De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 januari 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van belaging van zijn ex-partner gedurende ongeveer drie maanden. De rechtbank oordeelde dat de gedragingen van verdachte vanaf 20 juni 2025 tot en met 27 augustus 2025 wederrechtelijk en stelselmatig waren, waarmee hij inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde.
De rechtbank nam mee dat verdachte na het beëindigen van de relatie meerdere malen contact zocht, ondanks een stopgesprek met de politie waarin hem werd verzocht geen contact meer te zoeken. Verdachte benaderde de ex-partner direct en indirect via diverse kanalen, waaronder bellen, e-mail, Marktplaats en sociale media. Hoewel de periode relatief kort was, achtte de rechtbank de aard en frequentie van de gedragingen voldoende voor belaging.
Verdachte erkende zijn behoefte aan uitleg en ontving ambulante begeleiding vanwege niet-aangeboren hersenletsel. De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur op met een proeftijd van twee jaar, gekoppeld aan een contactverbod en een locatieverbod bij de woning van de benadeelde en haar vader. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot een schadevergoeding van €250,- voor immateriële schade.
De rechtbank wees de hogere eis van de officier van justitie af en bepaalde dat de vrijheidsbeperkende maatregelen niet dadelijk uitvoerbaar zijn. De benadeelde partij kreeg een schadevergoedingsmaatregel toegewezen met wettelijke rente en de mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.