ECLI:NL:RBZWB:2026:5197

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447597 / JE RK 26-724 / C/02/447650 / JE RK 26-747
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265i lid 1 BWArt. 1:265i lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en wijziging hoofdverblijf minderjarigen naar moeder

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 13 mei 2026 een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen en wijziging van hun hoofdverblijf naar de moeder. De minderjarigen verbleven sinds 2015 onder toezicht en waren langdurig geplaatst bij pleegouders. De pleegouders maakten bezwaar tegen de wijziging van het hoofdverblijf vanwege hun langdurige zorg en zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder.

Tijdens de zitting werden de minderjarigen gehoord, waarbij zij aangaven meer tijd bij de moeder te willen doorbrengen. De kinderrechter constateerde een loyaliteitsconflict tussen de kinderen, de moeder en de pleegouders, wat hun sociaal-emotionele ontwikkeling bedreigt. De GI stelde dat de moeder inmiddels een stabiele en veilige opvoedomgeving biedt en dat de samenwerking tussen pleegouders en moeder moeizaam blijft.

De rechtbank oordeelde dat de ondertoezichtstelling verlengd moet worden om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen en dat het hoofdverblijf gewijzigd moet worden naar de moeder, zodat de kinderen de kans krijgen bij haar op te groeien. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, ondanks het bezwaar van de pleegouders. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd en het hoofdverblijf wordt gewijzigd naar de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447597 / JE RK 26-724
C/02/447650 / JE RK 26-747
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en wijziging hoofdverblijf minderjarige
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/447597 / JE RK 26-724 de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 22 april 2026;
  • de brief van pleegouders, ontvangen op 19 mei 2026. De kinderrechter zal deze brief meenemen in de procedure ondanks protest van de advocaat van de moeder omdat de kern ervan mondeling is besproken.
1.2.
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/447650 / JE RK 26-747 de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het (spoed)verzoekschrift met bijlagen van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 22 april 2026.
  • de brief van de GI, ontvangen op 11 mei 2026.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de pleegouders;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 1 oktober 2015 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van [stichting] , rechtsvoorganger van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, met ingang van 1 oktober 2015 en tot 1 april 2016. De ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 januari 2022.
2.3.
Bij beschikking van 27 maart 2017 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders vaderszijde, verleend. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 22 januari 2022.
2.4.
Bij beschikking van 25 maart 2022 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 maart 2022 en tot 25 maart 2023. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 maart 2022 en tot 25 maart 2023.
2.5.
Bij beschikking van 14 juli 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] opnieuw onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 juli 2023 en tot 14 juli 2024. Tevens is bij dezelfde beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders, verleend met ingang van 14 juli 2023 en tot 14 juli 2024. Deze maatregelen zijn hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 14 mei 2026.
2.6.
Op basis van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bij de pleegouders.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI om toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in die zin dat zij teruggeplaatst worden bij de moeder. Ook verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] geeft in zijn gesprek met de kinderrechter aan dat hij de ene week bij de pleegouders wil wonen en de andere week bij de moeder. De kinderrechter mag verder niets over het gesprek vertellen.
4.2.
[minderjarige 2] geeft in haar gesprek met de kinderrechter aan dat ze bij de moeder wil wonen. Ze voelt veel verwantschap met de moeder. [minderjarige 2] wil de pleegouders en haar vader graag blijven zien. [minderjarige 2] hoopt dat de pleegouders uiteindelijk ermee instemmen dat ze bij de moeder gaat wonen, omdat dit erg belangrijk voor haar is. De huidige situatie rondom haar moeder en de pleegouders houdt [minderjarige 2] flink bezig. Ze heeft er stress van en slaapt slechter.
4.3.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing naar de overgelegde stukken. De GI ziet inmiddels geen belemmeringen (meer) in het laten opgroeien van de kinderen bij de moeder. De zorgen van de pleegouders over de opvoedsituatie van de moeder deelt de GI niet. De moeder moet nog stappen zetten, maar de huidige opvoedomgeving bij de moeder is niet onveilig. De GI constateert dat de pleegouders en de moeder een andere visie over opvoeding hebben. De zorg is dat dit visieverschil tijdens de puberteit van de kinderen nog minder overbrugbaar wordt. Er bestaat bij de pleegouders een blijvende overtuiging dat de opvoedomgeving bij de moeder niet goed is. De kinderen zitten bovendien al jaren in een loyaliteitsconflict. De GI en pleegzorg enerzijds en pleegouders anderzijds hebben een moeizame samenwerking waarbij pleegouders in de ogen van de GI en pleegzorg overleg uit de weg gaan, ondermeer door voorwaarden aan de besprekingen te stellen. De GI benadrukt dat het uitgangspunt is dat kinderen samen worden geplaatst, tenzij er goede redenen zijn om dit niet te doen. Tot slot staat er een kindbehartiger klaar om te starten.
4.4.
Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder achter de verzoeken van de GI staat. De kinderen hebben recht om op te groeien bij de moeder. Dat willen ze ook, ook al voelt [minderjarige 1] zich niet vrij dit zo uit te spreken. De moeder bezit over voldoende opvoedkwaliteiten en is klaar voor een terugplaatsing van de kinderen. Het wantrouwen tussen de pleegouders en de moeder staat een goede samenwerking in de weg en is meteen ook oorzaak van het enorme loyaliteitsconflict van de kinderen. Moeder kan in tegenstelling tot de pleegouders wel goed samenwerken met de GI en pleegzorg. De moeder gunt de pleegouders een plek in het leven van de kinderen, maar wel als opa en oma. Zij heeft immers nog steeds het gezag over de kinderen.
4.5.
De pleegouders maken bezwaar tegen het verzoek van GI om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen. Aangezien de kinderen al elf jaar bij de pleegouders wonen, ligt de hechting bij de pleegouders Voor de veiligheid van de kinderen moeten de kinderen bij de pleegouders blijven. Moeder is niet in staat de kinderen goed en veilig op te voeden. Bovendien zou een terugplaatsing bij de moeder betekenen dat het leven van de kinderen drastisch verandert. De pleegouders maken zich ook zorgen over de partner van de moeder. De pleegouders erkennen het loyaliteitsconflict, maar dit komt niet alleen vanuit hun kant. Verder verloopt de samenwerking tussen de GI en de pleegouders moeizaam. Zij voelen zich onvoldoende gehoord en gezien en denken dat de GI en anderen niet goed kijken. Hiermee hebben ze de kern van de brief die zij aan de kinderrechter hebben gestuurd, verwoord.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265i lid 1 BW behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoegd en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Op basis van bepaalde in artikel 1:265i lid 2 BW wordt de toestemming door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
Inhoudelijke beoordeling ondertoezichtstelling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen geven aan meer tijd door te willen brengen met de moeder. [minderjarige 1] geeft aan voor de helft van de tijd bij de moeder te willen wonen. [minderjarige 2] wil volledig bij de moeder wonen. De pleegouders hebben daarentegen moeite met het bieden van emotionele ondersteuning voor uitbreiding van het contact met de moeder. Dit leidt bij de kinderen tot een loyaliteitsconflict, waardoor ze klem komen te zitten tussen de moeder en de pleegouders. Dit zorgt voor spanning en stress bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen komen door het loyaliteitsconflict minder toe aan hun sociaal emotionele ontwikkeling. Gelet op het voorgaande is het belangrijk dat de GI betrokken blijft om zicht te houden op de ontwikkelingen, wensen en behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is belangrijk dat de kinderen onbelast contact kunnen hebben met de moeder, de vader en de pleegouders. Verder is het van groot belang dat de GI de komende periode de terugplaatsing van de kinderen bij de moeder gaat realiseren en begeleiden. De gezinsvoogd dient tijdens dit proces de belangen van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed in kaart te brengen.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders ondanks de inzet van systeemgerichte interventie kwetsbaar is gebleven. Er is geen vertrouwen van de pleegouders richting de moeder. Het is daarom belangrijk dat een neutrale regievoerder de moeder en de pleegouders blijft begeleiden. Het doel is dat de pleegouders en de moeder op een constructieve manier kunnen samenwerken in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Inhoudelijke beoordeling wijziging hoofdverblijf
5.7.
De GI heeft verzocht het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te bepalen bij de moeder. De kinderrechter wil benadrukken dat het uitgangspunt is dat de kinderen bij de ouders moeten opgroeien, tenzij zij hier niet toe in staat zijn. Een kind heeft het recht om bij zijn ouders op te groeien. Het is bewonderenswaardig dat de pleegouders de laatste elf jaar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben opgevoed en daarbij structuur, stabiliteit en veiligheid hebben geboden. De GI benoemt echter ook dat de relatie tussen de kinderen en de pleegouders beladen is - namelijk over de kwaliteiten van de moeder als moeder - , hetgeen belastend is voor de kinderen. Met een voortzetting van de plaatsing bij de pleegouders nemen de zorgen over de sociaal emotionele ontwikkeling, waaronder de identiteitsontwikkeling, niet af, integendeel. Het is de kinderrechter ter zitting en op basis van de overgelegde stukken gebleken dat er veel vertrouwen is in de moeder vanuit de GI en pleegzorg. De moeder functioneert al langere tijd voldoende stabiel en zonder middelengebruik. De moeder kan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een voldoende veilige opvoedomgeving bieden Ook de kinderen geven aan meer tijd met hun moeder door te willen brengen. De moeder moet nog stappen maken om de gecreëerde stabiliteit uit te bouwen, maar het is gebleken dat de moeder bereid is om verder aan zichzelf te werken en zich te blijven inzetten in het belang van de kinderen. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gewijzigd moet worden naar de moeder. De kinderen moeten de kans krijgen om bij de moeder op te groeien en zichzelf daar te ontwikkelen. De kinderrechter geeft de GI de opdracht mee om naast het realiseren van de terugplaatsing goed te bekijken hoe naar hoe de pleegouders in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen blijven, de kinderen hebben zich immers ook gehecht aan hen. De kinderrechter hoopt dat pleegouders “gewoon” opa en oma willen en kunnen zijn.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 14 mei 2027;
6.2.
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de moeder;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.