Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
Tevens zijn zij de ouders van [de jongmeerderjarige].
3.De verzoeken en het verweer
4.De beoordeling
De beslissing
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn gehuwd sinds 2004 en hebben samen minderjarige kinderen. De vrouw verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vast te stellen, terwijl de man ook zelfstandige verzoeken indiende, waaronder een andere verdeling en het vaststellen van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem.
Er is geen ouderschapsplan ingediend omdat partijen geen overeenstemming bereikten over de voorzieningen voor de kinderen. Een traject van ouderschapsbemiddeling is niet gestart en de Raad voor de Kinderbescherming doet onderzoek naar de situatie. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een ouderschapsplan geen belemmering vormt voor de ontvankelijkheid in het verzoek tot echtscheiding.
De vrouw heeft een concreet belang bij een spoedige uitspraak vanwege de levering van een aangekochte woning. De man betwist dit belang niet, maar wijst op losse eindjes, die de rechtbank onvoldoende onderbouwd acht. Daarom wordt de echtscheiding uitgesproken, maar de behandeling van de nevenvoorzieningen wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
De beschikking is gegeven door rechter Hopmans en griffier Knops-Pijper op 12 mei 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en houdt de behandeling van nevenvoorzieningen aan tot nader order.