ECLI:NL:RBZWB:2026:510

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/02/440330 / JE RK 25-1750
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 1:377a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling zorg- en contactregeling met regie bij gecertificeerde instelling wegens zorgen over huiselijk geweld

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot vaststelling van een zorg- en contactregeling voor twee minderjarige kinderen onder toezicht van de GI. De kinderen verblijven met hun moeder in een veilige opvanglocatie vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle door de vader. De vader heeft momenteel eenmaal per twee weken onder begeleiding contact met de kinderen.

De moeder verzocht zelfstandig om een weekendregeling, maar de rechtbank oordeelde dat dit verzoek op grond van artikel 1:377a BW moest worden beoordeeld. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseerden terughoudendheid vanwege het veiligheidsrisico. De vader ontkent de beschuldigingen en heeft nog geen behandeling ondergaan.

De rechtbank achtte het in het belang van de kinderen dat de GI de regie houdt over de verdere vormgeving en uitbreiding van de contactregeling. Een uitbreiding naar weekendcontacten met overnachtingen is op dit moment niet aan de orde vanwege de veiligheidsrisico's. De huidige regeling van minimaal eenmaal per week vier uur contact onder begeleiding wordt gehandhaafd met stapsgewijze afbouw van begeleiding en uitbreiding van contactduur, mits veiligheid gewaarborgd blijft.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de vader en moeder kunnen tegen deze beslissing hoger beroep instellen.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling toe en legt de regie over de zorg- en contactregeling bij de GI, waarbij uitbreiding naar weekendcontacten wordt afgewezen vanwege veiligheidsrisico's.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/440330 / JE RK 25-1750
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
verblijvende op een veilige opvanglocatie voor vrouwen in Nederland,
advocaat: mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.J.R. Albicher uit Roosendaal.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van deze rechtbank van 11 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van 8 januari 2026 van de GI, met bijlagen.
1.2.
De nadere zitting in deze zaak, met gesloten deuren, heeft plaatsgevonden op 14 januari 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Stoffels en mevrouw [persoon] , tolk in de Spaanse taal (ingeschreven in het tolkenregister met het tolkennummer [nummer]);
  • de vader, bijgestaan door mr. Albicher;
  • een vertegenwoordiger namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven samen met hun moeder in een veilige vrouwenopvang in Nederland.
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 8 september 2025 is deze maatregel verlengd tot 11 maart 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI in die zaak is pro forma aangehouden tot 11 februari 2026 in afwachting van schriftelijk verslag van de GI en de standpunten van de advocaten van de ouders.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen die inhoudt dat:
  • de vader minimaal één keer per veertien dagen gedurende vier uren contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij de begeleiding in wekelijkse stappen steeds verder zal worden afgebouwd;
  • de GI is belast met de regie over de uitbreiding van deze contacten (qua frequentie, duur, locatie en vorm), indien mogelijk stapsgewijs naar een weekendregeling, in samenwerking met de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] en met de belangen en veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorop.
3.2.
De moeder verzoekt, bij wijze van zelfstandig verzoek, om een datum vast te stellen vanaf wanneer [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een weekend bij de vader kunnen zijn en gaan verblijven, zodat er een stabiele en positieve structuur kan worden opgebouwd in het contact tussen hen en de vader voor zover dit in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld vanwege ernstige zorgen over huiselijk geweld tussen de ouders en er zijn sterke signalen dat er sprake is (geweest) van intieme terreur en dwingende controle vanuit de vader richting de moeder, zoals het isoleren van de moeder, het beperken van haar autonomie en het vergroten van haar afhankelijkheid, psychologische manipulatie, uitschelden, vernederen, bekritiseren en jaloezie. Deze zorgen zijn gebaseerd op de uitlatingen die de moeder in het verleden heeft gedaan en bepaalde kindsignalen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben laten zien. De risicotaxatie waar de GI in dit verband van uitgaat, wordt onderschreven door de politie en de veilige opvanglocatie. De vader ontkent dat er sprake is (geweest) van huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle. Ook heeft hij nog geen behandeling ondergaan. Wel heeft er een verandering plaatsgevonden in de onderlinge relatie tussen de ouders. De moeder heeft aanvankelijk open gesproken over het geweld dat tijdens de relatie heeft plaatsgevonden en zij wilde van de vader scheiden. Sinds begin 2025 wil zij daarentegen graag met de vader samenwerken, twijfelt zij openlijk over de scheiding en staat zij positief tegenover een uitbreiding van de contactregeling tussen de vader en de kinderen. Op dit moment hebben de vader en de kinderen eenmaal per twee weken gedurende vier uren op woensdagmiddag onder begeleiding van [hulpverlening 2] te [plaats 2] contact met elkaar in (de regio) Amsterdam. Gezien wordt dat de contactmomenten op zichzelf positief verlopen. Daarom zal binnen de kaders van voormelde regeling de begeleiding worden afgebouwd, waardoor er steeds langer onbegeleid contact zal plaatsvinden. De GI benadrukt, als er sprake is geweest van ex-partnergeweld met elementen van intieme terreur en dwingende controle, dat er een reëel risico bestaat dat de vader via de kinderen zal proberen om dwingende controle uit te oefenen op de moeder. Daarbij komt dat de vader in het verleden negatieve uitspraken heeft gedaan over de moeder richting de kinderen. Ook zou hij hebben aangegeven dat hij hen wil meenemen naar het buitenland. De kinderen zijn nog jong en volledig afhankelijk van hun verzorgers en opvoeders.
De GI verzoekt daarom om de regie over de (verdere) opbouw van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen bij de GI te beleggen. Voordat er een weekendregeling kan worden bepaald, zal eerst het risico op geweld, intieme terreur en dwingende controle aantoonbaar moeten zijn verminderd/geminimaliseerd. De GI vindt dan ook dat de vader eerst zijn behandeling vanuit [hulpverlening 1] (althans voor een groot deel) succesvol moet hebben doorlopen.
4.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder wil graag dat de vader en de kinderen op basis van een weekendregeling contact met elkaar hebben. De huidige zorg- en contactregeling op basis waarvan zij gedurende vier uren per twee weken contact met elkaar hebben, leidt bij de kinderen namelijk tot veel stress, vermoeidheid en verdriet. Doordat de moeder en de kinderen in een opvanglocatie in [plaats 3] verblijven en de moeder afhankelijk is van het OV, worden de kinderen belast met een forse reistijd en een vermoeide en stressvolle reis. De contactmomenten met de vader krijgen hierdoor een negatieve lading. De moeder pleit daarom tot afwijzing van het verzoek van de GI. Daarnaast verzoekt zij, bij wijze van zelfstandig verzoek, om een datum te bepalen vanaf wanneer de vader en de kinderen op basis van een weekendregeling contact met elkaar zullen hebben.
4.3.
Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De vader ontkent de beschuldigingen aan zijn adres met betrekking tot huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle. Hoewel de vader in eerste aanleg door de rechtbank is veroordeeld voor het plegen van geweld tegen de moeder, loopt het hoger beroep in die zaak nog. De vader stelt dat de moeder in het verleden bepaalde dingen heeft gezegd die niet kloppen. Daarbij komt dat de relatie tussen de ouders in het afgelopen jaar is verbeterd en dat de contacten tussen de vader en de kinderen goed, gestructureerd en veilig verlopen. De vader weet waar de moeder en de kinderen momenteel verblijven. Als hij de moeder iets had willen aandoen, dan had hij dat dus al lang kunnen doen. Inmiddels zijn de kinderen al anderhalf jaar onder toezicht gesteld en er gebeurt niets. De betrokkenheid van de GI leidt volgens de vader alleen maar tot vertraging. De vader stelt tot slot dat hij een intakegesprek heeft gehad bij [hulpverlening 1] , maar dat naar aanleiding daarvan door [hulpverlening 1] is geconcludeerd dat zij hem niet kunnen helpen. Namens de vader is mondeling ter zitting primair verzocht om een zorg- en contactregeling te bepalen op basis waarvan hij en de kinderen ieder weekend van vrijdag tot zondag het recht hebben op contact met elkaar, althans (subsidiair) om het weekend. De vader ondersteunt dan ook het zelfstandige verzoek van de moeder om een concrete datum te bepalen waarop deze weekendregeling zal ingaan.
4.4.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onder toezicht gesteld van de GI vanwege forse zorgen over huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle vanuit de vader richting de moeder. De vader is in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld vanwege geweld tegen de moeder en er is nog steeds vanuit het Openbaar Ministerie een verbod opgelegd aan de vader om contact te mogen hebben met de moeder. Gelet hierop begrijpt de Raad de terughoudendheid en de voorzichtigheid die de GI betracht met betrekking tot het uitbreiden van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen, ook al wordt gezien dat de contacten tussen hen positief verlopen. De Raad ondersteunt daarom het verzoek van de GI om de regie over de (verdere) uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen bij haar te beleggen. De Raad is het ook eens met de GI dat er eerst meer zicht moet komen op de situatie, om de risico’s op geweld, intieme terreur en dwingende controle richting de moeder, al dan niet via de kinderen, te minimaliseren. De Raad adviseert dan ook om het zelfstandige verzoek van de moeder af te wijzen.

5.De nadere beoordeling

5.1.
Na ontvangst van het verzoekschrift in deze zaak, heeft de rechtbank de mondelinge behandeling van de verzoeken gepland op de zitting van 11 november 2025. Bij aanvang van die zitting is gebleken dat de tolk van de moeder niet is verschenen. De kinderrechter heeft daarnaast vastgesteld dat het dossier belangrijke informatie miste, onder andere over het verloop van de begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Omdat de tolk van de moeder niet is verschenen en de kinderrechter nadere informatie wenst te krijgen van de GI, is de zaak toen niet inhoudelijk behandeld en verwezen naar de zitting van 14 januari 2026. De kinderrechter heeft daarbij aan de GI verzocht om tijdig voorafgaand aan die zitting nadere informatie over te leggen en ervoor te zorgen dat de moeder tijdens de volgende zitting wordt bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal.
5.2.
De kinderrechter overweegt dat de GI de gevraagde nadere informatie inmiddels heeft overgelegd en dat de moeder tijdens de zitting op 14 januari 2026 is bijgestaan door een tolk in de Spaanse taal. De kinderrechter heeft de verzoeken daarom inhoudelijk behandeld. Alle aanwezigen hebben hiermee ingestemd.
5.3.
Het verzoek van de GI is gebaseerd op artikel 1:265g, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit dit artikel volgt, voor zover hier nu van belang, dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, voor de duur van de ondertoezichtstelling, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.4.
De kinderrechter overweegt dat zij op grond van artikel 1:265g, eerste lid BW een omgangsregeling als bedoeld in dit artikel enkel kan vaststellen op verzoek van de GI en dus niet op verzoek van de moeder. Bij een ondertoezichtstelling van een minderjarige is er geen andere wettelijke grondslag voor een ouder om zo’n verzoek te doen, behoudens het algemeen geformuleerde artikel 1:377a BW. De rechtbank zal het zelfstandige verzoek van de moeder daarom aanmerken als een verzoek om een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen op grond van dit artikel.
5.5.
Uit artikel 1:377a lid 1 BW volgt, voor zover hier nu van belang, dat een kind het recht heeft op omgang met zijn ouders. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouder(s), al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
5.6.
De kinderrechter overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, als volgt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in juni 2024 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en vervolgens (definitief) onder toezicht gesteld van de GI vanwege onder andere ernstige zorgen over geweld, intieme terreur en dwingende controle vanuit de vader richting de moeder. De moeder is destijds zichtbaar gewond aangetroffen door de politie. Dit heeft ertoe geleid dat de moeder samen met de kinderen in een veilige opvangvoorziening voor vrouwen is geplaatst. Hoewel de moeder destijds geen aangifte heeft willen/kunnen doen tegen de vader, heeft het Openbaar Ministerie de vader op basis van de feiten en de omstandigheden ambtshalve vervolgd. De rechtbank in eerste aanleg heeft de vader inmiddels strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van geweld tegen de moeder. Hoewel het hoger beroep in die strafzaak nog loopt, vormen voormelde feiten en omstandigheden het kader van waaruit de GI momenteel handelt.
5.7.
Het is de kinderrechter gebleken dat de vader en de kinderen momenteel iedere week op woensdagmiddag gedurende vier uren contact met elkaar hebben onder begeleiding van [hulpverlening 2] te [plaats 2] , waarbij de begeleiding binnen voormelde regeling stapsgewijs wordt afgebouwd. De contacten vinden plaats in (de regio) Amsterdam. De kinderrechter vindt het positief dat de vader en de kinderen momenteel structureel contact met elkaar hebben en dat door de begeleiding wordt gezien dat die contacten goed en veilig verlopen. Nu de vader in [plaats 1] woont en de moeder kennelijk samen met de kinderen op een voor de vader bekende plek in [plaats 3] verblijft, valt te begrijpen dat de huidige zorg- en contactregeling, onder andere vanwege de forse reisafstand en -tijd en de vermoeiende en stressvolle reis in het OV, veel van de kinderen én beide ouders vraagt en dat zij liever een andere regeling willen hebben. Maar dit neemt niet weg dat er ernstige zorgen zijn over de vader met betrekking tot geweld, intieme terreur en dwingende controle, dat er in verband daarmee een ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat er dus sprake is van een gedwongen kader. Dit betekent, naar het oordeel van de kinderrechter, dan ook dat het in beginsel aan de GI als uitvoerder van die kinderbeschermingsmaatregel is om afwegingen te maken en beslissingen te nemen over de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen als het belang van de kinderen dat vereist. Dat de GI, gezien de zorgen die er nog steeds zijn over de vader, in het belang van de kinderen terughoudendheid en voorzichtigheid in acht neemt bij de verdere uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen, dan kan de kinderrechter dat dus volgen. Een uitbreiding van de zorg- en contactregeling van eenmaal per week gedurende vier uren (deels onder begeleiding) naar een regeling van eenmaal per week een weekend van vrijdag tot zondag, dus met overnachtingen bij de vader thuis, dan wel een regeling van om de week een weekend bij de vader thuis, dan wel een specifieke datum te bepalen vanaf wanneer die weekendregeling moet ingaan, zoals namens en door beide ouders is verzocht, vindt de kinderrechter dan ook niet aan de orde. De vader erkent de zorgen niet, ontkent dat er sprake is geweest van geweld terwijl de moeder gewond is aangetroffen door de politie, de vader ondergaat geen behandeling en er is nog steeds sprake van een contactverbod tussen de ouders. Dat maakt de verzoeken van ouders niet toewijsbaar. Wel ziet de kinderrechter het belang van uitbreiding van het contact tussen de vader met de kinderen, echter dit moet gebeuren op zo’n manier dat de veiligheid van de kinderen én van de moeder is gewaarborgd. Indien er signalen komen dat er (nog steeds) sprake is van intiem terreur of dwingende controle vanuit de vader richting de moeder dient direct te worden ingegrepen en de moeder (en de kinderen) te worden beschermd. De kinderrechter zal het verzoek van de GI om de regie over de (verdere) vormgeving en de uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen bij de GI te beleggen daarom toewijzen en de zelfstandige (mondeling gedane) verzoeken van beide ouders afwijzen.
5.8.
De kinderrechter ziet wel aanleiding om op bepaalde punten een richting mee te geven aan de GI. In tegenstelling tot de GI ziet de kinderrechter niet als voorwaarde voor een forse uitbreiding van de zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen dat de vader zijn behandeling bij [hulpverlening 1] (voor een groot deel) succesvol heeft doorlopen. Als de vader blijft ontkennen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan geweld tegen de moeder, dan is het immers zeer de vraag of die behandeling daadwerkelijk van de grond zal komen en of er voldoende duidelijkheid zal gaan ontstaan over wat er wel en niet is gebeurd en over het persoonlijk functioneren van de vader om een goede risicotaxatie te (kunnen) maken en de zorgen die er zijn, zo veel als mogelijk weg te nemen. Als een dergelijke voorwaarde wordt gesteld, dan vreest de kinderrechter dat het traject om te komen tot een goede regeling tussen de vader en de kinderen of nooit van de grond zal komen of te lang gaat duren. De kinderrechter verzoekt daarom aan de GI om alsnog/nogmaals te bezien of er mogelijkheden zijn om in de thuissituatie bij de vader hulpverlening in te zetten voor het begeleiden van de contacten tussen de vader en de kinderen, zodat er ook in de weekenden contact tussen hen kan zijn, ook al zal de beschikbaarheid van de begeleiding in de weekenden beperkt zijn. Dit omdat er eigenlijk geen mogelijkheden tot uitbreiding worden gezien als de contacten blijven plaatsvinden op de woensdagmiddagen op de huidige locatie in (de regio) Amsterdam. Hoewel er geen directe onveiligheid wordt gezien in het contact tussen de vader en de kinderen, zal in dat geval wel moeten worden bezien hoe de kinderen reageren op de uitbreiding van hun contacten met de vader. De contacten kunnen naar het oordeel van de kinderrechter alleen worden uitgebreid als dit in het belang van de kinderen wordt geacht en waarbij hun tempo en veiligheid (en de veiligheid van hun moeder) leidend zijn.
5.9.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen, in die zin dat zij in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zal bepalen, dat de regie over de (verdere) vormgeving en de uitbreiding van de contacten tussen de vader en de kinderen bij de GI is gelegen en dat de vader en de kinderen minimaal eenmaal per week gedurende vier uren het recht hebben op contact met elkaar, waarbij de begeleiding wordt afgebouwd en de vervolgstap moet zijn dat er, indien er een veiligheidsplan is opgesteld voor het gehele systeem, begeleide omgang plaatsvindt bij de vader thuis (of in de buurt van zijn woonplaats), waarna die begeleiding stapsgewijs wordt afgebouwd terwijl de duur van de contacten - in het tempo van de kinderen - stapsgewijs wordt uitgebreid, ook richting een overnachting, en waarbij de GI een duidelijk veiligheidsplan dient te maken. Daarbij zal het contactverbod tussen de vader en de moeder strikt moeten worden nagekomen. Slechts met toestemming van het OM kan dit versoepeld worden.
5.10.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] ,
dat de regie over de (verdere) vormgeving en de uitbreiding van de contacten tussen de vader en de kinderen bij de GI is gelegen en dat de vader en voornoemde kinderen minimaal eenmaal per week gedurende vier uren het recht hebben op contact met elkaar, waarbij de begeleiding wordt afgebouwd en de vervolgstap moet zijn dat er, nadat er een veiligheidsplan is opgesteld voor het gehele systeem, begeleide omgang plaatsvindt bij de vader thuis (of in de buurt van zijn woonplaats), waarna die begeleiding stapsgewijs wordt afgebouwd terwijl de duur van de contacten in het tempo van de kinderen stapsgewijs wordt uitgebreid, ook richting een overnachting, en waarbij de GI een duidelijk veiligheidsplan dient te maken;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.