4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02.220203.25
Feit 1
Wat is er gebeurd?
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat er in de nacht van 22 juni 2025 een schietpartij in [geboorteplaats] heeft plaatsgevonden, waarbij aangever [slachtoffer] door medeverdachte [medeverdachte] met een (omgebouwde) revolver van het kaliber .22 Lr is beschoten. Aan het schieten door [medeverdachte] ging een conflict tussen hem, zijn familie en [slachtoffer] vooraf. De precieze aard en achtergrond van het conflict is de rechtbank niet duidelijk geworden.
Verdachte en [medeverdachte] reden in de betreffende nacht, voorafgaand aan de schietpartij, meerdere rondjes op de fatbike van verdachte in het uitgaansgebied van [geboorteplaats] . Verdachte reed en [medeverdachte] zat achterop, waarbij de verdachten op enig moment [slachtoffer] op een muurtje tegenover [uitgaansgelegenheid] hebben zien zitten. De verdachten rijden op de fatbike om 3:49:16 uur de [straat] in. [medeverdachte] stapt af, loopt een stukje de straat in, staat kort stil en keert daarna terug naar verdachte en stapt weer achterop de fatbike. Om 3:49:55 uur rijden de verdachten de [straat] uit en rijden vervolgens rechtstreeks naar [slachtoffer] , waarna [medeverdachte] van de fatbike afstapt. [medeverdachte] en [slachtoffer] lopen naar elkaar toe en ondertussen vindt er een woordenwisseling plaats. Op dat moment haalt [medeverdachte] het vuurwapen uit zijn tasje, richt daarmee op de buik van [slachtoffer] en haalt twee keer, op korte afstand en terwijl zij naar elkaar toelopen, de trekker over. Na de schietpartij stapt [medeverdachte] achterop bij verdachte en rijden samen weg. Door het schieten is er letsel aan [slachtoffer] toegebracht. Uit de medische informatie volgt dat [slachtoffer] in zijn buik is geraakt en dat de kogel onder lokale verdoving moest worden verwijderd. De andere kogel is op zijn borst afgeketst en is niet in zijn huid gedrongen.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de hiervoor vastgestelde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte] bewust en gericht tweemaal van een korte afstand op de buik van [slachtoffer] heeft geschoten en dat deze gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op het doden van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat zijn wil daarop was gericht. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat [medeverdachte] vol opzet op de dood van [slachtoffer] had. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen waaruit blijkt dat [medeverdachte] met voorbedachte raad heeft gehandeld. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een poging tot doodslag door [medeverdachte] op [slachtoffer] .
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte als medepleger van dit strafbare feit kan worden gezien. Om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘medeplegen’ te komen, is vereist dat komt vast te staan dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Wanneer een gezamenlijke uitvoering niet kan worden vastgesteld, kan er alsnog sprake zijn van medeplegen. Dit kan het geval zijn als verdachte wist dat [medeverdachte] op [slachtoffer] zou schieten en als de bijdrage van verdachte aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Daarbij geldt een dubbel opzetvereiste. Er moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking als op de schietpartij zijn.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte, voordat er werd geschoten enige wetenschap van het vuurwapen had dat [medeverdachte] bij zich droeg. Het vuurwapen zat in het tasje van [medeverdachte] en het dossier bevat geen stukken waaruit volgt dat het vuurwapen voorafgaand aan de schietpartij zichtbaar voor verdachte is geweest. Het dossier bevat verder ook geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat er een (gezamenlijk) vooropgezet plan was om op [slachtoffer] te schieten. [medeverdachte] heeft het vuurwapen pas uit zijn tasje gehaald op het moment dat hij en [slachtoffer] naar elkaar toeliepen en een woordenwisseling hadden. De rechtbank stelt derhalve vast dat niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte] het wilsbesluit om te schieten pas heeft genomen op het moment dat hij zag dat [slachtoffer] naar hem toeliep en daarmee in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld. Voorts kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd bij de schietpartij. Op de camerabeelden van de [straat] is niet overduidelijk te zien dat verdachte, met de armbeweging die hij maakt, [slachtoffer] aanwijst. De lezing van de officier van justitie op dit punt wordt ook niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Integendeel, bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] verklaard dat hij niet 100% zeker weet of hij fysiek is aangewezen. Daarnaast hecht de rechtbank er ook waarde aan dat [medeverdachte] zich in de [straat] afzondert en er in die straat verder geen contact tussen verdachte en [medeverdachte] is geweest. De rechtbank vindt het wel opmerkelijk dat de verdachten vanuit de [straat] rechtstreeks naar [slachtoffer] rijden en [medeverdachte] kort daarna twee kogels op hem afvuurt, maar op basis hiervan kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wetenschap van het vuurwapen had, dat hij wist dat [medeverdachte] op [slachtoffer] zou gaan schieten en dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het strafbare feit heeft geleverd. Dat verdachte de bestuurder van de fatbike was en samen met [medeverdachte] rondjes heeft gereden, dat hij met woorden aan [medeverdachte] kenbaar heeft gemaakt dat [slachtoffer] op een muurtje zat, het aanwezig zijn ter plaatse en dat de verdachten na de schietpartij samen zijn weggereden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van medeplegen.
De officier van justitie heeft nog gewezen op een filmpje op de telefoon van verdachte, gemaakt op 21 juni 2025 om 22:22 uur, waarop verdachte onder meer zegt “
And tonight we gonna shoot everybody man”. Niet is echter vast te stellen dat verdachte en [medeverdachte] toen al samen waren en evenmin kan hieruit worden afgeleid dat dit filmpje ziet op het gaan schieten op [slachtoffer] .
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte niet kan worden gezien als een strafbare medepleger van de schietpartij. Dit betekent dat de rechtbank verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten zal vrijspreken.
Meer subsidiair
Onder de hiervoor en hierna vastgestelde omstandigheden, acht de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen. Op basis van het dossier stelt de rechtbank vast dat verdachte kort voor de schietpartij naast [medeverdachte] stond. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte] wegliep, waarna hij twee knallen hoorde en vervolgens [medeverdachte] van [slachtoffer] zag wegrennen, waarna hij samen met [medeverdachte] op zijn fatbike is weggereden. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [medeverdachte] , die na de schietpartij bij hem achterop stapte, een misdrijf had gepleegd. Door onder die omstandigheden [medeverdachte] toch achterop zijn fatbike te laten stappen en weg te voeren van de (mogelijke) plaats delict, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [medeverdachte] hielp bij het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de politie. Doordat verdachte [medeverdachte] na de schietpartij heeft meegenomen en hij op dat moment, dus na de schietpartij, wist dat [medeverdachte] een wapen bij zich droeg, heeft verdachte ook het bij het misdrijf gebruikte wapen aan het onderzoek onttrokken.
Feit 2
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, had verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen bij [medeverdachte] tot na de schietpartij. Na de schietpartij wist verdachte hiervan, maar had hij hier geen beschikkingsmacht over omdat het vuurwapen in het tasje van [medeverdachte] zat. [medeverdachte] verklaart dat hij op 22 juni 2025 het vuurwapen aan verdachte heeft gegeven. Verdachte ontkent dit en verklaart dat hij dit pas op 26 juni 2025 van [medeverdachte] heeft gekregen. Nu er geen andere bewijsmiddelen zijn die de verklaring van [medeverdachte] op dit punt ondersteunen, is er onvoldoende bewijs dat verdachte op 22 juni 2025 het vuurwapen voorhanden heeft gehad. In het dossier bevinden zich veeleer aanwijzingen dat verdachte het wapen inderdaad pas na 22 juni 2025 heeft gekregen, gezien het chatbericht tussen verdachte en [medeverdachte] van 25 juni 2025, waarin verdachte om een wapen vraagt. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 22 juni 2025 de revolver met knalpatronen voorhanden heeft gehad. Daarom zal verdachte hiervan worden vrijgesproken.
Parketnummer 02.194924.25
Uit de bewijsmiddelen in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat verdachte op 26 juni 2025 een revolver voorhanden heeft gehad, dat hij zijn ex-vriendin met de dood heeft bedreigd en een schutting en washok toebehorend aan de moeder van zijn ex-vriendin heeft beschadigd. Verdachte heeft deze drie feiten ter terechtzitting ook bekend. Op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen en de bekennende verklaringen van verdachte ter terechtzitting acht de rechtbank feit 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.