ECLI:NL:RBZWB:2026:506

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443694 / JE RK 26-15
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:255 BWArt. 1:265b BWArt. 800 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot verlenging van een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft tijdelijk bij zijn halfzus vanwege ernstige zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en de opvoedsituatie. De vader kan door eigen problemen niet voor de minderjarige zorgen.

Tijdens de zitting op 14 januari 2026 zijn de moeder, vader, vertegenwoordigers van de GI en de Raad gehoord. De minderjarige heeft zijn mening gegeven over zijn situatie en wenst niet terug te keren naar zijn moeder zolang zij niet aan zichzelf werkt. De moeder werkt aan haar herstel en kan instemmen met terugplaatsing, maar ziet een uithuisplaatsing op een neutrale plek als te ver gaan.

De kinderrechter overweegt dat de spoedbeslissing van 6 januari 2026 terecht was en dat er geen nieuwe feiten zijn die herroeping rechtvaardigen. Gezien de emotionele onveiligheid, verwaarlozing en het ontbreken van contact tussen moeder en kind, acht de rechter het noodzakelijk de ondertoezichtstelling te verlengen en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De Raad zal verder onderzoek doen naar een definitieve maatregel en het herstel van het contact tussen minderjarige en ouders.

Uitkomst: De voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige worden verlengd tot 6 april 2026 en de uithuisplaatsing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443694 / JE RK 26-15
Datum uitspraak: 14 januari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. T. van Riel te Breda,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] , België.
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven beschikking van 6 januari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank en alle daarin genoemde stukken;
  • het op 14 januari 2026 ontvangen gewijzigd verzoekschrift van de Raad, met daarin de schriftelijke bevestiging van het tijdens de zitting mondeling gedane gewijzigde verzoek van de Raad.
1.2.
Op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter de (gewijzigde) verzoeken, met gesloten deuren, mondeling ter zitting behandeld. Bij die zitting zijn verschenen en gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Van Riel;
  • de vader;
  • een vertegenwoordiger namens de GI;
  • een vertegenwoordigster namens de Raad.
De kinderrechter heeft daarnaast, op verzoek van de moeder en met instemming van de overige aanwezigen, bijzondere toestemming verleend aan mevrouw [persoon] , als begeleidster van de moeder vanuit [hulpverlening] , om de zitting als toehoorder bij te wonen.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze zaak te geven. Op 13 januari 2026 heeft [minderjarige] zijn mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op dit moment tijdelijk bij zijn halfzus [halfzus 1] .
2.3.
Bij voormelde in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 januari 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin of in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 6 januari 2026 tot 20 januari 2026. Deze beslissing is onverwijld gegeven, dus zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om hun mening daarover te geven.

3.De (gewijzigde) verzoeken

3.1.
De kinderrechter dient, nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord, te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de spoedbeslissing van 6 januari 2026 met onmiddellijke ingang dient te worden herroepen.
3.2.
Aan de orde zijn nog de verzoeken van de Raad om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de GI en om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin en aansluitend een voorziening voor pleegzorg te verlenen met ingang van 20 januari 2026 tot 6 april 2026, en de beslissing tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De Raad heeft voormeld verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] mondeling ter zitting gewijzigd, in die zin dat de Raad thans verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin (bij zijn halfzus [halfzus 1] ), dan wel in een gezinsgerichte voorziening, dan wel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot 6 april 2026, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Na afloop van de zitting heeft de Raad dit verzoek schriftelijk bevestigd in voormeld, op 14 januari 2026 ontvangen, gewijzigd verzoekschrift.

4.De standpunten

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van zijn (gewijzigde) verzoeken, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. De moeder toont afwisselend verward gedrag en complotmatig denken. In verband daarmee zijn er in toenemende mate zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Deze zorgen richten zich op emotionele onveiligheid, het ontbreken van basale verzorging en verwaarlozing. Vanaf begin oktober 2025 verblijft [minderjarige] afwisselend bij zijn halfzussen [halfzus 1] en [halfzus 2] en bij zijn vader. Begin januari 2026 heeft de vader aangegeven dat hij niet meer voor [minderjarige] kan zorgen. [minderjarige] verblijft sindsdien tijdelijk en bij wijze van noodoplossing bij zijn halfzus [halfzus 1] . Vanuit de gemeente is overwogen om [minderjarige] met inzet van ambulante spoedhulp weer bij zijn moeder te laten verblijven, maar dit wordt vanwege de aanhoudende zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder niet als een goede plaats voor [minderjarige] gezien. Daarnaast was de moeder ambivalent in de samenwerking en in het contact met de betrokken hulpverlening. Bovendien wil [minderjarige] op dit moment niet terugkeren naar zijn moeder. Als een (gedeeltelijke) plaatsing van [minderjarige] bij de vader, de moeder en de halfzussen niet mogelijk blijkt te zijn, dan zal [minderjarige] tijdelijk ergens anders geplaatst moeten kunnen worden. De Raad heeft daarom zijn verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ter zitting mondeling gewijzigd, zodat [minderjarige] indien nodig (ook) (tijdelijk) in een pleeggezin of in een gezinshuis kan worden geplaatst. In de komende periode zal de Raad een onderzoek verrichten naar de noodzaak van een (definitieve) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] . Daarbij zullen ook de mogelijkheden van een terugplaatsing bij de moeder en een uithuisplaatsing in het netwerk worden onderzocht.
4.2.
De GI heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De GI is inmiddels ruim een week bij het gezin betrokken. De GI ziet dat [minderjarige] behoorlijk klem zit en dat hij zich zorgen maakt over zijn moeder. [minderjarige] stelt daarbij vragen di wijzen op parentificatie. Doordat beide ouders hun eigen problemen hebben, kunnen zij op dit moment niet voor [minderjarige] zorgen. Hoewel zijn halfzussen momenteel goed voor [minderjarige] zorgen, kunnen zij dit niet veel langer volhouden. Hoewel de GI de bezwaren van de ouders en [minderjarige] tegen een tijdelijke uithuisplaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek begrijpt, is er op dit moment geen andere mogelijkheid. De GI vindt het daarom van belang dat [minderjarige] , indien nodig, tijdelijk in een pleeggezin of in een gezinshuis kan verblijven. De GI ondersteunt daarom het mondeling gewijzigde verzoek van de Raad. De GI is momenteel op zoek naar een gezinshuis in de buurt van de woonplaats van de moeder, zodat [minderjarige] naar zijn eigen, vertrouwde school kan blijven gaan. Zodra [minderjarige] wat tot rust is gekomen, zal de GI inzetten op (het herstel van) de contacten tussen [minderjarige] en zijn ouders. De GI benadrukt hierbij dat als uitgangspunt geldt dat er zal worden ingezet op een terugkeer van [minderjarige] naar huis (bij moeder). Om dit mogelijk te maken, zullen de zorgen over de (opvoed)situatie bij de moeder eerst moeten worden weggenomen en zal er moeten worden ingezet op het herstellen van het vertrouwen van [minderjarige] in (de opvoedsituatie van) zijn moeder.
4.3.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder stelt dat zij in toenemende mate druk ervoer, waardoor het niet goed met haar ging en zij uit balans is geraakt. Omdat de moeder onderkende dat zij in die situatie niet goed voor [minderjarige] kan zorgen, heeft zij meegewerkt aan een tijdelijke plaatsing van [minderjarige] bij zijn vader en later bij zijn halfzussen. Daarnaast heeft de moeder in de afgelopen maanden aan zichzelf gewerkt. Zij voert gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en binnenkort met een psycholoog. [minderjarige] verblijft feitelijk al sinds medio oktober 2025 niet meer bij haar. De moeder vindt het dan ook belangrijk dat er zo snel als mogelijk wordt ingezet op contact(herstel) tussen haar en [minderjarige] . De moeder heeft vertrouwen in de betrokkenheid van de GI en zij kan instemmen met het voornemen om [minderjarige] bij haar terug te plaatsen. De moeder vindt een uithuisplaatsing van [minderjarige] op een neutrale plek echter een brug te ver.
4.4.
De vader heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De vader voert geen verweer tegen de verzoeken, hoewel hij het natuurlijk liever anders had gezien. De vader ondersteunt bovendien het voornemen om [minderjarige] terug te plaatsen bij de moeder. Doordat de relatie van de vader in september 2025 is verbroken, met als gevolg dat hij moet verhuizen en hij wordt geconfronteerd met financiële vraagstukken en zorgen, hetgeen impact heeft op zijn eigen psychische welbevinden, stelt de vader dat hij op dit moment niet voor [minderjarige] kan zorgen. De vader vindt dat hij eerst zijn eigen leven weer op de rit moet krijgen. Pas dan kan hij bezien wat hij kan bijdragen aan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
4.5.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] maakt zich zorgen over zijn moeder. Hij vindt het nodig dat zijn moeder aan zichzelf gaat werken. Zo lang zij dat niet heeft gedaan, vindt [minderjarige] dat hij niet bij zijn moeder kan wonen. [minderjarige] hoopt wel dat hij uiteindelijk weer bij zijn moeder kan gaan wonen. Het liefste zou [minderjarige] tijdelijk bij zijn halfzus [halfzus 1] of bij een ander familielid verblijven. [minderjarige] zou er tegenop zien om tijdelijk op een neutrale plek te verblijven.

5.De beoordeling

5.1.
Uit artikel 1:257, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 255, eerste lid, is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.3.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over voorlopige ondertoezichtstelling en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing onverwijld, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van de belanghebbenden, worden afgegeven indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
5.4.
De kinderrechter overweegt dat voormelde spoedbeslissing van 6 januari 2026 is genomen zonder de belanghebbenden daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord. Tijdens de zitting zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken over het spoedverzoek. Naar aanleiding daarvan is, naar het oordeel van de kinderrechter, niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden waardoor de spoedbeslissing van 6 januari 2026 zou moeten worden herroepen.
5.5.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er zijn zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en, daarmee samenhangend, over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder. Deze zorgen richten zich onder andere op de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , zijn basale verzorging en verwaarlozing. Begin oktober 2025 kon de moeder niet meer voor [minderjarige] zorgen. [minderjarige] heeft daarop afwisselend bij zijn halfzussen en bij zijn vader verbleven. Vervolgens heeft de vader aangegeven dat hij, met het oog op zijn eigen problemen, niet meer voor [minderjarige] kan zorgen. Daarop is de mogelijkheid onderzocht om [minderjarige] , met inzet van ambulante spoedhulp, tijdelijk terug te plaatsen bij de moeder. Omdat de psychische gesteldheid van de moeder en daarmee de zorgen over haar opvoedsituatie vooralsnog onveranderd zijn en [minderjarige] in de huidige situatie niet bij zijn moeder wil wonen, verblijft [minderjarige] momenteel bij zijn halfzussen [halfzus 1] en [halfzus 2] . Hoewel er momenteel goed voor hem wordt gezorgd, kunnen zij dit, met het oog op hun eigen draagkracht, niet nog veel langer volhouden. Tegelijkertijd ervaart [minderjarige] al langere tijd onduidelijkheid over waar en met wie hij woont, naar welke school hij gaat en wie de verantwoordelijkheid draagt voor zijn verzorging en opvoeding. Ook hebben [minderjarige] en zijn moeder al gedurende enkele maanden geen contact met elkaar gehad.
5.6.
Gezien voormelde zorgen over de (opvoed)situatie van de moeder, omdat de moeder en [minderjarige] al enige tijd geen contact met elkaar hebben en met het oog op de mening van [minderjarige] , is de kinderrechter van oordeel dat het niet in het belang van [minderjarige] is en dat het zelfs onverantwoord is om hem nu terug te plaatsen bij de moeder. Vanwege de (dreigende) overbelasting van de vader en de halfzussen, kan [minderjarige] niet nog veel langer volledig bij hen verblijven. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat [minderjarige] , indien nodig, tijdelijk op een andere (neutrale) plek kan verblijven. Nu de moeder daar niet mee instemt en de hulpverlening die noodzakelijk wordt geacht om voormelde zorgen weg te nemen door beide ouders om welke reden dan ook niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom het resterende deel van het (gewijzigde) verzoek van de Raad toewijzen, in die zin dat zij de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal verlengen tot 6 april 2026 en zij een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin (bij zijn halfzus [halfzus 1] ) of in een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder zal verlenen met ingang van heden en tot 6 april 2026.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dit betekent dat die beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd, en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
5.8.
In de komende periode zal de Raad een onderzoek verrichten naar de noodzaak van een (definitieve) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] en eventueel een daartoe strekkend verzoek indienen bij de kinderrechter. De kinderrechter verzoekt aan de GI om in de komende periode aandacht te blijven hebben voor (het herstellen van) de contacten tussen [minderjarige] en zijn beide ouders.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 6 april 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin (bij zijn halfzus [halfzus 1] ) of in een gezinsgerichte voorziening of in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 14 januari 2026 en tot 6 april 2026, en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.