ECLI:NL:RBZWB:2026:5166

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447269 / JE RK 26-668
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArt. 1:265b BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij vader

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 mei 2026 een beschikking gegeven in een zaak betreffende een minderjarige die ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd door een onveilige en instabiele opvoedsituatie. De minderjarige woont momenteel bij haar vader, na eerdere verblijven bij de moeder en een crisisplaatsing. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van een jaar.

De kinderrechter constateert dat de minderjarige psychische problemen heeft, schoolverzuim vertoont en lijdt onder de conflicten tussen haar ouders. De vader en moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag, maar de ouders zijn niet in staat om gezamenlijk een stabiele opvoedsituatie te bieden. De vader werkt wisselend mee aan hulpverlening, waaronder MST-Can, die intensief betrokken is bij de situatie. De moeder stemt in met de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen de uithuisplaatsing bij de vader vanwege zorgen over diens opvoedcapaciteiten en veiligheid.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld. Ondanks de zorgen van de moeder acht de rechter het verblijf bij de vader het meest in het belang van de minderjarige, mede omdat zij zelf bij haar vader wil blijven wonen en plaatsing elders risico's op wegloopgedrag met zich meebrengt. De beschikking wordt voor de duur van een jaar gegeven, met de verplichting voor de vader en minderjarige om volledig mee te werken aan de hulpverlening. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447269 / JE RK 26-668
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd in Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 14 april 2026, ontvangen op
  • het rapport van de Raad van 24 februari 2026, ontvangen op 29 april 2026;
  • het e-mailbericht van [minderjarige] van 6 mei 2026.
1.2.
De behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op de zitting van 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft aan de rechtbank een e-mail gestuurd waarin zij haar mening kenbaar heeft gemaakt. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter kort de inhoud van het e-mailbericht van [minderjarige] weergegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]
2.2.
[minderjarige] heeft, na het uiteengaan van haar ouders, bij de moeder gewoond. Vanaf haar elfde jaar is [minderjarige] bij de vader gaan wonen.
2.3.
De ouders hebben nadien een procedure gevoerd over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] , bekend onder zaaknummer C/02/415505 / FARK 23-5107, waarbij zij - na bemiddelingsgesprekken - overeenstemming hebben bereikt over het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Door de ouders is in voormelde procedure niet verzocht om vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] , zodat hierover geen rechterlijke beslissing is genomen.
2.4.
Bij (spoed)beschikking van 18 februari 2026, opgevolgd door de beschikking van 26 februari 2026, is [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld en is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend tot (laatstelijk) 18 mei 2026.
2.5.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging op dit moment bij de vader.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van (eveneens) een jaar. Daarbij verzoekt de Raad om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat aan de voorwaarden van een ondertoezichtstelling wordt voldaan. [minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. Zij groeit op in een situatie waarin structureel onvoldoende sprake is van stabiliteit, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid. Er is sprake van complexe echtscheidingsproblematiek. De conflicten tussen de ouders houden aan en het lukt hun niet om ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op één lijn te zitten. [minderjarige] bevindt zich hierdoor in een loyaliteitsconflict, waarbij zij al langere tijd geen structureel en stabiel contact met haar moeder heeft. [minderjarige] ervaart van dit alles spanningen en onzekerheid, en heeft last van psychische problemen, waaronder angstklachten. Ook heeft zij moeite met het reguleren van haar emoties. Daarnaast is sprake van schoolverzuim bij [minderjarige] . De ouders zijn op dit moment voldoende bereid, maar onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Zij slagen er niet in om gezamenlijk tot eenduidige en stabiele opvoedkeuzes te komen. Er is onenigheid tussen de ouders over het opvoedperspectief van [minderjarige] , voornamelijk over waar zij moet wonen. Hoewel de vader meewerkt aan de hulpverlening, waaronder de hulpverlening bij Praktijk de Burcht dat in september 2025 is gestart en MST-Can van de [hulpverlening] dat medio februari 2026 is gestart, is zijn houding hierin wisselend en stelt hij de hulpverlening ter discussie. Hierdoor staat de voortgang en effectiviteit van de hulpverlening onder druk. Gelet hierop en gezien de onderlinge spanningen tussen de ouders biedt vrijwillige hulpverlening op dit moment onvoldoende waarborgen voor duurzame verandering. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarom noodzakelijk om regie te voeren, de veiligheid te waarborgen en toe te werken naar een stabiele en voor [minderjarige] voorspelbare opvoedsituatie. Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is passend. Het vraagt tijd om de ingezette hulpverlening effectief te laten zijn, de opvoedvaardigheden van de vader duurzaam te versterken en het geleerde in de praktijk te brengen. Daarnaast is tijd nodig om het ouderlijk conflict te verminderen en te komen tot een stabiel en eenduidige opvoedperspectief voor [minderjarige] waarbij zij zich vrij kan bewegen tussen haar ouders. Ook biedt een ondertoezichtstelling de benodigde ruimte om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] te waarborgen en terugval te voorkomen, zeker omdat er sprake is (geweest) van fysiek geweld van de vader naar [minderjarige] .
Aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader wordt ook voldaan. De moeder, die ook het gezag over [minderjarige] draagt, kan er nog steeds niet achter staan dat [minderjarige] bij de vader woont. [minderjarige] zelf wil dit, de vader wil dit en uit het onderzoek dat is verricht komt niet naar voren dat het niet veilig genoeg is voor [minderjarige] om bij de vader te wonen. De hulpverlening heeft in februari 2026 dringend geadviseerd om [minderjarige] , die tijdelijk verbleef op een [crisisgroep] , zo snel mogelijk weer bij de vader terug te plaatsen met inzet van MST-Can in de thuissituatie van de vader. Dit werd en wordt op dit moment nog steeds als het minst zware traject beoordeeld, en het meest in het belang van [minderjarige] geacht. Er zijn, hoewel de moeder dat anders voorstaat, geen redenen om [minderjarige] elders te plaatsen dan bij de vader. MST-Can is intensief betrokken en biedt vooralsnog voldoende (veiligheids)waarborgen. Belangrijk is wel dat de vader en [minderjarige] aan MST-Can hun volledige medewerking (blijven) verlenen zodat er daadwerkelijk een omslag komt en stappen vooruit worden gezet. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van een jaar is geboden. Er moet een duidelijk kader bestaan met betrekking tot de verblijfplaatsplaats van [minderjarige] , en die duidelijkheid moet komende tijd ook blijven, mede om kortdurende en wisselende verblijven [minderjarige] bij haar beide ouders, waarin een patroon wordt gezien in geval van conflicten, te voorkomen en te doorbreken. Een termijn van een jaar wordt voor [minderjarige] aanvaardbaar geacht om onzekerheid over haar toekomstperspectief te verdragen.
4.2.
De vader heeft ter zitting aangegeven in te stemmen met de verzoeken van de Raad. De vader heeft het beste voor met [minderjarige] . Hij staat open voor MST-Can om te werken aan een betere opvoedsituatie voor [minderjarige] en een verbetering van haar schoolgang. Er heeft enkele weken geleden een eerste evaluatiemoment van MST-Can plaatsgevonden. De vader verleent zijn medewerking aan MST-Can. Wel ervaart de vader in de samenwerking met één therapeut van MST-Can problemen. Deze therapeut heeft zich niet aan zijn woord gehouden en de vader en [minderjarige] tegen elkaar uitgespeeld. Dit was zowel voor de vader als [minderjarige] geen fijne ervaring en de vader hoopt dat deze therapeut vervangen wordt door iemand anders. Door MST-Can is uitgebreid onderzoek gedaan naar het systeem. Er is inmiddels een plan opgesteld, dat morgen tijdens het tweede evaluatiemoment besproken zal worden. Daarbij is de vader aanwezig.
4.3.
De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij kan instemmen met een ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar niet met het verzoek van de Raad tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader. De moeder maakt zich zorgen over het welzijn van [minderjarige] bij de vader zowel op lichamelijk als geestelijk vlak. Er hebben zich meerdere incidenten tussen [minderjarige] en de vader voorgedaan, waarbij [minderjarige] in gevaar was. De moeder ziet dat [minderjarige] veel van de vader houdt en andersom, maar volgens haar heeft de vader niet de capaciteiten om [minderjarige] de opvoeding en veiligheid te bieden die zij nodig heeft. De moeder heeft deze capaciteiten wel, maar zij krijgt van de vader niet de kans om voor [minderjarige] te zorgen omdat hij zich voortdurend mengt in haar opvoeding van [minderjarige] . De moeder heeft geen vertrouwen in een goed verloop van MST-Can in de thuissituatie van de vader. Eerdere hulpverlening heeft bij de vader geen voeten aan de grond gekregen omdat de vader op iedere therapeut commentaar heeft en zijn eigen plan trekt. Er worden zeer grote risico’s genomen met een plaatsing van [minderjarige] bij de vader. De moeder vreest voor een nieuw incident tussen de vader en [minderjarige] met verstrekkende gevolgen. Zij ervaart hiervan veel spanning en stress. Daarnaast ervaart de moeder geen samenwerking met de GI en de therapeuten van MST-Can. Zij wordt door hen niet betrokken in het huidige hulpverleningstraject en evenmin wordt zij over het traject geïnformeerd. De moeder vindt dit niet netjes. Zij staat als ouder al op afstand omdat zij op dit moment geen contact heeft met [minderjarige] . De moeder ervaart van dit alles veel verdriet. Zij houdt heel veel van [minderjarige] , en wil graag dat het goed met haar gaat.
4.4.
[minderjarige] heeft in haar e-mailbericht aangegeven heel graag bij haar vader te willen blijven wonen. Zij doet erg haar best om een goed persoon/kind te zijn en werkt mee aan de hulpverlening, ook al wordt zij daar soms een beetje gek van. [minderjarige] wil graag gelukkig zijn. Zij gaat weer naar school en is daar blij mee.
4.5.
De GI heeft aangegeven achter de verzoeken van de Raad te staan. De GI deelt de zorgen van de Raad en de doelen waaraan gewerkt moet worden zoals beschreven in het raadsrapport. MST-Can is op dit moment intensief betrokken bij de vader en [minderjarige] , waardoor de GI zich vooralsnog op de achtergrond houdt. In het eerste evaluatiemoment is door de therapeuten van MST-Can aangegeven dat hun samenwerking met de vader niet verloopt zoals gewenst. De vader en [minderjarige] lijken vrees te hebben voor een (nieuwe) uithuisplaatsing van [minderjarige] , echter MST-Can is in de thuissituatie van de vader juist ingezet om dit te voorkomen. Belangrijk is dan ook dat de vader en [minderjarige] hieraan hun volledige medewerking verlenen en zich durven open te stellen naar de betrokken therapeuten. Alleen dan kan er verandering komen in de opvoedsituatie van [minderjarige] . Het uitgangspunt is dat [minderjarige] bij de vader woont en blijft wonen, mits gewerkt wordt aan de gestelde doelen en deze daadwerkelijk behaald worden. Daarvoor is zelfreflectie van de vader nodig zoals ook besproken tijdens het eerste evaluatiemoment met de vader. Belangrijk is dat de moeder goed geïnformeerd wordt over [minderjarige] en de betrokken hulpverlening. Hierin is een rol weggelegd voor de GI, de hulpverlening en de vader. De GI heeft hiervoor aandacht, en is daarnaast bereid te fungeren als tussenpersoon tussen de ouders waarbij de GI maandelijks informatie van de vader over [minderjarige] doorspeelt aan de moeder.

5.De beoordeling

Wat zegt de wet?

5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Ondertoezichtstelling
5.3.
Op basis van de stukken en hetgeen naar voren is gebracht is de kinderrechter gebleken dat er grote zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] en haar opvoedomgeving. [minderjarige] heeft last van psychische problemen, haar schoolgang verloopt moeizaam met veel schoolverzuim en zij wordt belast met de aanhoudende conflicten en spanningen tussen haar ouders. [minderjarige] woont bij haar vader, en heeft geen structureel en stabiel contact met haar moeder. Op dit moment houdt zij het contact met de moeder zelfs volledig af. Tussen de vader en [minderjarige] hebben incidenten plaatsgevonden, waarbij de situatie tussen hen begin van dit jaar dusdanig is geëscaleerd dat [minderjarige] tijdelijk op een [crisisgroep] heeft moeten verblijven. Gesteld kan dan ook worden dat [minderjarige] in een zeer onrustige, stressvolle en onveilige situatie opgroeit, waarbij zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Belangrijk is dat de huidig betrokken hulpverlening gecontinueerd wordt om de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] te verminderen dan wel weg te nemen. Voorkomen moet worden dat [minderjarige] te kampen krijgt met verdergaande psychische problematiek, die (ook) haar volwassen leven gaat beïnvloeden. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders alsook de wisselende en ambivalente houding van de vader ten aanzien van hulpverlening, acht de kinderrechter het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling nodig om de inzet en voortgang van hulpverlening te waarborgen en/of eventuele aanvullende hulpverlening te organiseren. Ook is het van belang dat, in samenspraak met de betrokken hulpverlening, er goed zicht wordt gehouden op de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] en dat er een regievoerder, in de vorm van een jeugdzorgwerker, betrokken is om de belangen van [minderjarige] te behartigen en beslissingen in haar belang kan nemen, ook wanneer (een van) de ouders hier niet (volledig) achter zou kunnen staan. Er moet duidelijkheid, stabiliteit en rust voor [minderjarige] worden gecreëerd zodat zij zich, passend bij haar leeftijd, kan richten op haar ontwikkeling en toekomst.
5.4.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de kinderrechter dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter zal [minderjarige] daarom onder toezicht van de GI stellen. Gezien de ernst van de problematiek, de zorgen die er spelen en de stappen die nog gezet moeten worden acht de kinderrechter een ondertoezicht-stelling voor de duur van een jaar passend en geboden.
5.5.
In het komende jaar dient in ieder geval gewerkt te worden aan de doelen zoals vermeld door de Raad in zijn rapport, te weten:
- [minderjarige] heeft een vader die haar op een veilige en voorspelbare manier opvoedt, zonder gebruik van fysiek geweld;
- [minderjarige] heeft een vader die gebruikmaakt van de door de hulpverlening aangeleerde opvoedvaardigheden en zich hierin laat begeleiden;
- [minderjarige] gaat naar school volgens (het voor haar aangepaste) rooster;
- [minderjarige] groeit op in een stabiele en voor haar duidelijke opvoedsituatie;
- [minderjarige] heeft ouders die haar niet belasten met onderlinge conflicten;
- [minderjarige] leert haar gevoelens te begrijpen en te uiten, met passende ondersteuning
waar nodig;
- [minderjarige] heeft ouders en betrokken hulpverlening die samenwerken in haar belang.
5.6
Belangrijk is dat de moeder, die vanwege het niet hebben van contact met [minderjarige] als ouder al op afstand staat, (meer) betrokken wordt bij de hulpverlening en hierin, waar mogelijk, ook een rol gaat krijgen. Ook is het zeer van belang dat de moeder geïnformeerd wordt over [minderjarige] en haar ontwikkeling. Hierover dienen tussen de moeder en de hulpverlening, maar ook tussen de ouders zelf, afspraken gemaakt te worden. Het is aan de GI om hiervoor aandacht te hebben en waar nodig de regie te pakken.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.7.
De kinderrechter stelt vast dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de vader. Hoewel gezien wordt dat de vader en [minderjarige] veel van elkaar houden, is regelmatig sprake van conflicten tussen hen. Begin van dit jaar heeft dit geleid tot een fysieke escalatie, waarna [minderjarige] tijdelijk is geplaatst op een [crisisgroep] ter waarborging van haar veiligheid. Een dergelijke situatie kan en mag nooit meer voorkomen. Geweld, in welke vorm dan ook, is niet toegestaan in de verzorging en opvoeding van een kind. Een kind moet kunnen opgroeien in een veilige opvoedomgeving.
5.8.
De moeder kan niet achter een verblijf van [minderjarige] bij de vader staan. Zij maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vader, en twijfelt aan de opvoedvaardigheden van de vader. Gelet op hetgeen is voorgevallen tussen de vader en [minderjarige] acht de kinderrechter de zorgen en twijfels die de moeder heeft begrijpelijk. Desondanks is de kinderrechter van oordeel dat een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment het meest in haar belang is. [minderjarige] heeft een zeer sterke wens om bij haar vader te wonen, en zij staat niet open voor een andere woon- of verblijfplek. Bij een plaatsing van [minderjarige] elders bestaat er een groot risico op wegloopgedrag van [minderjarige] , hetgeen haar ontwikkeling alleen maar verder zal schaden. MST-Can, een zeer intensieve vorm van hulpverlening, is betrokken bij de vader en [minderjarige] . Zij hebben goed zicht op de thuissituatie van de vader, en dit traject is omkleed met veiligheidswaarborgen en duidelijke doelen waaraan gewerkt moet worden. Na de terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader zijn er tot op heden geen signalen naar voren gekomen van incidenten en/of onveilige situaties tussen [minderjarige] en de vader.
5.9.
Uitgangspunt is dat een kind opgroeit bij zijn/haar ouders. Deze kans moet [minderjarige] ook worden geboden. Wel dient de vader zich te realiseren dat het vijf voor twaalf is. In de komende periode moet er verandering komen in zijn opvoedsituatie, waarbij sprake is van goed genoeg ouderschap en zich geen (gewelds)incidenten meer voordoen tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] kan namelijk enkel stappen in haar ontwikkeling maken als zij kan bouwen en vertrouwen op een stabiele en veilige opvoedomgeving. Het is dan ook zeer van belang dat de vader, samen met [minderjarige] , zich volledig open stelt voor MST-Can. Daarbij is geen sprake van vrijblijvendheid; de vader is verplicht om aan de benodigde hulpverlening zijn medewerking te verlenen en hij dient [minderjarige] hierin te stimuleren en te motiveren. Voor het stellen van eigen voorwaarden aan de hulpverlening bestaat geen ruimte, ook niet met betrekking tot de therapeuten die uitvoering geven aan MST-Can. Belangrijk daarbij is dat de vader gaat kijken wat hij zelf kan doen om de situatie te verbeteren en gaat leren hierin zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen, in plaats van de verantwoordelijkheid neer te leggen bij een ander. Een jeugdzorgwerker kan de vader bij dit proces begeleiden en sturen.
5.10.
Gelet op het voorgaande wordt naar het oordeel van de kinderrechter ook aan de voorwaarden voor een uithuisplaatsing voldaan. De moeder kan niet achter een plaatsing van [minderjarige] bij de vader staan, terwijl een verblijf van [minderjarige] bij de vader in het kader van haar verzorging en opvoeding op dit moment, en onder de huidige omstandigheden, het meest in haar belang wordt geacht. Belangrijk is dat zowel de ouders als [minderjarige] duidelijkheid hebben over de woon- en verblijfplaats van [minderjarige] . Dit in de hoop dat dit rust gaat creëren voor een ieder. Ook zal het traject van MST-Can een langere periode beslaan. Op basis hiervan zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van een jaar, conform het verzoek van de Raad, verlenen.
Gezagsregister
5.11.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 18 mei 2026 tot 18 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Snatersen als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.