ECLI:NL:RBZWB:2026:5133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446899 / JE RK 26-609
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens ontwikkelingsbedreiging en hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen verblijven bij de moeder en staan onder toezicht sinds mei 2025. De GI stelt dat de gestelde doelen nog niet zijn behaald door onder meer lange wachttijden voor hulpverlening en het ontbreken van een afgerond raadsonderzoek.

Zowel de vader als de moeder stemmen in met de verlenging. De vader wijst op het niet structureel naleven van de zorg- en contactregeling door de moeder, terwijl de moeder de veiligheid van de kinderen benadrukt en recent geschrokken is van een bericht van de vader op social media. De kinderrechter heeft ook met de oudste minderjarige gesproken, die aangeeft dat zij het goed vindt dat de jeugdbeschermer betrokken blijft.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat de doelen van de ondertoezichtstelling slechts deels zijn behaald. De hulpverlening is recent gestart en de verwachting is dat binnen zes maanden verdere vooruitgang kan worden geboekt. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd tot 16 november 2026 en wordt de beschikking direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd tot 16 november 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446899 / JE RK 26-609
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.B. de Bree uit Etten-Leur,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Klootwijk uit Breda,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift verlenging ondertoezichtstelling met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026;
  • de brief van mr. Klootwijk van 6 mei 2026 met productie 1.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De kinderrechter heeft zich na afloop van de zitting gerealiseerd dat zij vergeten is partijen te vertellen dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag door de moeder op de hoogte gesteld wil worden over de uitkomst van deze procedure.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 16 mei 2025 tot 16 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt aan haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ten grondslag dat het in het afgelopen jaar (van ondertoezichtstelling) niet gelukt is om constructieve stappen te zetten in het vormgeven van het gezamenlijk ouderschap en concrete afspraken te maken over de kinderen. De gestelde doelen zijn nog niet of slechts deels behaald. De GI licht daarbij toe dat hiervoor hulpverlening noodzakelijk is maar dat die door lange wachttijden pas recent is aangevangen. Verder is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) ook pas recent gestart met een onderzoek naar een zorg- en opvoedregeling (in het kader van een de lopende bodemprocedure met nummer C/02/406569/ 23-79).
De GI is van mening dat het de ouders in het vrijwillig kader de komende tijd nog niet zal lukken de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen zelfstandig op te heffen, waarbij wel gezien wordt dat beide ouders openstaan voor hulpverlening. De belangen zijn groot en de ouders staan ver uit elkaar, waardoor de uitvoering van de ondertoezichtstelling moeilijk is en tijd kost. Daarbij komt dat er nog geen raadsonderzoek ligt in deze zaak, waardoor een goede analyse ontbreekt. De verwachting is dat een rapport van de Raad de uitvoering van de ondertoezichtstelling positief zal beïnvloeden.
Er zijn, met behulp van een kinder- en jeugdpsycholoog, wel al kleine stappen gezet in de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] .
4.2.
De vader is het eens met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, zo blijkt uit de brief van zijn advocaat van 6 mei 2026. Hij vindt - op hoofdlijnen - dat er nog steeds sprake is van een ontwikkelingsbedreiging van beide kinderen, vooral doordat de zorg- en contactregeling door de moeder niet structureel wordt nagekomen. Verder merkt hij op dat de gestelde doelen nog niet zijn behaald en dat dit voor een belangrijk deel voortkomt uit de wachtlijsten voor de hulpverlening. Hierdoor stagneert alles en dat is volgens de man niet in het belang van de kinderen.
4.3.
De moeder is het ook eens met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Ook de verwachtingen van de moeder zijn nog niet uitgekomen. Zij vindt het jammer dat het zo lang heeft geduurd voordat de hulpverlening op gang is gekomen. De moeder geeft aan dat zij weinig contact heeft gehad met de jeugdbeschermer en dat de jeugdbeschermer ook de kinderen maar twee keer heeft gesproken. Bij moeder bestaat de indruk dat er meer contact is tussen de jeugdbeschermer en de vader. De moeder vindt de veiligheid van de kinderen nog steeds een belangrijk onderwerp en dat is een van de doelen waar in de ondertoezichtstelling nog onvoldoende aandacht voor is geweest. De moeder verwijst in dit kader nog naar een recente gebeurtenis waarbij de vader een bericht heeft geplaatst op social media, waarvan zij erg geschrokken is en waardoor haar vertrouwen in de vader niet groter is geworden.
4.4.
[minderjarige 1] heeft - kort samengevat - aangegeven dat zij het een goed plan als de jeugdbeschermer, die zij kent als de regelmevrouw, nog blijft.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (als beschreven in artikel 1:255 eerst Pro lid BW) is voldaan.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste Pro lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.3.
De kinderrechter is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderrechter stelt vast dat de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling slechts deels of nog niet zijn behaald. De geformuleerde doelen zijn echter onverminderd aanwezig. Uit de stukken, de toelichting ter zitting en het kindgesprek met [minderjarige 1] is duidelijk geworden dat het contactherstel tussen de vader en (met name) [minderjarige 1] nog in een zeer pril stadium is en verder opgebouwd moet worden binnen een voor alle partijen veilige omgeving. Verder is duidelijk dat de ouders nog niet in staat zijn constructief te overleggen met elkaar over het welzijn en andere belangrijke zaken die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangaan. Om de eerder gestelde doelen te bereiken is hulpverlening noodzakelijk. Helaas is die hulpverlening – vanwege wachtlijsten - pas kort voor de zitting opgestart. Een verlenging van zes maanden komt de kinderrechter juist voor, nu de hulpverlening voor (met name) de ouders recent op gang gekomen is en de verwachting is dat de ouders in een periode van zes maanden stappen moeten kunnen maken waardoor de gestelde doelen alsnog (grotendeels) behaald kunnen worden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is gezien het bovenstaande nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom tot 16 november 2026.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 16 mei 2026 tot 16 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. Van den Broek, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.