ECLI:NL:RBZWB:2026:5173

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447431 / FA RK 26-2093
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:7 lid 2 WvggzArt. 10:11 lid 2 WvggzArt. 3:1 WvggzArt. 3:3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht ongegrond verklaard over verplichte toediening van dwangmedicatie bij psychotische stoornis

Verzoekster, opgenomen in een zorgaccommodatie, diende een klacht in tegen de beslissing tot verplichte toediening van medicatie (Haldol) op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Zij stelde dat zij niet psychotisch was, maar boos en gefrustreerd, en dat de medicatie haar ME-klachten verergerde en ernstige bijwerkingen veroorzaakte. Verzoekster betwistte haar wilsonbekwaamheid en vond dat zij zelf over medicatie mocht beslissen.

De zorgaanbieder en zorgverantwoordelijke stelden dat de medicatie noodzakelijk was om ernstig nadeel te voorkomen en verzoekster te stabiliseren vanwege een psychotische ontregeling met wanen en stalkingsgedrag. Zij benadrukten dat vrijwillige medicatie werd geweigerd en dat de dosering zorgvuldig werd opgebouwd.

De rechtbank oordeelde dat de klacht ongegrond is omdat de verplichte zorg proportioneel, subsidiariteit en doelmatig is toegepast. De psychotische ontregeling en het ernstig nadeel zijn aannemelijk, en de medicatie is noodzakelijk om verdere escalatie te voorkomen. De zorgen van verzoekster over bijwerkingen en ME werden meegewogen, maar onvoldoende om de rechtmatigheid van de medicatie te betwisten.

De rechtbank verklaarde de klacht ongegrond en zag geen aanleiding tot schadevergoeding. Tegen deze beschikking staat cassatie open en voor schadevergoeding hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de klacht over verplichte toediening van dwangmedicatie ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447431 / FA RK 26-2093
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beslissing over klacht ex artikel 10:7 lid 1 en Pro op het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 10:11 lid 2 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 12 mei 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg op het ingediende verzoekschrift van
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
thans verblijvende in [accommodatie] te [plaats 2] ,
advocaat mr. M. Timmermans-Roelands uit Bergen op Zoom.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
  • de zorgverantwoordelijke psychiater van [accommodatie] te [plaats 2] ,
  • de geneesheer-directeur van [accommodatie] te [plaats 2] .
De zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke worden hierna gezamenlijk aangeduid als de verweerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 17 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- verzoekster, bijgestaan door haar advocaat, mr. Timmermans-Roelands;
  • de heer [persoon] , geneesheer-directeur, verweerder;
  • de manager van de afdeling van [accommodatie] te [plaats 2] .

2.Wat vaststaat

2.1.
Bij beschikking van 3 februari 2026 is een zorgmachtiging verleend voor verzoekster tot en met 3 augustus 2026. De volgende vormen van verplichte zorg zijn daarin opgenomen:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot
gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik
van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie,
voor de duur van maximaal zes maanden.
2.2.
Op 11 maart 2026 respectievelijk 23 maart 2026 heeft de zorgverantwoordelijke besloten om aan verzoekster verplichte zorg te verlenen in de vorm van toediening van medicatie. Deze beslissing is op dezelfde dag aan verzoekster uitgereikt.
2.3.
Op 16 maart 2026 heeft verzoekster bij de klachtencommissie een klachtschrift ingediend. Haar klacht ziet op het besluit van de zorgverantwoordelijke tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van toediening van medicatie.
2.4.
Bij beslissing van 25 maart 2026 heeft de klachtencommissie deze klacht ongegrond verklaard.
2.5.
Bij de rechtbank is onderhavig verzoek, gedateerd op 19 april 2026, ingediend.

3.Het verzoek en verweer

3.1.
Verzoekster verzoekt de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen aangaande de klacht betreffende de dwangmedicatie en het beklag gegrond te verklaren.
3.2.
Verzoekster verzoekt de rechtbank ook om een schadevergoeding in alle redelijkheid vast te stellen wegens de onrechtmatig gegeven dwangmedicatie (depot Haldol) en de hierdoor door verzoekster gevoelde onmacht, vernedering, intimidatie, spanning en frustratie door de gegeven medicatietoediening te bepalen ten laste van de zorgaanbieder.
3.3.
Verweerder voert gemotiveerd verweer strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek, aangezien het verzoek binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn van zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoekster is meegedeeld bij de rechtbank is ingediend.
4.2.
Bij beschikking van 3 februari 2026 heeft de rechtbank een verzoekster een zorgmachtiging verleend tot en met 3 augustus 2026. Voor het afwenden van het ernstig nadeel van verzoekster is onder andere de mogelijkheid tot het toedienen van medicatie als vorm van verplichte zorg opgenomen in de verleende zorgmachtiging. Tegen deze beschikking is geen cassatie ingesteld.
4.3.
Op grond van de artikelen 3:1 en 3:3 Wvggz kan, indien het gedrag van verzoeker als gevolg van zijn psychische stoornissen leidt tot ernstig nadeel, als uiterste middel de in een zorgmachtiging opgenomen verplichte zorg worden verleend als er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn en er voor verzoeker geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn. Daarnaast dient het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg, evenredig te zijn en dient redelijkerwijs te verwachten te zijn dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. De zorgaanbieder is daarbij op grond van artikel 8:7 Wvggz Pro verplicht deze zorg te verlenen als de noodzaak daartoe bestaat.
Standpunt van verzoekster
4.4.
Verzoekster kan zich niet verenigen met de beslissing van de klachtencommissie van 25 maart 2026, strekkende tot ongegrondverklaring van de klacht die namens verzoekster is ingediend. Verzoekster voert het volgende aan.
4.5.
Verzoekster voert aan dat zij geen medicatie nodig heeft omdat zij volgens haar niet psychotisch is geweest maar vooral boos, verdrietig en gefrustreerd door de omstandigheden. Zij stelt dat zij al zestien jaar ME heeft en dat zij thuis met ondersteuning van de WMO en begeleiding van haar huisarts een goede balans heeft gevonden tussen medicatie en functioneren. Volgens verzoekster is er thuis juist sprake van stabiliteit en zelfstandigheid. Zij geeft aan dat in de journaalregels van de afdeling van de instelling volgens haar ook regelmatig staat vermeld dat psychotische kenmerken niet zichtbaar zijn. Verzoekster vindt zichzelf dan ook wilsbekwaam en vindt dat zij zelf kan en mag beslissen welke medicatie zij wel of niet inneemt of accepteert.
4.6.
Daarnaast ervaart verzoekster ernstige bijwerkingen van de toegediende Haldol. Zij verklaart dat haar benen verslappen, zij zich verlamd voelt, haar hoofd “lam” aanvoelt en zij nergens meer toe komt. Bovendien verandert er bij haar niets ten goede terwijl dat wel de bedoeling van toediening van Haldol is. Volgens verzoekster verergert de medicatie zelfs haar ME-klachten en heeft zij eerder soortgelijke ervaringen gehad waarbij zij uiteindelijk nauwelijks meer uit bed kon komen. Verzoekster is bang dat de medicatie haar gezondheid ernstig schaadt en stelt dat zij door de injecties “de dood ingejaagd” wordt. De klacht richt zich daarom op het verplicht toedienen van Haldol terwijl verzoekster van mening is dat daarvoor geen noodzaak bestaat. Volgens haar wordt er onvoldoende rekening gehouden met haar ME, haar eerdere negatieve ervaringen met Haldol en haar eigen wensen en oordeel over de behandeling. Daarnaast voert verzoekster aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verzoekster wilsonbekwaam zou zijn en dat daarom opnieuw naar de rechtmatigheid van de verplichte medicatie moet worden gekeken.
Standpunt van verweerder
4.7.
Verweerder voert het volgende aan. Volgens verweerder is de inzet van medicatie waaronder zo nodig dwangmedicatie noodzakelijk ter afwending van het ernstig nadeel en om betrokkene te stabiliseren. Verweerder voert aan dat bij verzoekster sprake is van psychotische kenmerken waarbij door meerdere behandelaren met name een geïsoleerd waansysteem wordt gezien. Volgens verweerder is verzoekster ervan overtuigd dat zij wordt lastiggevallen en gestalkt door (oud-)medewerkers terwijl vanuit die betrokkenen juist meldingen en aangiftes zijn gedaan wegens stalking en smaad door verzoekster. De behandelaren zien hierin een psychotisch beeld waarvoor behandeling met anti-psychotische medicatie noodzakelijk wordt geacht. Volgens verweerder is binnen het behandelteam en door psychiaters op meerdere momenten beoordeeld dat verzoekster wilsonbekwaam is ten aanzien van de behandeling omdat zij niet in staat is haar belangen rondom de noodzakelijke zorg redelijk te waarderen.
4.8.
Verweerder stelt verder dat medicatie noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Volgens verweerder bestaat het risico dat verzoekster zonder behandeling opnieuw ontregelt, veelvuldig berichten op social media plaatst en anderen schade toebrengt. De leden van het behandelteam zijn overigens ook bang voor stalking of schade via social media als zij dwangmedicatie moeten toedienen. Niemand van het team wilde bij de zitting aanwezig zijn. Daarbij wordt aangevoerd dat verzoekster iedere vorm van vrijwillige medicatie weigert waardoor gekozen is voor injecties en uiteindelijk depotmedicatie. Volgens verweerder is eerst bewust gestart met een lage dosering Haldol-medicatie om eventuele bijwerkingen te monitoren maar wordt verwacht dat een hogere dosering nodig is om effect te bereiken. Ten aanzien van de door verzoekster genoemde bijwerkingen voert verweerder aan dat uit eerdere rapportages juist naar voren komt dat er geen duidelijke nadelige effecten van de medicatie zijn gezien en dat mogelijk zelfs sprake is van enig positief effect. Volgens verweerder is het op dit moment nog te vroeg om het uiteindelijke effect van de medicatie goed te kunnen beoordelen. Verder stelt verweerder dat zorgvuldig naar de situatie van verzoekster en haar klachten rondom ME is gekeken en dat de behandelaren ondanks de bezwaren van verzoekster van oordeel blijven dat behandeling met anti-psychotische medicatie noodzakelijk is.
4.9.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.10.
Vooropgesteld wordt dat de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid.
4.11.
Uit de stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Hoewel verzoekster stelt dat er geen sprake is van een psychotische ontregeling en van ernstig nadeel vindt de rechtbank voldoende aannemelijk dat deze psychotische ontregeling en dit ernstig nadeel nog steeds aanwezig zijn indien de medicatie zou worden gestaakt. Uit de toelichting van verweerder blijkt dat er bij verzoekster sprake is geweest van een psychotische ontregeling waarbij zij wanen heeft en personeel van de instelling stalkt en smaad over hen verspreid via social media waardoor ernstig nadeel is ontstaan. De huidige opname staat mede in het teken van herstellen, het verder stabiliseren van verzoekster en het instellen op de juiste medicatie.
4.12.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de inzet van dwangmedicatie noodzakelijk is geworden doordat verzoekster de voorgeschreven medicatie weigerde. De toegediende (depot)injecties betroffen daarbij volgens verweer een dosering die noodzakelijk is om betrokkene te kunnen laten herstellen en stabiliseren. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de toepassing van de dwangmedicatie aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit. Voldoende aannemelijk is geworden dat de medicatie bij de goede dosering kan bijdragen aan vermindering van de psychische ontregeling en wanen van verzoekster waardoor zij zal herstellen en stabiliseren en meer zal openstaan voor medicatie en behandeling. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat met de behandeling wordt beoogd verdere psychische ontregeling en escalatie te voorkomen.
4.13.
Ten aanzien van de door verzoekster geuite zorgen over haar ME-klachten en de mogelijke invloed van de medicatie daarop overweegt de rechtbank dat verweerder onweersproken heeft toegelicht dat er onderzoek is geweest over de combinatie van de medicatie en de ME-klachten van verzoekster. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat binnen het behandelteam en met de geneesheer-directeur breder overleg heeft plaatsgevonden over de noodzaak van de medicatie. Verder is door verweerder aangegeven dat uit eerdere rapportages is gebleken dat verzoekster eerder geen nadelige effecten van Haldol heeft ondervonden en dat er mogelijk nu sprake is van een positief effect van de medicatie bij verzoekster. Dat verzoekster desondanks twijfels houdt over de veiligheid en effecten van de medicatie en onvoldoende vertrouwen heeft in de behandeling van verweerder maakt niet dat de rechtbank de noodzaak en zorgvuldigheid van de behandeling onvoldoende acht.
4.14.
De rechtbank begrijpt dat deze zorgen voor verzoekster belastend zijn maar ziet hierin onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de toepassing van de medicatie onrechtmatig of disproportioneel is.
4.15.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft besloten tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm het toedienen van (depot)medicatie aan verzoekster en dat bij die beslissing is voldaan aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een eventuele beoordeling van schade.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in aanwezigheid van Van Dijke, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open en voor wat betreft de schade hoger beroep..