ECLI:NL:RBZWB:2026:5193

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/02/443805 FA RK 26-124
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige zorgregeling en hoofdverblijf minderjarige kinderen na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen. Na ernstige zorgen over de veiligheid bij de moeder, verblijven de kinderen sinds juli 2025 bij de vader. In een kort geding zijn voorlopige afspraken gemaakt over contact en hoofdverblijf, waarbij de kinderen voorlopig bij de vader verbleven en de vader geen kinderalimentatie hoefde te betalen.

De vader verzoekt wijziging van het ouderschapsplan met hoofdverblijf bij hem en beperking van contact en alimentatie. De moeder verzet zich en vraagt om uitbreiding van contact, met name overnachtingen, en benadrukt haar voortgaande behandeling van een alcoholverslaving. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert snel te starten met overnachtingen bij de moeder.

Tijdens de zitting bereiken partijen overeenstemming over een uitbreiding van de voorlopige zorgregeling met contactmomenten en overnachtingen bij de moeder. De rechtbank legt deze regeling vast, verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad en houdt de definitieve beslissingen aan tot ontvangst van een hulpverleningsrapportage in november 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de voorlopige zorgregeling met uitbreiding van contact en overnachtingen bij de moeder en houdt de definitieve beslissingen aan tot ontvangst van de hulpverleningsrapportage.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/443805 FA RK 26-124
datum uitspraak: 13 mei 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. P.J.M. Groenhuis-Kools,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.J. Koningsveld,
tijdens de zitting waargenomen door mr. Z.A. Hoetjes.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlage, ontvangen op 14 april 2026.
1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 16 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3 De minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben brieven gestuurd naar de rechtbank.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
24 oktober 2019 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 8 november 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
  • [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, hierna ook: [minderjarige 1] ;
  • [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, hierna ook: [minderjarige 2] .
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.4
In de echtscheidingsbeschikking van 24 oktober 2019 is bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In dat ouderschapsplan van 15 oktober 2019 is onder meer opgenomen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, dat de kinderen op haar adres staan ingeschreven en dat aan haar het recht toekomt om de kinderbijslag en het kindgebonden budget te innen. Ook hebben partijen afgesproken dat de kinderen de ene week van woensdagavond 18.30 uur tot vrijdagavond 18.30 uur bij de man zullen verblijven, in de andere week ook het aansluitende weekend tot zondagavond 18.30 uur en daarnaast gedurende de helft van de schoolvakanties en erkende feestdagen, in onderling overleg te verdelen. Verder zijn partijen overeengekomen dat de man maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw € 75,= per kind aan kinderalimentatie zal betalen. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om een bedrag van € 98,70 per kind per maand.
2.5
Sinds medio juli 2025 verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man.
2.6
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 13 februari 2026 ( kenmerk C/02/443941 / KG ZA 26/13) zijn voorlopige beslissingen genomen in het geschil tussen partijen over de kinderen. Partijen hebben in het kader van het kort geding afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis overeenkomstig die afspraken gelast dat de vrouw en de kinderen voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 19.00 uur (met avondeten) en op vrijdagmiddag van 14.45 uur (uit school) tot 20.00 uur, waarbij de man de kinderen bij de vrouw ophaalt, en tijdens de carnavalsvakantie in 2026 op dinsdag 17 februari en woensdag 18 februari van 12.30 uur tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen brengt en ophaalt. Ook is in dat vonnis bepaald dat de kinderen voorlopig hun hoofdverblijf hebben bij de man en dat de man met ingang van 1 november 2025 voorlopig niet gehouden zal zijn om de bij het ouderschapsplan van 15 oktober 2019 overeengekomen kinderalimentatie aan de vrouw te voldoen. Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verder zijn partijen en de kinderen door de voorzieningenrechter in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Dit loket is verzocht om uiterlijk 10 november 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in deze bodemprocedure de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, onder wijziging van het ouderschapsplan van 15 oktober 2019:
  • te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf (voorlopig) zullen hebben bij de man;
  • te bepalen dat de vrouw en de kinderen (voorlopig) gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar wekelijks op woensdag vanuit school tot 17.00 uur en daarbij te bepalen dat deze contacten door een door partijen aan te wijzen persoon uit het netwerk van de vrouw zullen worden begeleid;
  • te bepalen dat de man met ingang van 1 november 2025 niet langer gehouden is om een bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van de kinderen aan de vrouw te voldoen en de kinderalimentatie met ingang van die datum op nihil te stellen.
3.2
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man. Zij verzoekt deze af te wijzen.
3.3
De vrouw verzoekt voorwaardelijk, voor zover de rechtbank één of meerdere verzoeken van de man zou willen toewijzen, zelfstandig:
  • om de voorlopige zorgregeling als volgt te wijzigen: te bepalen dat de kinderen voorlopig op woensdagmiddag van 12.30 uur (uit school) tot 19.00 uur (met avondeten) en op vrijdagmiddag van 14.45 uur (uit school) tot en met zondagavond bij de vrouw verblijven, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorgregeling, waarbij in ieder geval op korte termijn wordt gestart met een overnachting bij de vrouw;
  • een beslissing te nemen over de proceskosten.

4.De standpunten

4.1
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
In verband met acute ernstige zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vrouw, verblijven de kinderen vanaf 20 juli 2025 volledig bij de man. Er was sprake van huiselijk geweld door de toenmalige partner van de vrouw en de vrouw kampt(e) met een alcoholverslaving. Naar aanleiding van zorgmeldingen is Veilig Thuis betrokken geraakt. Veilig Thuis heeft in juli 2025 het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) ingeschakeld. Het eerste gesprek van partijen met het CJG vond plaats op 29 juli 2025. Toen is onder meer besproken dat de vrouw professionele hulp moest inschakelen voor haar alcoholverslaving. Partijen zijn door het CJG voor verdere hulpverlening verwezen naar [hulpverlening] . Die hulpverlening is gestart in februari 2026.
Vanaf augustus 2025 vinden er begeleide contactmomenten plaats tussen de vrouw en de kinderen. Tot onvrede van de man heeft het CJG de duur van de contacten tussen de vrouw en de kinderen steeds verder uitgebreid en de begeleiding steeds verder afgeschaald. Eind december 2025 heeft het CJG bericht dat de contactbegeleiding stopt. Dit plaatste de man voor een groot dilemma. Enerzijds vond hij het belangrijk dat de kinderen contact hadden met hun moeder, maar anderzijds mag geen sprake zijn van onveiligheid. De man achtte het van belang dat de hulpverlening door [hulpverlening] zijn beloop zou hebben en dat partijen onder begeleiding van de hulpverleners van [hulpverlening] nadere afspraken over de kinderen zouden maken. De vrouw wilde echter dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan volledig zou worden hervat. Zij heeft de man daarom eind januari 2026 gedagvaard in kort geding. Tijdens het kort geding zijn afspraken gemaakt over een voorlopige zorgregeling en heeft de voorzieningenrechter partijen een verwijzing gegeven in het kader van het UHA. De man acht het van belang dat dit traject zijn beloop kan hebben en dat het zorgvuldig verloopt.
De kinderen hebben veel meegemaakt en de zorgen over de situatie bij de vrouw waren zeer ernstig. De beslissingen op de verzoeken van de man in deze zaak kunnen daarom volgens hem worden aangehouden in afwachting van het verloop van het UHA-traject.
4.2
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De vrouw heeft in kort geding gevorderd dat de man zal worden veroordeeld om de zorgregeling conform het ouderschapsplan van 15 oktober 2019 weer na te komen. Tijdens de kort gedingzitting van 9 februari 2026 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige zorgregeling. Toen is expliciet besproken dat in het kader van de hulpverlening bij [hulpverlening] op korte termijn zou worden gekeken naar een verdere uitbreiding van het contact tussen de vrouw en de kinderen. Als eerste stap in de uitbreiding zou worden toegewerkt naar een extra dag in het weekend, met een overnachting bij de vrouw. Desondanks is tot op heden geen sprake van een structurele uitbreiding van de zorgregeling. De vrouw constateert dat de regie over de uitbreiding in de praktijk volledig bij partijen zelf is komen te liggen. De hulpverleners van [hulpverlening] geven aan slechts adviserend te kunnen optreden en laten het maken van concrete afspraken over aan partijen. De man stelt zich evenwel op het standpunt dat een uitbreiding eerst met de hulpverlening moet worden afgestemd. Dit leidt tot een patstelling.
Op 5 april 2026 zijn de kinderen voor het eerst een extra dag in het weekend bij de vrouw geweest en dat is goed verlopen. De vrouw had gehoopt dat dit een eerste stap zou zijn richting uitbreiding met een overnachting, maar tevergeefs. De vrouw benadrukt dat de kinderen haar missen en herhaaldelijk aangeven dat zij meer tijd met hun moeder willen doorbrengen. Het is in het belang van de kinderen dat de rechtbank een uitbreiding van de (voorlopige) zorgregeling vaststelt, waarbij in ieder geval op korte termijn wordt gestart met een overnachting. De vrouw ondergaat inmiddels een behandeling bij Novadic-Kentron in verband met haar alcoholprobleem, bezoekt iedere week een psycholoog en start in mei 2026 met hulpverlening door de Militaire GGZ. Zij drinkt geen alcohol meer en pakt alle hulpverlening aan die nodig is om beter in haar vel te zitten. Tot op heden verloopt de hulpverlening goed en komt zij afspraken na.
4.3
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd dat er snel zal worden gestart met een overnachting van de kinderen bij de vrouw, misschien al wel het weekend na de zitting. Als dat goed gaat, kan de regeling wat betreft de Raad vrij snel worden uitgebreid met meerdere overnachtingen. Ook adviseert de Raad aan de vrouw om de man door middel van onderbouwende stukken inzage te geven in het verloop van haar behandeling, zodat hij meer vertrouwen krijgt. De Raad ziet dat partijen op de goede weg zijn, maar ziet ook dat het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] langzaam gaat. Voor de hulpverlening kan het volgens de raadsmedewerker helpend zijn als de rechtbank een tussenbeslissing neemt over de (voorlopige) zorgregeling.
4.4
[minderjarige 1] heeft in een brief aan de rechtbank laten weten dat zij in [woonplaats 2] op school wil blijven en wil voetballen in [woonplaats 2] . Ook heeft zij aangegeven dat zij vier dagen bij haar moeder wil zijn en drie dagen bij haar vader. [minderjarige 2] heeft twee brieven geschreven aan de rechtbank. Eén brief werd door de rechtbank ontvangen op 18 maart 2026, de andere brief op 9 april 2026. In de eerste brief heeft [minderjarige 2] aangegeven dat hij bij zijn moeder naar school wil en dat hij het voetballen met zijn moeder en zijn vader wil. In de tweede brief schrijft hij dat hij wil slapen bij zijn moeder, dat hij vlakbij haar wil voetballen en dat hij meer bij zijn vriendjes wil zijn.

5.De beoordeling

5.1
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van gezag geschillen hierover op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op basis van het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 1:377e BW kan de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Voordat dat de rechtbank een beslissing neemt over het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zal zij nagaan of de ouders samen overeenstemming kunnen bereiken.
5.2
Tijdens een onderbreking van de zitting hebben partijen in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de Raad overleg gehad en overeenstemming bereikt over een uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. Partijen zijn het volgende overeengekomen:
  • De kinderen gaan op vrijdag 17 april 2026 na school (14.45 uur) naar de vrouw, zullen daar de nacht doorbrengen en bij de vrouw verblijven tot zaterdag 18 april 2026 10.00 uur. De vrouw zal de kinderen dan naar de man brengen.
  • In de
  • In de
  • Op zondag 10 mei 2026 (moederdag 2026) zullen de kinderen vanaf 10.00 uur tot maandag 11 mei 19.00 uur (met avondeten) bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de kinderen op zondagochtend bij de man ophaalt en hen op maandagavond na het avondeten naar de man terugbrengt.
  • In de meivakantie volgen partijen de regeling zoals die geldt voor de even en oneven weken, waarbij de vrouw de kinderen bij de man zal halen op de tijd dat de school normaal gesproken uit zou zijn (woensdagmiddag om 12.30 uur en vrijdagmiddag om 14.45 uur).
Partijen verzoeken deze voorlopige regeling op te nemen in deze beschikking.
5.3
Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over een uitbreiding van de voorlopige zorgregeling en de rechtbank deze regeling, net als de Raad, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht, zal de rechtbank deze regeling vastleggen op onderstaande wijze.
5.4
De rechtbank zal de beslissing, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
5.5
In het kort geding vonnis van deze rechtbank van 13 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter onder meer voorlopige beslissingen genomen over het hoofdverblijf van de kinderen en de verplichting van de man om kinderalimentatie te betalen. De rechtbank zal de definitieve beslissing op de verzoeken over het hoofdverblijf van de kinderen, de definitieve zorgregeling en de kinderalimentatie aanhouden, in afwachting van de uitkomst van het UHA-traject.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1
bepaalt – in wijziging op de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zoals die is neergelegd in het vonnis in kort geding van 13 februari 2026 in de zaak met kenmerk C/02/443941 / KG ZA 26/13 – dat de vrouw en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar overeenkomstig de volgende voorlopige regeling:
  • de kinderen gaan op vrijdag 17 april 2026 14.45 uur (uit school) naar de vrouw, zullen bij haar de nacht doorbrengen en bij de vrouw verblijven tot zaterdag 18 april 2026 10.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen die zaterdagochtend naar de man brengt;
  • in de
  • in de
  • op zondag 10 mei 2026 (moederdag 2026) zullen de kinderen vanaf 10.00 uur tot maandag 11 mei 19.00 uur (met avondeten) bij de vrouw verblijven, waarbij de vrouw de kinderen op zondagochtend bij de man ophaalt en hen op maandagavond na het avondeten naar de man terugbrengt;
  • in de meivakantie volgen partijen de regeling zoals die geldt voor de even en oneven weken, waarbij de vrouw de kinderen bij de man zal halen op de tijd dat de school normaal gesproken uit zou zijn (woensdagmiddag om 12.30 uur en vrijdagmiddag om 14.45 uur);
6.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3
houdt de behandeling van deze zaak aan tot 10 november 2026 PRO FORMA, in afwachting van de UHA-rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject in het kader van de verwijzing naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West, zoals is bepaald in het vonnis in kort geding van 13 februari 2026 in de zaak met kenmerk C/02/443941 / KG ZA 26/13;
6.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Laenen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.