ECLI:NL:RBZWB:2026:5165

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448076 / JE RK 26-814
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • mr. Bogaert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 RvArt. 1:265b BWBrussel II-ter verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg en netwerkgezin

De kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 mei 2026 een beschikking gegeven in een rekestprocedure betreffende een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2010. De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant verzocht om een machtiging voor uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor vier weken, gevolgd door een plaatsing bij een jeugdhulpaanbieder gedurende de ondertoezichtstelling.

De minderjarige verblijft tijdelijk bij haar halfbroer, maar moet daar per direct vertrekken. Terugkeer naar de moeder is niet gewenst en plaatsing bij de vader is uitgesloten vanwege eerdere trajecten en rechterlijke afwijzing. Een verblijf bij vrienden van de moeder in België is mogelijk, maar formeel niet direct uitvoerbaar vanwege de vereiste toestemming van de Belgische autoriteiten volgens Brussel II-ter verordening.

De kinderrechter oordeelt dat het niet afwachten van de behandeling noodzakelijk is vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige. Daarom wordt een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening voor twee weken verleend en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verdere behandeling van het verzoek, met name over de plaatsing in België, wordt aangehouden tot de zitting waarbij alle betrokkenen worden gehoord, inclusief de minderjarige indien zij dat wenst.

De beschikking is mondeling gegeven en schriftelijk vastgelegd op 13 mei 2026. De moeder krijgt ambtshalve een advocaat toegewezen in het kader van kosteloze rechtsbijstand. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor twee weken in een pleegzorgvoorziening en houdt het vervolg aan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448076 / JE RK 26-814
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI ,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI, met bijlagen, van 12 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft tijdelijk bij haar halfbroer (bij [persoon 1] en [persoon 2] ).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 21 augustus 2025 tot 21 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
Aansluitend verzoekt de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpaanbieder.
De GI verzoekt om beide beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen aanstonds worden afgegeven, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen.
4.2.
Op grond van de informatie zoals dit is weergegeven in het verzoekschrift komt de kinderrechter tot het oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij uit huis wordt geplaatst. [1] De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
4.3.
Gebleken is dat [minderjarige] eerder na de omgang bij haar vader niet terug is gegaan naar de moeder en dat zij moeilijk bereikbaar was en zij haar eigen plan trok [minderjarige] is toen naar [persoon 1] en [persoon 2] gegaan (halfbroer). De GI heeft ingestemd met het tijdelijk logeren bij hen. Bij hen kan [minderjarige] echter niet langer blijven, zij zou bij hen vanavond moeten vertrekken. Evenmin wil zij terugkeren naar haar moeder en een plaatsing bij de vader is, gezien een eerder traject, niet meer aan de orde en dit is bovendien eerder ook door de rechtbank afgewezen. Er is met de hulp van ambulante hulp, de moeder en de GI, vaak gekeken naar een mogelijke vervolgplek, zonder succes echter.
Over vier weken kan [minderjarige] terecht bij [kliniek]. Om te voorkomen dat de motivatie van [minderjarige] verdwijnt door een terugkeer naar de moeder, is er gekeken naar een oplossing binnen het netwerk. Die is gevonden bij vrienden van de moeder die echter in België wonen. Een verzoek tot verblijf in België moet eerst formeel langs de Centrale Autoriteit. De afwikkeling van een dergelijk verzoek kost (te) veel tijd. Nu [minderjarige] pas over vier weken terecht kan bij de kliniek en zij vanavond moet vertrekken bij haar halfbroer, zij niet terecht kan bij haar ouders en zij niet formeel op de juiste manier kan worden geplaatst bij de vrienden in België, ligt hierin het spoedelement.
4.4.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat in de huidige situatie de behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder ernstig gevaar voor [minderjarige] en wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in een netwerkgezin toe voor de duur van twee weken. Het resterende (en aansluitende) deel van het verzoek wordt aangehouden tot de hierna genoemde zittingsdatum. De kinderrechter realiseert zich dat op grond van de Brussel II-ter verordening een machtiging tot uithuisplaatsing in het buitenland enkel mogelijk is wanneer de GI toestemming heeft van de bevoegde autoriteiten van het doelland, in dit geval België, maar zoals hiervoor overwogen was de tijd om dit voor elkaar te krijgen onvoldoende en gaat het om een spoedeisende situatie, zodat hiervan in dit geval moet worden afgeweken. Wel verwacht de kinderrechter van de GI dat op de zitting hierover meer duidelijkheid is.
4.5.
De GI, de vader, de moeder en haar advocaat worden alsdan in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Daarnaast acht de kinderrechter het van belang dat de [minderjarige] wordt gehoord, indien zij dit wil. Verdere beslissingen zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden.
4.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.7.
Aan de moeder zal ambtshalve een advocaat worden toegevoegd. Dit in het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand UHP, op grond waarvan in zaken over (spoed)uithuisplaatsing van minderjarigen de ouder(s) bij wie het kind op dat moment feitelijk verblijft recht heeft/hebben op kosteloze rechtsbijstand van een (voorkeurs)advocaat.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI, de vader, de moeder en de advocaat op voor de zitting van
mr. Sumner op [datum] 2026 om [uur]in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
vraagt de griffier om [minderjarige] voor een kindgesprek op te roepen;
5.7.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs, als griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).