De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 9 juni 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot afpersing in vereniging. Verdachte zou samen met anderen hebben geprobeerd een slachtoffer te dwingen tot afgifte van een geldbedrag onder dreiging met een vuurwapen.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een essentiële rol had in de uitvoering van het delict door het vuurwapen te dragen en te richten, en dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking met mededaders. De verdediging voerde echter aan dat verdachte psychische overmacht had, omdat hij onder zware bedreiging stond, onder meer met dreiging richting zijn moeder en zusjes.
De rechtbank stelde vast dat verdachte onder deze omstandigheden redelijkerwijs geen weerstand kon bieden aan de van buiten komende drang. Verdachte was bedreigd met een vuurwapen, kreeg dreigementen via Snapchat en bevond zich in een vreemde stad waar hij niet kon ontsnappen. Ondanks pogingen zich te onttrekken, faalde hij hierin.
Gelet op deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het beroep op psychische overmacht slaagt en sprak verdachte vrij van alle rechtsvervolging. Het vonnis werd gewezen door drie kinderrechters en uitgesproken in openbare zitting.