Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het rechts inhalen op de A59 te Waalwijk op 3 september 2023. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de gemachtigde niet aannemelijk had gemaakt dat hij vertegenwoordigingsbevoegd was namens betrokkene.
Betrokkene stelde vervolgens beroep in bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 18 mei 2026 voerde de gemachtigde aan dat de gedraging niet had plaatsgevonden vanwege een blokmarkering en stelde dat artikel 13a lid 2 Wahv in strijd was met het gelijkheidsbeginsel. Tevens werd een verzoek om proceskostenvergoeding gedaan en werd gewezen op overschrijding van de redelijke termijn.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat de niet-ontvankelijkheid in de administratieve fase terecht was vastgesteld. Het feit dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid pas tijdens de zitting met bewijs werd onderbouwd, kon het eerdere verzuim niet herstellen. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter K. Verschueren en is openbaar uitgesproken op 18 mei 2026. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard vanwege niet-ontvankelijkheid en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.