Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5096

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
02.220203.25 en 02.194924.25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak medeplegen poging tot moord; bewezenverklaring begunstiging, wapenbezit, bedreiging en vernieling

Op 22 juni 2025 vond een schietpartij plaats waarbij medeverdachte [medeverdachte] tweemaal op [slachtoffer] schoot met een revolver. Verdachte werd ervan verdacht medepleger te zijn van poging tot moord, maar de rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor medeplegen. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte na de schietpartij medeverdachte hielp te ontkomen en het vuurwapen aan het onderzoek onttrok.

Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte op 26 juni 2025 een vuurwapen in bezit had, zijn ex-vriendin bedreigde en eigendommen van haar moeder beschadigde. Verdachte bekende deze feiten. De rechtbank sprak verdachte vrij van de poging tot moord en het bezit van het vuurwapen op 22 juni, maar veroordeelde hem voor de overige feiten.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals contactverboden en ambulante behandeling. De vorderingen tot schadevergoeding van het slachtoffer werden afgewezen wegens vrijspraak, terwijl een deel van de schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 2] werd toegewezen. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen poging tot moord, maar veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor begunstiging, wapenbezit, bedreiging en vernieling.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02.220203.25 en 02.194924.25 (gev. ttz)
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 juni 2026
[verdachte] ,
voorheen genaamd [naam] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlasteleggingen

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Parketnummer 02.220203.25
feit 1:op 22 juni 2025 samen met een ander, al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden (
primair) dan wel heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (
subsidiair) door met een vuurwapen meerdere kogels op zijn lichaam af te vuren dan wel [medeverdachte] , die betrokken was bij een schietpartij, opzettelijk heeft geholpen te ontkomen door met hem op zijn fatbike weg te rijden en het bij die schietpartij gebruikte vuurwapen aan het onderzoek te onttrekken (
meer subsidiair);
feit 2:op 22 juni 2025 samen met een ander een vuurwapen en munitie voorhanden had.
Parketnummer 02.194924.25
feit 1:op 26 juni 2025 een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
feit 2:op 26 juni 2025 [benadeelde 1] met de dood heeft bedreigd;
feit 3: op 26 juni 2025 een schutting, schuur en/of washok toebehorend aan [benadeelde 2] heeft beschadigd en/of vernield.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 02.220203.25
De officier van justitie acht het medeplegen van een poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) hebben met een vooropgezet plan met vol opzet geprobeerd om [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) van het leven te beroven door op zeer korte afstand tweemaal met een vuurwapen op het bovenlichaam van [slachtoffer] te schieten. Dat sprake is van een gezamenlijk vooropgezet plan, volgt uit de omstandigheden dat [medeverdachte] een geladen vuurwapen bij zich draagt terwijl hij een conflict met [slachtoffer] heeft en waarvan verdachte ook op de hoogte is en dat [medeverdachte] [slachtoffer] heeft opgezocht om zijn angst te overwinnen. Kort voor de schietpartij zondert [medeverdachte] zich in de [straat] af om zich te bezinnen. In die straat is ook verdachte aanwezig. Daarna rijden de verdachten rechtstreeks naar [slachtoffer] , waarbij verdachte in de richting van [slachtoffer] wijst. [medeverdachte] stapt af en na een korte woordenwisseling vuurt hij twee kogels op [slachtoffer] af. Daarna rijden de verdachten samen weg. De verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap van het plan en de aanwezigheid van het vuurwapen had, acht de officier van justitie onaannemelijk gelet op de uiterlijke verschijningsvormen en een filmpje op de telefoon van verdachte. Ook acht hij feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van medeplegen. Verdachte wist van het vuurwapen en had hier ook beschikkingsmacht over.
Parketnummer 02.194924.25
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de drie ten laste gelegde feiten en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen in het dossier.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 02.220203.25
De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten kan komen. Er is geen sprake van medeplegen. Verdachte had geen opzet op de samenwerking met [medeverdachte] en ook geen opzet op het delict. Er is geen bewijs in het dossier dat hij wist dat [medeverdachte] een vuurwapen bij zich had en dat hij wist wat [medeverdachte] daarmee zou gaan doen. Dat verdachte [slachtoffer] zou hebben aangewezen op het moment dat de verdachten uit de [straat] rijden en/of dat verdachte instructies aan [medeverdachte] zou hebben gegeven, vindt geen steun in het dossier en komt niet overeen met de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris. Als verdachte al met woorden aan [medeverdachte] kenbaar zou hebben gemaakt dat hij [slachtoffer] zag, is dit niet kort voor de schietpartij geweest. Daar komt bij dat [medeverdachte] zich in de [straat] alleen afzondert en verdachten daar geen contact hebben. Dat verdachte de bestuurder van de fatbike was en ten tijde van de schietpartij aanwezig was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Daarnaast kan het filmpje op de telefoon van verdachte niet als bewijs voor medeplegen en/of voorbedachte raad dienen. Ook stelt dat verdediging dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit niet kan worden bewezen. Verdachte is niet opzettelijk behulpzaam geweest bij het vervoeren van [medeverdachte] vanaf het plaats delict en het verbergen van het vuurwapen. Na de schietpartij is [medeverdachte] in een chaotisch en dreigend moment achterop bij verdachte gesprongen, waarna verdachte is weggereden. Verdachte heeft het vuurwapen pas op 26 juni 2025 voorhanden gekregen, zonder dat hij op dat moment wist dat het hetzelfde wapen betrof. Ten aanzien van feit 2 verwijst de verdediging naar de bepleite vrijspraak onder het eerste feit. Verdachte wist op 22 juni 2025 niet dat [medeverdachte] een vuurwapen bij zich droeg. De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken.
Parketnummer 02.194924.25
De verdediging heeft ten aanzien van deze drie feiten geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02.220203.25
Feit 1
Wat is er gebeurd?
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 22 juni 2025 een schietpartij in [geboorteplaats] heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte] met een (omgebouwde) revolver van het kaliber .22 Lr is beschoten. Aan het schieten door [medeverdachte] ging een conflict tussen hem, zijn familie en [slachtoffer] vooraf. De precieze aard en achtergrond van het conflict is de rechtbank niet duidelijk geworden.
Verdachte en [medeverdachte] reden in de betreffende nacht, voorafgaand aan de schietpartij, meerdere rondjes op de fatbike van verdachte in het uitgaansgebied van [geboorteplaats] . Verdachte reed en [medeverdachte] zat achterop, waarbij de verdachten op enig moment [slachtoffer] op een muurtje tegenover [uitgaansgelegenheid] hebben zien zitten. De verdachten rijden op de fatbike om 3:49:16 uur de [straat] in. [medeverdachte] stapt af, loopt een stukje de straat in, staat kort stil en keert daarna terug naar verdachte en stapt weer achterop de fatbike. Om 3:49:55 uur rijden de verdachten de [straat] uit en rijden vervolgens rechtstreeks naar [slachtoffer] , waarna [medeverdachte] van de fatbike afstapt. [medeverdachte] en [slachtoffer] lopen naar elkaar toe en ondertussen vindt er een woordenwisseling plaats. Op dat moment haalt [medeverdachte] het vuurwapen uit zijn tasje, richt daarmee op de buik van [slachtoffer] en haalt twee keer, op korte afstand en terwijl zij naar elkaar toelopen, de trekker over. Na de schietpartij stapt [medeverdachte] achterop bij verdachte en rijden samen weg. Door het schieten is er letsel aan [slachtoffer] toegebracht. Uit de medische informatie volgt dat [slachtoffer] in zijn buik is geraakt en dat de kogel onder lokale verdoving moest worden verwijderd. De andere kogel is op zijn borst afgeketst en is niet in zijn huid gedrongen.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de hiervoor vastgestelde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] bewust en gericht tweemaal van een korte afstand op de buik van [slachtoffer] heeft geschoten en dat deze gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op het doden van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat zijn wil daarop was gericht. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [medeverdachte] vol opzet op de dood van [slachtoffer] had. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen waaruit blijkt dat [medeverdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een poging tot doodslag door [medeverdachte] op [slachtoffer] .
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte als medepleger van dit strafbare feit kan worden gezien. Om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘medeplegen’ te komen, is vereist dat komt vast te staan dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Wanneer een gezamenlijke uitvoering niet kan worden vastgesteld, kan er alsnog sprake zijn van medeplegen. Dit kan het geval zijn als verdachte wist dat [medeverdachte] op [slachtoffer] zou schieten en als de bijdrage van verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Daarbij geldt een dubbel opzetvereiste. Er moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking als op de schietpartij zijn.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte, voordat er werd geschoten enige wetenschap van het vuurwapen had dat [medeverdachte] bij zich droeg. Het vuurwapen zat in het tasje van [medeverdachte] en het dossier bevat geen stukken waaruit volgt dat het vuurwapen voorafgaand aan de schietpartij zichtbaar voor verdachte is geweest. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat er een (gezamenlijk) vooropgezet plan was om op [slachtoffer] te schieten. [medeverdachte] heeft het vuurwapen pas uit zijn tasje gehaald op het moment dat hij en [slachtoffer] naar elkaar toeliepen en een woordenwisseling hadden. De rechtbank stelt derhalve vast dat niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte] het wilsbesluit om te schieten pas heeft genomen op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] naar hem toeliep en daarmee in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Voorts kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd bij de schietpartij. Op de camerabeelden van de [straat] is niet overduidelijk te zien dat verdachte, met de armbeweging die hij maakt, [slachtoffer] aanwijst. De lezing van de officier van justitie op dit punt wordt ook niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Integendeel, bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat hij niet 100% zeker weet of hij fysiek is aangewezen. Daarnaast hecht de rechtbank er ook waarde aan dat [medeverdachte] zich in de [straat] afzondert en er in die straat verder geen contact tussen verdachte en [medeverdachte] is geweest. De rechtbank vindt het wel opmerkelijk dat de verdachten vanuit de [straat] rechtstreeks naar [slachtoffer] rijden en [medeverdachte] kort daarna twee kogels op hem afvuurt, maar op basis hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap van het vuurwapen had, dat hij wist dat [medeverdachte] op [slachtoffer] zou gaan schieten en dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het strafbare feit heeft geleverd. Dat verdachte de bestuurder van de fatbike was en samen met [medeverdachte] rondjes heeft gereden, dat hij met woorden aan [medeverdachte] kenbaar heeft gemaakt dat [slachtoffer] op een muurtje zat, het aanwezig zijn ter plaatse en dat de verdachten na de schietpartij samen zijn weggereden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen.
De officier van justitie heeft nog gewezen op een filmpje op de telefoon van verdachte, gemaakt op 21 juni 2025 om 22:22 uur, waarop verdachte onder meer zegt “
And tonight we gonna shoot everybody man”. Niet is echter vast te stellen dat verdachte en [medeverdachte] toen al samen waren en evenmin kan hieruit worden afgeleid dat dit filmpje ziet op het gaan schieten op [slachtoffer] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet kan worden gezien als een strafbare medepleger van de schietpartij. Dit betekent dat de rechtbank verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten zal vrijspreken.
Meer subsidiair
Onder de hiervoor en hierna vastgestelde omstandigheden, acht de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte kort voor de schietpartij naast [medeverdachte] stond. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte] wegliep, waarna hij twee knallen hoorde en vervolgens [medeverdachte] van [slachtoffer] zag wegrennen, waarna hij samen met [medeverdachte] op zijn fatbike is weggereden. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [medeverdachte] , die na de schietpartij bij hem achterop stapte, een misdrijf had gepleegd. Door onder die omstandigheden [medeverdachte] toch achterop zijn fatbike te laten stappen en weg te voeren van de (mogelijke) plaats delict, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [medeverdachte] hielp bij het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de politie. Doordat verdachte [medeverdachte] na de schietpartij heeft meegenomen en hij op dat moment, dus na de schietpartij, wist dat [medeverdachte] een wapen bij zich droeg, heeft verdachte ook het bij het misdrijf gebruikte wapen aan het onderzoek onttrokken.
Feit 2
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, had verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen bij [medeverdachte] tot na de schietpartij. Na de schietpartij wist verdachte hiervan, maar had hij hier geen beschikkingsmacht over omdat het vuurwapen in het tasje van [medeverdachte] zat. [medeverdachte] verklaart dat hij op 22 juni 2025 het vuurwapen aan verdachte heeft gegeven. Verdachte ontkent dit en verklaart dat hij dit pas op 26 juni 2025 van [medeverdachte] heeft gekregen. Nu er geen andere bewijsmiddelen zijn die de verklaring van [medeverdachte] op dit punt ondersteunen, is er onvoldoende bewijs dat verdachte op 22 juni 2025 het vuurwapen voorhanden heeft gehad. In het dossier bevinden zich veeleer aanwijzingen dat verdachte het wapen inderdaad pas na 22 juni 2025 heeft gekregen, gezien het chatbericht tussen verdachte en [medeverdachte] van 25 juni 2025, waarin verdachte om een wapen vraagt. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 22 juni 2025 de revolver met knalpatronen voorhanden heeft gehad. Daarom zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.
Parketnummer 02.194924.25
Uit de bewijsmiddelen in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte op 26 juni 2025 een revolver voorhanden heeft gehad, dat hij zijn ex-vriendin met de dood heeft bedreigd en een schutting en washok toebehorend aan de moeder van zijn ex-vriendin heeft beschadigd. Verdachte heeft deze drie feiten ter terechtzitting ook bekend. Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaringen van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank feit 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Parketnummer 02.220203.25
Feit 1 meer subsidiair
op22 juni 2025 te Vlissingen opzettelijk, [medeverdachte] , die schuldig was aan of verdachte was van enig misdrijf, te weten poging doodslag
- behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing van en/of aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie, door voornoemde [medeverdachte] , zijnde de schutter, van de plaats delict te vervoeren, en
- met het oogmerk om de nasporing te beletten door het bij dit misdrijf gebruikte vuurwapen aan het onderzoek van ambtenaren van justitie of politie te onttrekken;
Parketnummer 02.194924.25
Feit 1
op 26 juni 2025 te Vlissingen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver van het merk BBM, kaliber .22 Lr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad;
Feit 2
op 26 juni 2025 te [geboorteplaats] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 1] dreigend mondeling en via berichten de woorden toe te voegen "ik maak jou dood" en "kom naar kk buiten dan kk hoer! Jullie gaan allemaal er kk af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 3
op 26 juni 2025 te [geboorteplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een schutting en een washok, die aan [benadeelde 2] , toebehoorde
nheeft beschadigd.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij zijn strafreis rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, de rol van verdachte bij de schietpartij en de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. Ook heeft hij rekening gehouden met de meerdaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2 onder parketnummer 02.220203.25 en feit 1 onder parketnummer 02.194924.25 ten aanzien van het vuurwapen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak onder parketnummer 02.220203.25 meent de verdediging dat een straf gelijk aan het voorarrest passend is. In het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, stelt de verdediging dat het strafdeel boven het voorarrest voorwaardelijk dient te zijn met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdediging verzoekt bij de strafoplegging verder rekening te houden met de persoon van verdachte en zijn omstandigheden, zijn schorsingsperiode en de rol van verdachte bij de schietpartij als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verlenen van hulp na een strafbaar feit aan de dader van dat strafbare feit. Hij heeft de schutter na de schietpartij met zijn fatbike vervoerd vanaf de plaats delict en daarmee zowel de dader als het bij dat feit gebruikte vuurwapen aan het onderzoek onttrokken. Door aldus te handelen heeft verdachte de activiteiten van de politie en justitie, die erop zijn gericht het misdrijf op te helderen en de dader op te sporen, bemoeilijkt. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bezit van een scherpschietend wapen in de openbare ruimte. Het illegaal bezit van vuurwapens vormt een onaanvaardbaar risico en een bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Ook heeft verdachte [benadeelde 1] met de dood bedreigd en de schutting en het washok van [benadeelde 2] beschadigd. Hierdoor heeft verdachte overlast en angst bij de slachtoffers veroorzaakt.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 8 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld.
Ook slaat de rechtbank acht op het rapport van de reclassering van 10 maart 2026. In het advies schrijft de reclassering dat de afwezigheid van scholing (werk) in de periode van de ten laste gelegde feiten ontwrichtend voor verdachte heeft gewerkt. Verdachte had hierdoor meer vrije tijd wat het risico op criminele contacten en negatieve beïnvloeding verder verhoogde. Blijkens de informatie van de politie heeft verdachte sinds 2022 al contact met jongeren die bekend staan als overlastgevend en die crimineel gedrag vertonen. Als risicoverhogende factoren ziet de reclassering het sociale netwerk van verdachte in combinatie met zijn eigen onzekerheid en ervaren psychische druk. Ook de regulatie van emoties en spanningen door verdachte wordt als een risicofactor gezien. Als beschermende factoren worden genoemd een proactief betrokken familie en de motivatie van verdachte tot het volgen van duaal onderwijs en het op afstand willen houden van verkeerde vrienden. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte kent geen cognitieve tekorten. Hij kan reflecteren op zijn functioneren en zijn handelingsvaardigheden passen bij zijn leeftijd. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Het is belangrijk dat aan verdachte extra bescherming wordt geboden tegen negatieve beïnvloeding en het in contact komen met criminele personen. Dit kan binnen een forensisch kader middels een contactverbod en locatiegebod. Tevens verhoogt dit de kans om de delictgerelateerde en risicoverhogende factoren op de leefgebieden dagbesteding, sociale contacten en emotieregulatie aan te pakken. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclassering;
- Ambulante behandeling;
- Contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] ;
- Contactverbod met slachtoffer [benadeelde 1] (tenzij toestemming reclassering);
- Locatiegebod (met elektronisch toezicht);
- Volgen van opleiding;
- Ambulante begeleiding.
Verdachte heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat hij met alle voorwaarden akkoord is.
Wel zou hij willen dat de tijden van het locatiegebod versoepeld worden.
Het toe te passen sanctierecht
Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 18 jaar en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dan toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan de rechtbank het adolescentenstrafrecht toepassen voor verdachten tussen de 18 en 23 jaar, als de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader en/of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
Uit het dossier volgen onvoldoende concrete aanknopingspunten voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal daarom het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank zal in strafmatigende zin wel rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van de feiten.
Oplegging van de straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten en de hiervoor omschreven omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die doorgaans voor vergelijkbare feiten worden opgelegd en de omstandigheden zoals hiervoor vermeld. Mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van de feiten zal de rechtbank aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de duur van zijn voorarrest. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel wel van belang om verdachte te blijven ondersteunen en begeleiden en hem ervan te weerhouden (opnieuw) strafbare feiten te plegen. Hierbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de officier van justitie bij zijn strafeis in de zaak met parketnummer 02.220203.25 is uitgegaan van een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot moord en wapenbezit. Nu de rechtbank in die strafzaak tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit is gekomen, legt zij een lagere straf op dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Daarvan zullen 3 maanden voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar en de hierboven vermelde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de enkelband. De rechtbank acht deze vorm van vrijheidsbeperking niet passend, nu verdachte reeds langere tijd in voorlopige hechtenis heeft verbleven en niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De voorwaarden zijn bedoeld om verdachte te stimuleren niet het verkeerde pad te kiezen en biedt de mogelijkheid voor verschillende vormen van ondersteuning.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

Parketnummer 02.220203.25, feit 1
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft, door tussenkomst van mr. M.R. Minekus, advocaat te Middelburg, een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 28.953,88, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 8.953,88 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Ten aanzien van het verlies van verdienvermogen is door mr. Minekus ter zitting nog toegelicht dat er geen gesprek over de verlenging van een arbeidsovereenkomst wordt ingepland als een werkgever niet voornemens is om deze te verlengen. De beëindiging van een arbeidsovereenkomst gaat immers van rechtswege.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de gevorderde materiële schadevergoeding, met uitzondering van de schadepost verlies van verdienvermogen, voldoende met stukken zijn onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar is. Voor het verlies van verdienvermogen ontbreekt het causale verband. Voor wat betreft de immateriële schadevergoeding meent de officier van justitie dat het bedrag moet worden gematigd. Hij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak verzoekt de verdediging primair om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren. Subsidiair refereert zij zich voor wat betreft de materiële schade aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het verlies van verdienvermogen. De verdediging verzoekt de immateriële schadevergoeding fors te matigen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het schade toebrengende feit heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen.
Parketnummer 02.194924.25, feit 3
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft, als wettelijk vertegenwoordigster van haar dochter tevens benadeelde partij [benadeelde 1] onder feit 2, een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 880,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
7.4.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de gevorderde schade aan het slaapkamerraam niet voor toewijzing vatbaar is, nu deze schade volgens de benadeelde partij op een ander moment is toegebracht en deze niet in de tenlastelegging staat. Voor de overige schade verzoekt hij de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. Hij vordert om de toe te wijzen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.5.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, nu de vordering namens [benadeelde 1] onder feit 2 is ingevuld terwijl de schade ziet op eigendommen van [benadeelde 2] . Subsidiair stelt de verdediging dat de schade aan het slaapkamerraam niet voor toewijzing vatbaar is en dat de overige schadeposten onvoldoende zijn onderbouwd en ook niet voor een schatting door de rechtbank vatbaar zijn.
7.6.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het slachtoffer en dat hij verplicht is haar schade te vergoeden.
Het ingevulde schadeformulier
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft, als wettelijke vertegenwoordigster, namens haar dochter [benadeelde 1] tevens benadeelde partij onder feit 2 het schadeformulier ingevuld. De rechtbank stelt vast dat de schade aan de schutting en het washok hoort bij het ten laste gelegde feit 3 en dat de schutting en het washok eigendom van [benadeelde 2] zijn. [benadeelde 2] was ter zitting aanwezig, heeft zich achter de vordering geschaard en deze ook toegelicht. Gelet hierop is het voor de rechtbank overduidelijk dat [benadeelde 2] heeft bedoeld voor zichzelf een vordering tot schadevergoeding in te dienen vanwege schade aan haar eigendommen en niet om dat te doen namens haar dochter. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vordering vanwege de wijze van invulling van het schadeformulier niet ontvankelijk te verklaren.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 880,- gevorderd aan materiële schade, bestaande uit € 320,- voor het slaapkamerraam, € 400,- voor het washok, € 80,- voor de tuinschutting en € 80,- voor de tuinpoort. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat verdachte de schade aan het slaapkamerraam op een ander moment dan 26 juni 2025 heeft veroorzaakt. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat deze schadepost niet kan worden toegewezen. Gezien de onderbouwing is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij schade aan haar schutting en washok heeft en dat deze in een voldoende rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde. De hoogte van de schade is niet met stukken zoals facturen onderbouwd. De benadeelde partij heeft toegelicht dat zij de offertes voor de reparaties nog moet ontvangen. Om die reden maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid en zal de vordering voor een bedrag van
€ 250,-toewijzen. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat dat onvoldoende is onderbouwd. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 26 juni 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Kostenveroordeling
Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, nu er geen proceskosten zijn gevorderd tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 189, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten onder 1 en feit 2 onder parketnummer 02.220203.25;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Parketnummer 02.220203.25
feit 1 meer subsidiair:Opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie en nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om de nasporing te beletten, voorwerpen waarmede het misdrijf is gepleegd aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken;
Parketnummer 02.194924.25
feit 1:Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2:Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3:Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Vrijlandstraat 33, 4337 EA te Middelburg;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door Forensische Zorg Zeeland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling in overleg met de behandelaren nodig vindt. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de uitkomsten van diagnostiek en spanning-, emotie- en agressieregulatie;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met medeverdachte: [medeverdachte] , geboren op [geboortedag 2] -2009;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met: [benadeelde 1] , geboren op [geboortedag 3] -2009, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
* dat verdachte een (duale) opleiding volgt bij een nog nader te bepalen school;
* dat verdachte zich laat begeleiden door MJD (Maatschappelijke Justitiële Dienstverlening) van Emergis of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling/begeleiding;
- bepaalt dat
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partijen
Parketnummer 02.220203.25, feit 1
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]af;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Parketnummer 02.194924.25, feit 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde 2]van
€ 250,-aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde 2],
€ 250,-te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 26 juni 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
2 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. N.C.W. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 juni 2026.
Mr. Haesen en mr. Vork zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.