ECLI:NL:RBZWB:2026:5200

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446717 / JE RK 26-579
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Pellikaan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:259 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 9 IVRKArt. 18 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door vaderlijke belemmering

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011, wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging. De vader werkt niet mee aan hulpverlening, waardoor de ondertoezichtstelling onuitvoerbaar is en de ontwikkelingsbedreiging niet kan worden weggenomen. De minderjarige woont bij de vader, die een controlerende en dominante rol speelt, waardoor de minderjarige geen emotionele ruimte krijgt om vrij te spreken met hulpverleners.

De vader betwist de noodzaak van uithuisplaatsing en stelt dat het hoge schoolverzuim te wijten is aan een immuunziekte. Hij voert aan dat hij bereid is mee te werken aan hulpverlening mits passend en verzoekt om vervanging van de GI vanwege een verstoorde relatie. De moeder ondersteunt het verzoek tot uithuisplaatsing en benadrukt de noodzaak van hulpverlening en contactherstel.

De kinderrechter constateert dat sinds de ondertoezichtstelling in januari 2024 weinig is veranderd. De vader vertoont een patroon van vertragen, beperkte medewerking en controle, waardoor hulpverlening niet effectief kan worden ingezet. De minderjarige heeft geen contact met de moeder en verkeert in een loyaliteitsconflict. De kinderrechter acht uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding en wijst het verzoek tot vervanging van de GI af omdat dit tot verdere vertraging zou leiden.

De beschikking verleent de machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis of pleeggezin van 13 mei 2026 tot 10 augustus 2026 en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter verleent machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging en wijst het verzoek tot vervanging van de gecertificeerde instelling af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/446717 / JE RK 26-579
C/02/447621 / JE RK 26-734
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing en vervanging gecertificeerde instelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] (Turkije),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bijgestaan door mr. M.J.E.M. Edelmann, advocaat in Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
bijgestaan door mr. M. van der Sluis, advocaat in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
  • de brief van mr. Van der Sluis, houdende een verzoek om aanhouding, ontvangen op 20 april 2026;
  • de reacties van de GI en mr. Edelmann op voornoemd aanhoudingsverzoek, ontvangen op 21 april 2026;
  • het bericht van de griffier van de rechtbank aan partijen d.d. 21 april 2026 dat het aanhoudingsverzoek niet wordt gehonoreerd;
  • het van de GI op 23 april 2026 ontvangen visiedocument ouderverstoting;
  • het verweerschrift alsmede zelfstandig verzoek van de zijde van de vader, met producties 1 t/m 7.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • drie vertegenwoordigers van de GI;
  • de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat.
1.3.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over het verzoek van de GI. Zij is hiertoe uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] heeft op de betreffende datum en tijdstip in de rechtbank, in het bijzijn van haar vader en oma vaderszijde, een handgeschreven brief aan de kinderrechter overhandigd. Zij wenste niet in gesprek te gaan met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter de inhoud van de brief kort weergegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 28 december 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 januari 2024 tot 2 januari 2025. Sindsdien is die maatregel steeds verlengd. Laatstelijk, bij beschikking van 19 januari 2026, heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 10 februari 2026 tot 10 augustus 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
2.3.
[minderjarige] woont met de vader bij opa, oma en oom vaderszijde. Zij heeft sinds maart 2023 geen contact met de moeder.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie 24 uurs dan wel een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De vader verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I het verzoek van de GI af te wijzen;
II te bepalen dat de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1:259 BW Pro, te weten een door de rechtbank te benoemen instelling;
III zodanige beslissingen te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

4.De standpunten

4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, aan dat bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In het raadsrapport van 2023 worden de volgende zorgen benoemd: onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij vader, vader wil niet meewerken aan contactherstel tussen [minderjarige] en moeder ondanks de gegeven psycho-educatie en het hoge schoolverzuim van [minderjarige] . Ondanks het gedwongen kader is hierin tot heden weinig tot geen verandering gekomen. De symbiotische relatie tussen de vader en [minderjarige] moet doorbroken worden, zodat de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] afneemt.
De GI heeft grote zorgen dat [minderjarige] in een enorm loyaliteitsconflict verkeert en mogelijk al de kant van vader heeft gekozen. Door de GI en Sterk Huis wordt gezien dat [minderjarige] meteen begint te huilen en in paniek raakt als het over haar moeder gaat. De GI ziet bij [minderjarige] traumarespons. [minderjarige] weigert hier verder over te spreken. De GI acht contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] van groot belang voor haar identiteitsontwikkeling. Het contactherstel kan echter niet worden opgestart als [minderjarige] niet de vrijheid voelt om contact met haar moeder te hebben en er geen hulpverlening tot stand komt om te werken aan het trauma(respons). [minderjarige] heeft recht op contact met beide ouders. Er is sprake van een hoog schoolverzuim van [minderjarige] . School ziet een gesloten meisje dat moeite heeft met vertrouwen en maakt zich al jaren zorgen over het hoge schoolverzuim van [minderjarige] . [minderjarige] woont in [plaats 1] en gaat nog steeds in [plaats 2] naar school. De vader brengt en haalt haar. [minderjarige] loopt stage. Op haar stageadres wordt gezien dat al het contact over de stage via vader verloopt. Als ze zich afmeldt, loopt dit via vader. Daarnaast ziet stage dat er controle is op het wegbrengen en ophalen van [minderjarige] . Stage benoemt dat vader controlerend en beschermend overkomt en benoemt dat in gesprekken [minderjarige] zelden aan het woord komt in het bijzijn van vader. Zij geeft dan een terughoudende indruk. Tijdens het werk lijkt ze wat losser te komen en plezier uit te stralen. De hulpverlening signaleert dat [minderjarige] gaandeweg haar eigen perspectief lijkt te zijn kwijtgeraakt. Er bestaat ernstige zorg dat haar visie en beleving volledig gevormd wordt door die van de vader. Dit wordt versterkt doordat vader [minderjarige] geen emotionele ruimte biedt om vrij te spreken met de hulpverlening. Er is bij vader een patroon van vertragen en beperkte medewerking aan de hulpverlening waarin hij continu de regie naar zich toetrekt en in eigen belang handelt, afspraken ondermijnt of uitstelt en structureel belemmeringen opwerpt voor de voortgang. De vader geeft aan dat hij volledig wil meewerken met de hulpverlening maar dit wordt niet teruggezien in zijn handelen. De vader richt zich meer op strijd tegen de GI dan op de wensen en behoeften van [minderjarige] . Hij zegt dat hij bedreigd en onheus bejegend is door de GI, hetgeen wordt betwist. Er is om die reden een tweede jeugdzorgwerker gekoppeld om de gesprekken met de vader met twee jeugdzorgwerkers te kunnen voeren. Er zijn verschillende schriftelijke aanwijzingen aan vader gegeven met de opdracht mee te werken, maar deze hebben geen effect gehad. De GI had gehoopt na de beschikking van 19 januari 2026 verandering te zien in het gedrag van vader, maar dit wordt niet gezien. Dit maakt dat de ondertoezichtstelling onuitvoerbaar is. Nu de vader wederom niet meewerkt aan het inzetten van hulpverlening en weer continu controlerend gedrag laat zien, ziet de GI geen andere mogelijkheid meer dan [minderjarige] uit huis te plaatsen. Dit is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Alleen dan kan haar ontwikkelingsbedreiging worden weggenomen. De GI heeft om een brede machtiging verzocht. De bedoeling is [minderjarige] in een gezinshuis of pleeggezin te plaatsen en niet op een (crisis)groep. Dat laatste acht de GI niet in haar belang. Voor het geval het verzoek niet toewijsbaar is, verzoekt de GI het verzoek aan te houden zodat er een pressiemiddel is de vader te dwingen zijn medewerking te verlenen.
4.2.
Door en namens de vader wordt, samengevat, aangevoerd dat uithuisplaatsing van een minderjarige een vergaande maatregel is die in dit geval niet gerechtvaardigd is. Volgens de vader is deze zaak in overwegende mate komen te draaien om het uitblijven van contact tussen [minderjarige] en de moeder, alsmede om de communicatieproblematiek tussen de ouders. In gevallen waarin de kinderbeschermingsmaatregel feitelijk wordt ingezet ter bevordering van omgang of contactherstel moet aan de motivering hoge eisen worden gesteld. De GI had daarom concreet en toetsbaar moeten motiveren waarom het ontbreken van contact tussen [minderjarige] en de moeder in dit concrete geval een ontwikkelingsbedreiging met zich meebrengt. Het verzoek van de GI bevat echter geen concrete, op de minderjarige haar eigen functioneren toegespitste analyse van een actuele ontwikkelingsbedreiging als gevolg van het ontbreken van contact met haar moeder. Het enkele ontbreken van contact of de wens om beweging te krijgen in een vastgelopen ouderconflict levert geen toereikende grond op voor toewijzing van een machtiging tot uithuisplaatsing. Daarnaast voert de vader aan dat het schoolverzuim verklaarbaar is door een aandoening van het immuunsysteem waardoor [minderjarige] vaker ziek is dan gemiddeld. In verband hiermee vinden nog steeds medische onderzoeken plaats. Een definitieve diagnose is vooralsnog uitgebleven, hetgeen inherent is aan de complexiteit van immuunziekten. Bovendien heeft de GI zelf bevestigd dat het beter gaat en dat er sprake is van minder schoolverzuim. [minderjarige] haalt goede resultaten op school en op haar stage.
De vader betwist dat hij structureel niet meewerkt aan de hulpverlening en dat dit de voornaamste oorzaak is van de stagnatie. De GI heeft daar zelf een wezenlijke bijdrage aan geleverd. De vader heeft constructief gereageerd op de meest recente correspondentie van de GI. Hij is bereid mee te werken aan een constructief traject. Er heeft reeds een intakegesprek plaatsgevonden en de vader werkt mee aan het geadviseerde hulpverleningstraject. Volgens de vader heeft de GI hem bejegend als “haar hond en haar slaaf” en heeft zij hem medegedeeld dat hij “niets meer te willen had”. Een omgeving van intimidatie en machtsongelijkheid bemoeilijkt constructieve samenwerking. Uithuisplaatsing van [minderjarige] is niet noodzakelijk en niet in haar belang. Er is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen de vader en de GI. Een minder vergaand middel dan een uithuisplaatsing zou vervanging van de GI zijn. De vader merkt verder op dat er van aanvang af in een dwingend kader is geopereerd. Er is nimmer geprobeerd hulpverlening in een vrijwillig kader op te starten. De vader heeft steeds verklaard bereid te zijn mee te werken aan hulpverlening voor de minderjarige, mits die hulpverlening passend is. Onder die omstandigheden valt niet in te zien waarom geen minder ingrijpend alternatief mogelijk is. Een inbreuk op het familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, artikel 9 en Pro 18 IVRK is in deze situatie dan ook niet gerechtvaardigd. De vader is dan ook van mening dat het verzoek van de GI moet worden afgewezen.
Aangezien er duidelijk sprake is van een verstoorde verhouding tussen de vader en de GI en er sprake is van een onzorgvuldige taakuitvoering van de GI is voortzetting van de huidige situatie niet in het belang van [minderjarige] . Om die reden verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek te bepalen dat de GI wordt vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De vader beseft dat het van belang is nu hulpverlening in te zetten en daarom is hij bereid zijn zelfstandig verzoek in te trekken onder de voorwaarde dat de hulpverlening wordt voortgezet en aan het onderlinge vertrouwen en de samenwerking gewerkt wordt.
4.3.
Door en namens de moeder wordt, samengevat, aangevoerd dat de vader [minderjarige] drie jaar geleden heeft meegenomen en dat er sindsdien al veel is geprobeerd. Er zijn procedures gevoerd, er is overleg met allerlei instanties geweest en uiteindelijk is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken. De vader zegt elke keer op zitting dat hij meewerkt, hij heeft iedere keer een nieuwe advocaat en uiteindelijk gebeurt er helemaal niks. Het is een cirkel waar geen einde aan komt. [minderjarige] is inmiddels 14 jaar. Al zegt ze iets anders, ze mist haar moeder. Een kind houdt zich bij het verhaal dat haar omgeving van haar verlangt. Het feit dat ze niet mee durft te gaan voor een gesprek met de kinderrechter geeft al aan hoe groot de zorgen zijn. [minderjarige] moet de zorg en de hulp krijgen die zij nodig heeft en daarna kan gekeken worden of er een mogelijkheid is voor contactherstel met de moeder. De vader gaat steeds de strijd aan en [minderjarige] zit daar tussen. Ook het feit dat de vader steeds met [minderjarige] mee naar school reist en terug, is zorgelijk. Zij moet gewoon met vriendinnen kunnen afspreken. Het verzoek dat nu door de GI gedaan wordt, is het laatste dat ingezet kan worden om de situatie voor [minderjarige] te verbeteren.
4.4.
[minderjarige] heeft in haar brief, samengevat, aangegeven dat zij haar leven thuis positief vindt. Het enige dat ze negatief vindt, is de GI. Als ze uit huis geplaatst zou worden draait haar leven alleen om het negatieve. De GI heeft gezegd dat de reden van de uithuisplaatsing is dat ze geen eigen mening heeft en geen nee kan zeggen tegen haar vader alsof ze 4 jaar oud is, maar [minderjarige] kan net als ieder ander haar mening vormen. Ook zou een reden zijn dat ze vaak ziek is, maar op school heeft ze alle toetsen ingehaald. De reden dat ze vaak ziek is, is vanwege een immuunziekte. [minderjarige] wil absoluut niet uit huis geplaatst worden. Over zes weken heeft ze een toetsweek. Haar cijfers zijn goed, dus ze kan overgaan. Als ze alleen maar stress heeft en onder druk wordt gezet en ergens anders moet verblijven, blijft ze waarschijnlijk zitten. Ook geeft [minderjarige] aan dat vaak gevraagd wordt naar haar moeder en dat ze heel hard gepusht wordt. [minderjarige] wil geen contact. Therapie vindt ze wel oké, maar daar is niets aan gedaan, aldus [minderjarige] .

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:259 BW Pro kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft over de minderjarige op verzoek van (onder meer) een met het gezag belaste ouder vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
Inhoudelijk
5.2.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen besproken is ter zitting blijkt het volgende.
De vader is in maart 2023 met [minderjarige] weggegaan bij de moeder en sindsdien is het contact tussen de moeder en [minderjarige] verbroken. Al in juli 2023 is in het vrijwillig kader door het sociaal team [plaats 2] melding bij Veilig Thuis gedaan dat onvoldoende zicht gekregen wordt op het welzijn en de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader. De hulpverlening komt niet in gesprek met [minderjarige] en de vader houdt hulpverlening af. In augustus 2023 heeft de vader aangegeven wel mee te willen werken met de hulpverlening onder voorwaarde dat er een nieuwe medewerker van Veilig Thuis wordt aangesteld. Met de vader zijn afspraken gemaakt ten behoeve van het zicht krijgen bij hem thuis (inclusief huisbezoek) en het onderzoeken met wie [minderjarige] regelmatig in gesprek kan (GGD coach of kindercoach). Hulpverlening is niet van de grond gekomen in het vrijwillig kader.
5.3.
[minderjarige] is bij beschikking van 28 december 2023 met ingang van 2 januari 2024 onder toezicht van de GI gesteld. In de beschikking is overwogen dat in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden aan de volgende doelen teneinde de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen:
- [minderjarige] dient indien mogelijk onbelast en passend contact te mogen hebben met beide ouders;
- [minderjarige] krijgt de hulpverlening om zich te ontwikkelen tot een volwassen persoon;
- Ouders communiceren met elkaar en werken samen in belang van [minderjarige] .
In voornoemde beschikking heeft de kinderrechter voorts overwogen dat er geen zicht is op de belemmeringen die [minderjarige] voelt in het contact met de moeder en dat er ook geen zicht is op mogelijke trauma’s die zij heeft opgelopen door de jarenlange strijd die er is tussen de ouders.
5.4.
Vervolgens is er in het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling geprobeerd om hulpverlening in te zetten.
Op 5 juni 2024 heeft er een intake plaatsgevonden bij Sterk Huis en 1 september 2024 is Intensieve Gezinsbehandeling (IGB) gestart met het contact met de vader. Besproken is dat IGB twee keer in de week langs zal komen. Vervolgens is het ondanks vele pogingen niet gelukt om contact met de vader te krijgen. Uiteindelijk heeft op 3 oktober 2024 een eerste kennismaking plaatsgevonden. Er is toen nogmaals benoemd dat er twee afspraken per week nodig zijn. Vervolgens werd bij het eerste huisbezoek de deur aanvankelijk niet open gedaan, maar is de afspraak met de vader uiteindelijk alsnog doorgegaan. Bij het tweede huisbezoek werd de deur opnieuw niet opengedaan en bleek -na meerdere pogingen tot contact met de vader- dat hij de afspraak vergeten was.
5.5.
Eind oktober 2024 heeft de GI de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven om mee te werken aan hulpverlening. Tijdens een zitting rondom deze schriftelijke aanwijzing is door de GI benadrukt dat er van de vader wordt verwacht dat hij op 27 en 30 december 2024 bij [persoon] aanwezig is. Desondanks is de vader toen niet verschenen.
5.6.
In januari 2025 heeft de GI vanuit voorkeur van de vader data met de hulpverlening vastgesteld. Deze data zijn via email met de vader gedeeld.
In februari 2025 heeft de vader drie volle weken met afspraken afgezegd wegens ziekte.
Op 27 maart 2025 heeft de vader [minderjarige] afgemeld wegens belangrijke lessen op school, terwijl alle afspraken met school waren besproken en school heeft aangegeven dat er geen belangrijke lessen waren. De afspraak van [minderjarige] hierna op 3 april 2025 is ook afgezegd door de vader.
In april 2025 stond een groot overleg met school, hulpverlening, de vader, de GI en leerplicht gepland. Vader heeft kort voor het overleg laten weten eerst alleen met school in gesprek te willen gaan. De afspraak van [minderjarige] is afgezegd wegens ziekte van [minderjarige] .
5.7.
Het IGB traject heeft gelopen vanaf 1 september 2024 tot 1 mei 2025. IGB heeft in mei 2025 aangegeven het noodzakelijk te vinden dat er extra hulpverlening voor [minderjarige] komt, maar dat er vanuit de vader geen enkele medewerking komt. De vader geeft vaak aan het beste voor [minderjarige] te willen, maar is het vervolgens steeds niet eens met wat de hulpverlening zegt en zijn acties laten het tegenovergestelde zien. Vader heeft volgens IGB veel afspraken afgezegd. IGB zag geen andere optie dan het traject voortijdig af te sluiten.
5.8.
In mei 2025 heeft Sterk Huis veiligheidsrisico’s vastgesteld en aangegeven dat sprake is van een complexe en zorgwekkende gezinssituatie rondom [minderjarige] . De hulpverlening signaleert dat [minderjarige] gaandeweg haar eigen perspectief lijkt te zijn kwijtgeraakt. Er bestaat ernstige zorg dat haar visie en beleving vrijwel volledig gevormd wordt door die van haar vader. Dit wordt versterkt doordat vader [minderjarige] geen emotionele ruimte biedt om vrij te spreken met de hulpverlening. Hierdoor blijft haar werkelijke innerlijke beleving voor professionals moeilijk toegankelijk. In de loop der tijd heeft [minderjarige] haar moeder volledig verstoten. Volgens Sterk Huis is dit het gevolg van een dynamiek waarin vader een dominante, controlerende rol speelt. Hij vertoont obsessief gedrag richting [minderjarige] en houdt toezicht op haar dagelijkse activiteiten en sociale contacten. Deze controlerende dynamiek heeft geleid tot een symbiotische relatie tussen vader en [minderjarige] , waarbij zij nauwelijks autonomie ervaart of ontwikkelt. Hoewel [minderjarige] deze afhankelijkheid zelf mogelijk (nog) niet als problematisch ervaart, blijkt uit haar gedrag en voorkomen dat zij beperkt wordt in haar ontwikkeling. [persoon] geeft in het cliëntplan (vader) d.d. 6 augustus 2025 aan dat het vanaf de start lastig was om structureel contact met vader tot stand te brengen. Het heeft ruim een maand geduurd voordat de eerste afspraak kon worden ingepland. Gedurende een periode van bijna zeven maanden (standaard is circa drie maanden) zijn er in totaal 35 individuele afspraken met vader gepland, waarvan er slechts 13 inhoudelijk zijn doorgegaan. Van die 35 afspraken zijn er 12 afspraken door toedoen van vader niet doorgegaan, onder meer door afwezigheid wegens ziekte, het vergeten van afspraken of het niet tijdig reageren op geplande data. Zes afspraken die wel doorgingen konden inhoudelijk niet of nauwelijks plaatsvinden doordat vader te laat kwam, zich onwel voelde of het gesprek gebruikte om het proces ter discussie te stellen in plaats van inhoudelijke medewerking te verlenen. Met betrekking tot de gesprekken met [minderjarige] zijn er in totaal 9 afspraken ingepland, waarvan de eerste op 17 oktober 2025 en de tweede pas op 20 januari 2026. De vertraging ontstond doordat vader ondanks herhaalde verzoeken geen nieuwe beschikbaarheid doorgaf. Van de 9 geplande afspraken zijn er 4 afgezegd, waarvan 3 wegens ziekte en 1 op het laatste moment in verband met school (achteraf bleek dit niet gegrond).
[persoon] merkt op dat het patroon van uitstel en beperkte medewerking door vader niet nieuw is en ook al in eerdere hulpverleningstrajecten naar voren is gekomen. Ook binnen [persoon] werd dit patroon nadrukkelijk zichtbaar.
[persoon] ziet dat vader zich in eerste instantie als een vriendelijke, samenwerkende man presenteert die handelt vanuit het belang van [minderjarige] , maar dat in de praktijk echter sprake blijkt te zijn van een patroon waarin vader continu de regie naar zich toetrekt en in eigen belang handelt, afspraken ondermijnt of uitstelt en structureel belemmeringen opwerpt voor voortgang.
5.9.
Bij beschikking van 19 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 augustus 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De kinderrechter heeft in die beschikking onder meer overwogen dat de situatie rondom de ontwikkeling van [minderjarige] in het afgelopen jaar nauwelijks tot niet veranderd is. Voorts heeft de kinderrechter onder meer overwogen dat het door hem gegeven signaal over het controlerende gedrag van de vader een waarschuwing is aan de vader dat hij zijn controledrang om alles naar zijn hand te zetten nu loslaat en dat hij zal meegaan in hetgeen de kinderrechter ter zitting al over de voortzetting van de ondertoezichtstelling heeft overwogen. De kinderrechter heeft hierbij aangetekend dat instrumenten als het geven van een schriftelijke aanwijzing gepasseerde stations zijn, alsmede dat het aan beide ouders is om volledig met de GI mee te werken.
5.10.
De kinderrechter stelt in de onderhavige procedure vast dat er nog niets veranderd is. Uit overgelegde email-correspondentie blijkt dat de GI naar aanleiding van de beschikking van 19 januari 2026 en de zitting een tweede jeugdbeschermer heeft gekoppeld. Bij email van 18 februari 2026 aan de vader heeft de GI ten behoeve van een kennismaking met de tweede jeugdbeschermer en het bespreken van een plan en de samenwerking vier data in maart 2026 genoemd als optie voor een gesprek. Door eerst niet te reageren en daarna te vertragen, bleef uiteindelijk 23 maart 2026 over. De vader is die datum op het kantoor van de GI verschenen, maar een gesprek is nauwelijks mogelijk gebleken. Volgens de GI was de vader heel luidruchtig aan het kokhalzen en luid aan het hoesten. Er werden amper antwoorden gegeven en als er iets kwam was dat summier. De kinderrechter constateert dat dit wederom past in het patroon van de vader van niet reageren, vertragen, beperkt meewerken, de regie naar zich toetrekken, afspraken ondermijnen en/of uitstellen en belemmeringen opwerpen voor de voortgang.
5.11.
De vader heeft een dominante, controlerende rol in de relatie met zijn dochter. Hij biedt [minderjarige] geen ruimte in gesprek te gaan met de hulpverlening en de GI. De jeugdbeschermers kunnen [minderjarige] enkel spreken als ze haar op school opzoeken.
Ook de kinderrechter is het niet gelukt om in gesprek met [minderjarige] te gaan. [minderjarige] heeft op de betreffende datum en tijdstip voor het kindgesprek in de rechtbank, in het bijzijn van haar vader en oma vaderszijde, een handgeschreven brief in een open envelop aan de kinderrechter overhandigd. Ondanks meerdere malen daartoe uitgenodigd te zijn door de kinderrechter, is zij niet in gesprek gegaan. Zij oogde zeer gespannen en antwoordde nauwelijks, de vader voerde het woord. Na overhandiging van de brief heeft de vader aan [minderjarige] gevraagd of zij nog iets over de brief en de zitting wilde vragen. Daarop antwoordde [minderjarige] dat zij de kinderrechter wilde vragen de brief niet voor te lezen tijdens de zitting maar wel kort te zeggen wat in de brief geschreven stond. De vader heeft daarop aangevuld dat hij had gelezen dat de inhoud van de brief anders niet gebruikt mag worden voor de beslissing.
5.12.
De vader houdt voorts toezicht op de dagelijkse activiteiten en sociale contacten van [minderjarige] . [minderjarige] gaat nog steeds in [plaats 2] naar school. Dit betekent dagelijks een aanzienlijke reistijd met het openbaar vervoer van (volgens de vader) circa 70 minuten enkele reis, waarbij de vader met [minderjarige] heen en terug reist. Zoals [persoon] ook heeft opgemerkt laat deze intensieve reisroutine weinig tot geen ruimte over voor deelname aan buitenschoolse activiteiten (zoals hobby’s en sport) en voor het onderhouden van sociale contacten met leeftijdsgenoten. Ook op het stageadres van [minderjarige] wordt gezien dat er controle op het wegbrengen en ophalen van [minderjarige] is en dat al het contact over de stage via de vader verloopt.
5.13.
De kinderrechter is alles in overweging nemende van oordeel dat sprake is van een zeer zorgelijke situatie die niet in lijn is met een gezonde ontwikkeling van een meisje van bijna 15 jaar. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] loopt al ruim twee jaar en er is nog steeds onvoldoende zicht op het welzijn en de opvoedsituatie van [minderjarige] . Alle betrokkenen, ook de vader, maken zich zorgen over [minderjarige] en zijn van mening dat hulpverlening nodig is. De GI heeft meerdere malen geprobeerd hulpverlening in te zetten, maar door de houding van de vader is dit nog steeds niet gelukt. De vader is er de afgelopen periode, ook door de kinderrechter, meerdere malen op gewezen dat sprake is van een gedwongen kader en dat hij daarom dient mee te werken aan hulpverlening. Hoewel de vader steeds aangeeft dat hij zal meewerken/meewerkt, heeft hij dat vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling niet gedaan en in die situatie is nog steeds geen verbetering gekomen.
5.14.
De vader belemmert [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling. De kinderrechter realiseert zich dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is, maar zo lang [minderjarige] bij de vader zal verblijven, zal er geen hulpverlening voor haar ingezet kunnen worden en zal de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet weggenomen kunnen worden. Een minder ingrijpende maatregel is gezien alles dat al is geprobeerd niet mogelijk. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is om de GI een machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige] te verlenen. De GI heeft om een brede machtiging verzocht en heeft desgevraagd aangegeven dat het haar bedoeling is [minderjarige] in een gezinshuis of pleeggezin te plaatsen en niet op een (crisis)groep, omdat dit laatste niet in haar belang wordt geacht. De kinderrechter begrijpt het verzoek van de GI daarom als een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinsvervangende omgeving en zal het verzoek op die manier toewijzen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
5.15.
De kinderrechter verwerpt het beroep van de vader op het bepaalde in het EVRM en het IVRK. Een inbreuk op de in die verdragen beschermde rechten op eerbiediging van ‘family life’ is, gelet op al het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.16.
Het voorgaande betekent dat de kinderrechter het verzoek van de vader om de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling zal afwijzen. De kinderrechter begrijpt dat de samenwerking tussen de GI en de vader op dit moment niet goed verloopt, maar acht vervanging niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter ziet dit verzoek van de vader als een nieuwe poging om de inzet van hulpverlening verder te vertragen en controle uit te blijven oefenen. Vervanging van de huidige GI zal tot een verdere vertraging van de inzet van hulpverlening leiden, terwijl er gezien de voorgeschiedenis geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat de vader alsdan wel onverkort zijn medewerking zal gaan verlenen.
5.17.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als daartegen beroep wordt ingesteld.
5.18.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
in de zaak met nummer C/02/446717 / JE RK 26-579:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsvervangende omgeving (gezinshuis of pleeggezin) met ingang van 13 mei 2026 tot
10 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
in de zaak met nummer C/02/447621 / JE RK 26-734:
6.4.
wijst het verzoek van de vader af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door
mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.