Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5147

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
12-015089-00
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38e SrArt. 242 SrArt. 300 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging terbeschikkingstelling met verpleging wegens hoog recidivegevaar en behandelresistente problematiek

Betrokkene is sinds 2003 ter beschikking gesteld met verpleging van overheidswege na veroordeling voor ernstige strafbare feiten. De tbs is reeds meerdere malen verlengd, laatstelijk in 2024 met twee jaar. De rechtbank ontving in april 2026 een vordering tot verlenging van de tbs en behandelde deze in mei 2026.

De tbs-instelling en externe gedragsdeskundigen adviseren unaniem verlenging met twee jaar vanwege zwakbegaafdheid, een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, psychopathie, en een stoornis in middelengebruik. Betrokkene vertoont geen ziekte-inzicht, geen intrinsieke motivatie tot gedragsverandering en houdt zich niet aan afspraken. Het behandelplafond is bereikt en er is een hoog risico op recidive bij beëindiging van de maatregel.

Betrokkene is momenteel geplaatst binnen een hoog beveiligingsniveau en wacht op een plaatsing in een Longstay Forensische Psychiatrische Zorg (LFPZ) instelling. Verlof buiten de kliniek is niet mogelijk. De verdediging verzocht om verlenging met één jaar in verband met een mogelijk medicatietraject, maar deskundigen achten dit onvoldoende. De rechtbank volgt het advies van twee jaar verlenging en wijst het verzoek van de verdediging af.

De rechtbank concludeert dat de wettelijke criteria voor verlenging van de tbs-maatregel zijn vervuld en verlengt de maatregel met twee jaar. De beslissing is uitgesproken op 11 juni 2026 door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege met twee jaar wegens hoog recidivegevaar en het ontbreken van alternatieve behandelopties.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 12-015089-00
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2026 met betrekking tot de terbeschikkingstelling van:
[betrokkene] ,
geboren te Curaçao op [geboortedag] 1963,
verblijvende in [tbs-instelling] te [verblijfplaats] ,
hierna: betrokkene,
raadsvrouw mr. S. Marjanovic, advocaat te ’s-Gravenhage.

1.Inleiding

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 16 oktober 2001 is betrokkene, wegens overtreding van de artikelen 242, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en tbs met verpleging van overheidswege. De rechtbank constateert dat het hier gaat om misdrijven als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De tbs is op 7 juni 2003 aangevangen en laatstelijk bij beslissing van 19 juni 2024 verlengd met een termijn van twee jaar.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft op 30 april 2026 van het openbaar ministerie een vordering ontvangen tot verlenging van de tbs met verpleging van overheidswege. De vereiste stukken zijn bijgevoegd, dan wel toegezonden.
De vordering is op de openbare terechtzitting van 28 mei 2026 behandeld. De officier van justitie mr. I. Peters is gehoord. Tevens is betrokkene gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Marjanovic.
Voorts is als deskundige gehoord [GZ-psycholoog] , GZ-psycholoog en hoofd behandeling bij [tbs-instelling] (hierna: de tbs-instelling).

3.Adviezen

3.1.
Advies instelling
De tbs-instelling heeft in het rapport van 14 april 2026 geadviseerd de tbs te verlengen met twee jaar en daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.
Bij betrokkene is sprake van zwakbegaafdheid en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van diverse middelen, nu deels in remissie in een gestructureerde omgeving. Tot slot is er sprake van psychopathie.
Betrokkene verbleef tot 3 september 2024 op afdeling [afdeling 1] en is daarna overgeplaatst naar een andere afdeling in verband met een ruiling met een medepatiënt. Betrokkene was het hier niet mee eens en ageerde op het nieuws. In het begin van de periode zijn de nodige discussies gevoerd met sociotherapie waarna uiteindelijk goede afspraken zijn gemaakt. Dit zijn positieve veranderingen in zijn gedrag (actiever) ten aanzien van de voorgaande
afdeling. Momenteel heeft hij zijn structuur binnen [afdeling 2] en heeft hij aangegeven dat hij het naar zijn zin heeft daar. In de huidige omstandigheden functioneert hij relatief stabiel, zolang er weinig eisen (geen behandeldruk) aan hem worden gesteld. In de afgelopen periode heeft betrokkene voornamelijk vrijhedenniveau groen gehad, wat betekent dat hij zich gedurende deze tijd grotendeels onbegeleid door de kliniek kon verplaatsen. Wanneer er vermoedens zijn van handel of wanneer hij middelen heeft gebruikt wordt hij in vrijhedenniveau oranje of rood geplaatst. Verlof buiten de kliniek is niet meer aan de orde.
Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht, geen intrinsieke motivatie tot duurzame gedragsverandering en houdt zich niet aan afspraken.
Er is geconcludeerd dat het behandelplafond bij betrokkene is bereikt en
extern risicomanagement daardoor strikt noodzakelijk is. Gezien de afwijzingen voor een Longcareplaatsing en daarnaast het noodzakelijke verblijf binnen een hoog beveiligingsniveau, worden er geen mogelijkheden voor een verantwoorde resocialisatie voor betrokkene gezien, waardoor een plaatsing binnen de LFPZ resteert.
Op 28 november 2024 is de LFPZ-status toegekend en betrokkene staat op de wachtlijst. Betrokkene heeft op dit moment geen verlofkader.
Met betrekking tot het recidivegevaar heeft de instelling aangegeven dat de risicohanteringsitems
,die aangeven wat het risico bij beëindiging van de tbs-maatregel is, een hoog risico aangeven. Indien het tbs-kader wegvalt, krijgt betrokkene geen professionele ondersteuning en zal hij op zichzelf zijn aangewezen. Betrokkene is volledig afhankelijk van een passende, duidelijke en beschermende omgeving en hij is niet in staat deze zelfstandig te realiseren. Hij is gevoelig voor spanningen en is/blijft afhankelijk van de hulp van een ander om zijn stress te reguleren. Beëindiging van het huidige kader zal leiden tot maatschappelijke teloorgang, middelengebruik en zal het risico op terugval in seksueel (of andersoortig) gewelddadig gedrag sterk doen toenemen.
Ter zitting heeft deskundige [GZ-psycholoog] daaraan nog het volgende toegevoegd.
Op dit moment zijn er voor betrokkene geen andere mogelijkheden dan de LFPZ-plaatsing. De problematiek bij betrokkene is onwerkbaar gebleken. Er is sprake van steeds dezelfde gedragingen en dezelfde onbetrouwbaarheid. De LFPZ-plaatsing laat lang op zich wachten. Niet uit te sluiten is dat dit een aantal jaar duurt en tot die tijd blijft betrokkene bij [tbs-instelling] . De instelling loopt op dit moment met name tegen het probleem aan dat als bij betrokkene onwenselijk gedrag wordt gezien, dit niet met hem kan worden besproken. Hij ontkent en toont geen inzicht. Hierdoor is onbegeleid verlof niet mogelijk. Dat is in al die jaren niet veranderd. Wanneer betrokkene in een LFPZ-instelling is geplaatst, zal enige vorm van verlof te zijner tijd weer mogelijk kunnen zijn. Daarbij wordt de kanttekening geplaatst dat het risico op onttrekking te groot is, zolang er geen overeenstemming is voor die LFPZ-plaatsing.
Niet uitgesloten wordt dat met het ouder worden van betrokkene, zijn problematiek minder wordt. Er stromen ook mensen uit bij een LFPZ-instelling. Voor nu zijn er echter geen mogelijkheden voor resocialisatie.
Het advies van de instelling is van april 2026, maar is ten tijde van de zitting nog actueel. Er is een lage behandeldruk en er zijn geen verwachtingen. Wel zijn er incidenten met betrekking tot verdovende middelen geweest, waarbij betrokkene zich op die momenten niet laat aanspreken. Er is geen sprake van fysieke agressie.
In afwachting van de LFPZ-plaatsing kan, zoals de raadsvrouw aangeeft, worden onderzocht of medicatie alsnog tot de mogelijkheden behoort. Mocht medicatie effect hebben, dan kan het advies mogelijk veranderen. Ook als medicatie wordt ingezet, zou een verlenging van één jaar te kort zijn, omdat medicatie eerst moet gaan werken en betrokkene na een jaar nog niet toe is aan een verlofkader. Ook in die situatie blijft het advies een verlenging met twee jaar.
3.2.
Adviezen (externe) gedragsdeskundigen
Advies psychiater
Uit het rapport van psychiater [psychiater] van 1 maart 2026 blijkt dat
de niet veranderbaarheid van de kernproblematiek, het beloop van het tbs-traject (meerdere mislukte behandelpogingen en een mislukte resocialisatiepoging, niet aflatende regelovertredingen en afspraakonbetrouwbaarheid) en het geschatte recidiverisico bij eventueel (voorwaardelijk) wegvallen van het tbs-kader het noodzakelijk maken dat het tbs dwangkader gecontinueerd wordt. De psychiater adviseert een verlenging van de tbs met twee jaar. Een kortere termijn is onrealistisch. De psychiater ziet op dit moment geen nieuwe behandel- en resocialisatiemogelijkheden voor betrokkene. Behandeling gericht op de kernproblematiek is niet effectief gebleken. Ook van een medicamenteuze interventie, zoals door betrokkene benoemd, moet geen positief effect verwacht worden. Medicatie zal geen verandering van de persoonlijkheidsstoornis en de verstandelijke beperking bewerkstelligen. Voor de eerder afgegeven LFPZ-indicatie is onveranderd voldoende onderbouwing. Niet uitgesloten is dat er op termijn, ook met de toenemende leeftijd van betrokkene, alsnog nieuwe perspectieven kunnen ontstaan.
Advies psycholoog
Klinisch psycholoog [klinisch psycholoog] adviseert in het rapport van 16 maart 2026 de tbs met twee jaar te verlengen. De psycholoog kan de visie van de kliniek onderschrijven. Er is sprake van behandelresistente problematiek die samengaat met een hoog risico op herhaling. Het ontbrekende probleembesef en de onbetrouwbaarheid in de samenwerking maken dat er geen mogelijkheid wordt gezien voor een nieuwe behandelpoging of om het risicomanagement op meer afstand vorm te geven. Een verlenging van de maatregel en de LFPZ-status liggen in de rede.
De psycholoog merkt op dat, indien betrokkene bereid zou zijn de eerder geadviseerde medicamenteuze behandeling te proberen, het aanbeveling verdient deze route
de komende periode serieus te verkennen. Hoewel op voorhand niet verwacht wordt dat medicatie de kwaliteit van de samenwerking kan beïnvloeden, is niet uitgesloten dat er bij betrokkene meer gedragscontrole ontstaat waarna hij in zijn eigen belang andere keuzes zou kunnen gaan maken. Een dergelijke interventie kan binnen de wachttijd voor de LFPZ plaatsvinden en bij een volgende toetsing geëvalueerd worden.

4.Standpunt van partijen

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is ter zitting bij de vordering de tbs met twee jaar te verlengen
gebleven. De kernproblematiek bij betrokkene is onveranderd en het geschatte recidiverisico is hoog. Ook met het inzetten van medicatie is er geen aanleiding om de verlenging van de tbs te beperken tot één jaar. Dit gelet op de mening van de deskundige dat zelfs in die situatie een verlenging met twee jaar nodig zal zijn.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft ter zitting aangegeven dat hij het niet eens is met een LFPZ-plaatsing. Hij wil naar een andere setting. Betrokkene zegt wel mee te willen werken aan het inzetten van medicatie, maar stelt daarbij wel als voorwaarde dat de LFPZ-status eraf gaat.
De verdediging heeft betoogd dat niet de verlenging van de tbs-maatregel, maar enkel de
duur daarvan ter discussie staat. Onder verwijzing naar het rapport van de psycholoog, waarin aangegeven wordt dat het inzetten van medicatie wellicht tot gedragsverandering bij betrokkene kan leiden, verzoekt de verdediging de tbs met één jaar te verlengen. Op deze wijze kan vinger aan de pols gehouden worden en over een jaar blijkt wel of de medicatie gewenst resultaat heeft.

5.Beoordeling

De tbs kan slechts worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de tbs eist. Het recidivegevaar moet nog aanwezig zijn en dient voort te vloeien uit een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Gelet op de adviezen van de tbs-instelling en de externe gedragsdeskundigen wordt nog steeds voldaan aan dit wettelijke criterium.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege moet worden verlengd. De vraag is of dit met één jaar of met twee jaar moet zijn.
Op grond van de rapporten en wat ter zitting is besproken, is duidelijk geworden dat betrokkene nu een LFPZ-status heeft en in afwachting is van een plaats in een LFPZ-instelling. De rechtbank stelt vast dat er op dit moment geen alternatieven zijn, hoe zeer betrokkene dat ook wil. De plaatsing zal de nodige tijd vergen, waarbij niet uitgesloten wordt dat dit enkele jaren duurt. Door de verdediging is verzocht om de tbs met één jaar te verlengen met het oog op een instellen van een medicatie-traject. Door de deskundige is echter onderbouwd aangegeven dat zelfs met het medicatie-traject het advies blijft om de tbs met twee jaar te verlengen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verlenging tot één jaar te beperken.
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de tbs met verpleging van overheidswege van betrokkene moet worden verlengd met twee jaar.

6.Beslissing

De rechtbank:
verlengtde termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met
tweejaar.
Deze beslissing is genomen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, en mr. K. Verschueren en mr. P.K.J. van der Wal, rechters, in tegenwoordigheid van M.R. Tafazzul, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2026.