ECLI:NL:RBZWB:2026:5131

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
C/02/448048 / JE RK 26-807
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • De Jong
  • Van der Meer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265a BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing minderjarige met anorexia nervosa

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 11 mei 2026 om een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2009, die lijdt aan ernstige anorexia nervosa en bijkomende psychische problemen zoals suïcidale gedachten en automutilatie. De minderjarige verblijft reeds in een jeugdhulpaccommodatie, maar de samenwerking tussen ouders, hulpverleners en de accommodatie is ernstig verstoord.

De kinderrechter constateerde dat door deze impasse geen passend hulpverleningsplan kon worden opgesteld en dat de veiligheid en het welzijn van de minderjarige ernstig werden bedreigd. Gezien het acuut gevaar en het ontbreken van zicht op adequate zorg, werd besloten de minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van twee weken, met onmiddellijke ingang.

De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering mogelijk te maken. Binnen de termijn van twee weken worden de belanghebbenden gehoord tijdens een zitting, waarna verdere beslissingen worden genomen. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wegens acuut gevaar en verstoorde hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448048 / JE RK 26-807
Datum uitspraak: 11 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het mondelinge verzoek van de Raad op 11 mei 2026;
  • de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [accommodatie] te [plaats 2] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Er zijn al langere tijd forse zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Er is bij [minderjarige] sprake van anorexia nervosa en zij is nog altijd ernstig ziek en kan slechts door de acceptatie van sondevoeding op gezond gewicht blijven. Daarnaast zijn er zorgen over complexe systeem- en loyaliteitsproblemen, heeft [minderjarige] in toenemende mate suïcidale en depressieve gedachten en is er sprake van automutilatie. Door deze problematiek verblijft [minderjarige] al enige tijd bij [accommodatie] in [plaats 2] .
4.2.
Deze zorgen hebben ertoe geleid dat de Raad op 7 april 2026 een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft ingediend. Dit verzoek is op 17 april 2026 mondeling behandeld. Tijdens deze zitting hebben de ouders toegelicht dat zij contact hebben gezocht met de heer [persoon] van [jeugdhulp] , werkzaam bij het bovenregionaal expertisenetwerk als procesondersteuner voor complexe casussen in de jeugdzorg. Hij heeft aangegeven dat hij kan meedenken in opties, een passend hulpverleningsplan kan opstellen en als casusregisseur kan functioneren. Gelet op het voorgaande heeft de kinderrechter de beslissing op het verzoek aangehouden tot de nadere zitting van [datum] 2026.
4.3.
Inmiddels is gebleken dat de door de kinderrechter gegeven opdracht voor het opstellen van een hulpverleningsplan niet kan worden uitgevoerd doordat de samenwerking tussen de ouders, de heer [persoon] en [accommodatie] (verder) is gestagneerd. [accommodatie] stemt niet in met gesprekken tussen [minderjarige] en de heer [persoon] en geeft geen toestemming voor het delen van medische gegevens. Er is sprake van een verstoorde samenwerking en visieverschillen tussen de betrokken hulpverlening en de ouders, waardoor er geen zicht is op een passend hulpverleningsplan en/of passende behandeling voor [minderjarige] . Ten gevolge van deze impasse en een gebrek aan zicht op [minderjarige] is de veiligheid van [minderjarige] niet meer geborgd. Er zijn signalen dat het emotioneel welbevinden van [minderjarige] verslechtert. Het lukt de Raad echter niet om in contact te komen. De Raad maakt zich ernstig zorgen dat [minderjarige] in toenemende mate klem zit en dat de lijn die door de rechtbank is uitgezet om binnen een maand meer duidelijkheid te verkrijgen over het te volgen behandelbeleid door dit alles voortijdig is gestagneerd. Hoewel de ouders bereid zijn om hulpverlening voor [minderjarige] te accepteren, lijken de betrokkenen niet op één lijn te komen ten aanzien van wat goed of passend is voor [minderjarige] en lukt het niet om de benodigde hulpverlening voor [minderjarige] op gang te krijgen.
4.4.
Op basis van deze informatie heeft de kinderrechter het ernstige vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling wordt dus voldaan. [1] Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding [minderjarige] dat zij uit huis wordt geplaatst. [2] Een machtiging tot uithuisplaatsing is nodig omdat [minderjarige] niet thuis verblijft maar op een behandelplek waar haar (medische) zorg en ondersteuning wordt verleend. Een plaatsing van een minderjarige gedurende dag en nacht buiten het gezin, zoals hier aan de orde, geschiedt uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing. [3]
4.5.
De kinderrechter is verder van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . De kinderrechter neemt hierbij in overweging dat de ontstane impasse met betrekking tot de hulpverlening gezien het ziektebeeld van [minderjarige] zeer zorgelijk is. Het is daarom van groot belang dat er per direct een jeugdbeschermer betrokken raakt die beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige] en zicht houdt op haar veiligheid, welzijn en ontwikkeling. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland (hierna: de GI) voor de duur van twee weken. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken. Binnen die periode dienen belanghebbenden in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord op het verzoek.
4.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.7.
Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op
[datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat moment met de moeder, de vader, de Raad en de GI zal worden gesproken.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 11 mei 2026 en tot 25 mei 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 mei 2026 en tot 25 mei 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Verschoor-Bergsma op
[datum] 2026 om [uur]in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
bepaalt dat de GI bij aparte brief wordt opgeroepen voor de zitting;
5.8.
bepaalt dat [minderjarige] bij aparte brief wordt uitgenodigd voor een kindgesprek.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter op 11 mei 2026 en in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 en Pro 1:257 Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:265b, eerste lid, BW
3.Artikel 1:265a BW.