ECLI:NL:RBZWB:2026:5139

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448062 / JE RK 26-808
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling van minderjarige wegens acuut gevaar en overbelasting moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 11 mei 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2012, vanwege acuut en ernstig gevaar voor diens ontwikkeling. De minderjarige verbleef sinds 22 april 2026 in een kliniek, maar vertoonde verbaal en fysiek geweld, waardoor deze plaatsing werd beëindigd. Ter overbrugging verbleef hij tijdelijk bij zijn moeder, die echter aangaf overbelast te zijn en de verantwoordelijkheid niet langer te kunnen dragen.

De kinderrechter oordeelde dat de situatie de regie in het vrijwillig kader overstijgt en dat onmiddellijke inzet van een jeugdbeschermer noodzakelijk is. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd, en voortzetting van hulpverlening zonder ondertoezichtstelling is ontoereikend.

Daarom werd de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voor de duur van twee weken, met ingang van 11 mei 2026 tot 25 mei 2026. De behandeling van het verzoek wordt verder aangehouden en een zitting gepland om de betrokken partijen te horen. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld wegens acuut en ernstig gevaar en overbelasting van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/448062 / JE RK 26-808
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van Raad op 11 mei 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van Raad met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 mei 2026 is de beslissing op de verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aangehouden tot de zitting op [datum] 2026 om 11.30 uur.

3.Het verzoek

3.1.
Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden en daar op te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de mondelinge toelichting door de Raad is het volgende gebleken. [minderjarige] verblijft sinds 22 april 2026 bij [kliniek] . Deze plaatsing is hem aangeboden als laatste kans om een gesloten plaatsing af te wenden. Doordat [minderjarige] verbaal en fysiek geweld naar begeleiders op de groep vertoont en daar wegloopt, stopt de plaatsing aldaar. Hij kan niet terugkeren naar de crisisgroep van Sterk Huis, waar hij eerder heeft verbleven. Noodgedwongen door een gebrek aan een passende plek gaat hij daarom een nacht naar de moeder ter overbrugging, zodat er verder gezocht kan worden naar een voor hem passende en veilige plek. De moeder is echter, zoals zij ook zelf heeft aangegeven, overbelast. Zij heeft aangegeven dat zij de verantwoordelijkheid over de te nemen beslissingen over [minderjarige] op dit moment niet langer aan kan. De situatie overstijgt de regie in het vrijwillig kader. De inzet van een jeugdbeschermer is nodig om te situatie per direct te ondersteunen.
4.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
4.3.
Uit de informatie van de Raad is gebleken dat voortzetting van de hulpverlening in het vrijwillig kader, ondanks de naderende zitting, ontoereikend is. De moeder is thans zodanig overbelast en de situatie is dusdanig urgent dat het dringend noodzakelijk is dat de GI per direct regie kan voeren.
4.4.
De kinderrechter is van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] , gezien deze situatie. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van twee weken.
4.5.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 11 mei 2026 tot 25 mei 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de Raad, de GI en de moeder op voor de zitting van mr. Sumner op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. Jong, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [2]

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).