uit het verleden een plekje kunnen geven.
  • [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een voorspelbaar en positief contact met hun moeder en met elkaar.
  • De draagkracht van moeder wordt vergroot, zodat zij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kan blijven stimuleren in de stappen die gezet moeten worden.
  • De seksuele ontwikkeling van [minderjarige 1] verloopt positief. Dit wil zeggen dat zij inzicht heeft in gevaren en voldoende weerbaar is in contact met jongens.
5.8.
Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling is toegewezen, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] afwijzen bij gebrek aan belang.
Machtiging tot uithuisplaatsing: [minderjarige 1]
5.9.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zodat zij toekomt aan haar behandeling. [minderjarige 1] heeft daarnaast aangegeven dat zij graag weer contact wil met haar vader. Dit kan gedurende de ondertoezichtstelling meegenomen worden door de GI.
Machtiging tot uithuisplaatsing: [minderjarige 2]
5.10.
De kinderrechter stelt vast dat de gedragswetenschapper, mevrouw [persoon] , in haar verklaring van 12 mei 2026 heeft ingestemd met een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 2] voor een periode van vier weken. Ook de moeder heeft tijdens de zitting aangegeven hiermee in te stemmen. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad ten aanzien van de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 2] toewijzen voor een periode van twee weken en het resterende deel van dat verzoek, te weten twee weken, aanhouden tot de zitting van [datum] 2026, om [minderjarige 2] in de gelegenheid te stellen om zijn mening over het verzoek te geven. [minderjarige 2] verbleef binnen [kliniek] , maar [kliniek] heeft aangegeven hem niet langer te kunnen behandelen. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige 2] rust en stabiliteit krijgt. Dit kan hem op dit moment op een gesloten groep geboden worden. Er moet goed onderzocht worden wat [minderjarige 2] nodig heeft en op welke plek hij die ondersteuning het beste kan krijgen. De kinderrechter zal daarom het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling ook aanhouden.
Machtiging tot uithuisplaatsing: [minderjarige 3]
5.11.
Tijdens de zitting heeft de Raad een spoedverzoek machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 3] verzocht voor de periode van vier weken. De reden voor het spoedverzoek is het feit dat de reguliere machtiging op de dag van de zitting afloopt, en de kinderrechter [minderjarige 3] nog niet heeft gesproken over het verzoek. Conform artikel 6.1.10 lid 1 sub a van de Jeugdwet moet de kinderrechter de jeugdige horen voordat een machtiging wordt verleend. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het spoedverzoek machtiging gesloten jeugdhulp toewijzen voor de periode van twee weken, om [minderjarige 3] (nogmaals) in de gelegenheid te stellen om zijn mening over het verzoek te geven. Dit is tevens in lijn met het recht van het kind om gehoord te worden op grond van de artikelen 3 en 12 van het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind (IVRK) en de artikelen 6 en 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
5.12.
De kinderrechter leest in het reguliere verzoek om een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp te verlenen voor drie maanden dat de onafhankelijke gedragswetenschapper heeft ingestemd voor deze langere periode. De onderbouwing voor het spoedverzoek staat in het reguliere verzoek. De zorgen over het gedrag van [minderjarige 3] zijn in de afgelopen periode alleen maar toegenomen en de kinderrechter is van oordeel dat hij nog niet terug naar huis of naar een open groep kan gaan. Het resterende deel van het verzoek, te weten twee weken, zal worden behandeld tijdens de zitting van [datum] 2026. De kinderrechter zal het reguliere verzoek van de Raad om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige 3] te verlenen voor de duur van drie maanden ook aanhouden tot de zitting van [datum] 2026.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.13.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.14.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Inzake C/02/447494 / JE RK 26-709
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 13 mei 2026 tot 13 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 13 mei 2026 tot 13 mei 2027;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van de verzoeken ten aanzien van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] aan tot de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Sumner), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda,
op [datum] 2026 om [uur 1] ( [minderjarige 2] ) en [uur 2] ( [minderjarige 3] );
Inzake C/02/448062 / JE RK 26-808
6.4.
wijst af het resterende deel van het verzoek;
Inzake C/02/448123 / JE RK 26-833
6.5.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige 2] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van twee weken;
6.6.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Sumner), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda,
op [datum] 2026 om [uur 1];
Inzake C/02/448133 / JE RK 26-836
6.7.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige 3] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van twee weken;
6.8.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (kinderrechter mr. Sumner), in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda,
op [datum] 2026 om [uur 2];
6.9.
verklaart de beschikking onder rechtsoverweging 6.1, 6.2, 6.5 en 6.7 uitvoerbaar bij voorraad;
6.10.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.