ECLI:NL:RBZWB:2026:5196

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447013 / JE RK 26-632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2017, die bij hun moeder wonen. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit, maar de communicatie en samenwerking tussen hen zijn problematisch, wat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigt.

De GI heeft het verzoek onderbouwd met rapportages en stelt dat ondanks afgeronde ouderschapsbemiddeling geen ouderschapsplan is opgesteld. De moeder heeft zich persoonlijk ontwikkeld, maar ervaart onvoldoende interventie bij dreigende escalaties. De vader stemt in met het verzoek. De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening gevraagd, maar zij maakten hier geen gebruik van.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, omdat de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen niet met vrijwillige hulpverlening kan worden weggenomen. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor zes maanden met aanhouding van het restant van drie maanden. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd met zes maanden en het restant van drie maanden wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447013 / JE RK 26-632
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.M Wigman uit ’s Gravenhage.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026;
  • het bericht van de vader, ontvangen via de GI op 6 mei 2026;
  • het bericht van mr. J.M Wigman, ontvangen op 11 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De vader en zijn advocaat zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hier geen gebruik van gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 december 2023 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 5 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van negen maanden, waarvan een restant van drie maanden wordt aangehouden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. In april 2026 is de ouderschapsbemiddeling afgerond. Helaas heeft dit vanwege uiteenlopende visies niet tot het gewenste resultaat geleid. Er is op dit moment geen ouderschapsplan. Wel heeft de GI een voorstel voor een omgangsregeling gemaakt. De GI is voornemens deze regeling in te dienen bij de rechtbank middels een verzoek. Te zien is dat de kinderen last hebben van het gebrek aan samenwerking tussen de ouders. Op dit moment is helderheid over de omgang en hulpverlening voor de beide kinderen het hoogst haalbare binnen het systeem.
4.2.
De moeder heeft de afgelopen jaren hard aan zichzelf gewerkt. De strijd en volharding tussen de ouders blijven echter voortduren en de moeder heeft het gevoel dat hier onvoldoende op wordt ingegrepen. De moeder vindt dat de gezinsvoogd regelmatig te kort schiet door geen actie te ondernemen bij dreigende escalaties of door de veiligheidsafspraken niet voldoende te waarborgen. De moeder pleit voor gelijkwaardigheid voor haar en de vader. De moeder vindt het belangrijk dat er een omgangsregeling op papier komt, maar is bang dat de voorgestelde omgangregeling vooral het belang van de vader dient en in mindere mate die van de kinderen.
4.3.
Namens de vader wordt aangegeven dat de vader het eens is met het verzoek van de GI. Ter onderbouwing wordt verwezen naar het bericht van de vader, ontvangen via de GI op 6 mei.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Binnen de ondertoezichtstelling zijn er al veel stappen gezet. De ouders hebben zich ingezet voor ouderschapsbemiddeling en hebben beiden een persoonlijk begeleider van [hulpverlening] . Verder geeft de moeder aan dat het over het algemeen goed gaat met de kinderen. Voor beide kinderen is er binnen de ondertoezichtstelling hulpverlening ingezet. [minderjarige 2] heeft begeleiding van [begeleiding] en lijkt steeds meer uit de knoop te raken. Ook de behandelaar van [begeleiding] beaamt de positieve ontwikkeling bij [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft een kindtraject vanuit [hulpverlening] gevolgd. Voor [minderjarige 1] is mogelijk meer hulpverlening nodig, met name op het gebied van emotieregulatie en zijn sociaal emotionele ontwikkeling. Mogelijk is PMT passend voor [minderjarige 1] . De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt echter nog steeds ernstig bedreigd, omdat er nog geen duidelijkheid is over de omgangsregeling tussen de kinderen en de ouders. Het gebrek aan samenwerking tussen de ouders is al geruime tijd belastend voor de kinderen. Hoewel deze belasting niet geheel weg kan worden genomen door het vaststellen van een omgangsregeling is de GI van mening dat dit het hoogst haalbare is binnen de ondertoezichtstelling. De blijvende belasting zal zo veel mogelijk ondervangen worden door het continueren van [begeleiding] van [minderjarige 2] en de schoolgesprekken van [minderjarige 1] .
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de communicatie tussen de ouders erg kwetsbaar blijft. Het is nodig dat de GI de komende periode betrokken blijft om de omgangsregeling vast te leggen en de hulpverlening voor de kinderen te continueren.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de duur van zes maanden, onder aanhouding van het restant.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 december 2026;
6.2.
houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van
vrijdag 29 oktober 2026 PRO FORMA, en verzoekt de GI om uiterlijk 14 dagen voor deze datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken, haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.