ECLI:NL:RBZWB:2026:5030

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
26/637
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. de Weijze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanwijzing parkeerplaats voor opladen elektrische voertuigen in woonstraat

Eisers, bewoners van een woonstraat, maakten bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout om een parkeerplaats in hun straat aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen. Zij voerden aan dat de besluitvorming onzorgvuldig was, dat de parkeerdruk al hoog is en dat de locatie ongeschikt is vanwege verkeers- en brandveiligheidsrisico's.

De rechtbank overwoog dat het college beoordelingsruimte heeft bij het aanwijzen van locaties voor laadpalen en dat het college het besluit voldoende heeft gemotiveerd. De gemeente baseerde het besluit op een datagestuurde plaatsingsstrategie en het gemeentelijk beleid ter bevordering van elektrisch rijden. De rechtbank vond dat het belang van het bevorderen van laadinfrastructuur zwaarder weegt dan het belang van eisers bij het behoud van parkeerruimte.

Verder oordeelde de rechtbank dat de door eisers aangevoerde risico's geen individueel belang opleveren dat zwaarder weegt dan het algemene belang. Ook is er geen onaanvaardbaar nadeel voor eisers, omdat er nog andere parkeermogelijkheden zijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van bewoners tegen het verkeersbesluit om een parkeerplaats aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/637

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit van 24 november 2025 (bestreden besluit) over het verkeersbesluit om een parkeerplaats aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eisers zijn het daar niet eens met. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het parkeervak in de [straat 1] mocht aanwijzen als parkeerplaats voor het opladen van elektrische voertuigen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 juni 2025 (het primaire besluit) heeft het college 16 parkeerplaatsen in de gemeente Oosterhout aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eén van de parkeerplaatsen is gelegen in de [straat 1] ter hoogte van de zijkant van [adres] . Eisers wonen in de [straat 1] en hebben bezwaar gemaakt tegen deze locatie. Met het bestreden besluit van 24 november 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers. Het college was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Beoordelingsruimte
3. Het college heeft beoordelingsruimte bij een besluit als dit: dit betekent dat de gemeente voor deze plek mag kiezen, ook als een andere locatie ook had gekund. Daarbij geldt wel dat het college het besluit voldoende moet motiveren en de betrokken belangen kenbaar moet afwegen. Daarbij gaat het er in de eerste plaats om dat het verkeersbesluit één of meer belangen uit artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 dient. In de tweede plaats gaat het erom of de uitkomst van die beoordeling opweegt tegen de voor belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. De bestuursrechter gaat niet na of zij in het concrete geval tot eenzelfde besluit zou zijn gekomen.
Beroepsgronden
4. Eisers hebben aangevoerd dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het aanwijzen van de parkeerplaats in de [straat 1] voor het opladen van elektrische voertuigen. Eisers voeren aan dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is verlopen en dat het college zelfstandig onderzoek had moeten uitvoeren en alternatieven had moeten verkennen. Eisers voeren aan dat de [straat 1] geen geschikte locatie is voor extra laadpalen. De parkeerdruk in de straat is op dit moment al hoog, maar zal door het bestreden besluit nog hoger worden. Er zijn laadpalen op korte afstand en bewoners met een elektrische auto hebben vaak een laadpaal op eigen terrein. De behoefte aan extra laadpalen is niet aangetoond. De gebruikte meetmethodiek geeft geen realistisch beeld. Eisers voeren verder aan dat de laadpalen die geplaatst zullen worden bij de parkeervakken een risico opleveren vanwege meer verkeersbewegingen, gevaarlijke situaties en een verhoogd brandgevaar in een woonerf.
Heeft het college de keuze voor de locatie voldoende onderbouwd?
4.1.
De rechtbank overweegt dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat er behoefte is aan extra laadinfrastructuur. De gemeente Oosterhout is voorstander van het gebruik van elektrische auto’s. Dit is verwoord in het ‘beleid laadinfrastructuur, gemeente Oosterhout 2023-2026’. Om uitvoering te geven aan dit beleid participeert de gemeente Oosterhout in een collectieve aanpak en aanbesteding voor publieke laadpalen in de openbare ruimte vanuit de Provincie Noord-Brabant. In het bestreden besluit heeft het college nader toegelicht dat de behoefte aan een nieuwe laadpaal is gebaseerd op een datagestuurde plaatsingsstrategie. Uit het systeem van exploitant Vattenfall blijkt dat de dichtstbijzijnde laadpaal de afgelopen drie maanden een bezettingsgraad van meer dan 60% had en dat de laaddruk dus hoog is. Niet is gesteld dat de locatie zelf ongeschikt is. Het bestaan van mogelijke alternatieve locaties maakt niet dat de gekozen locatie onjuist is. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd waarom juist voor deze locatie is gekozen.
Is er voldoende rekening gehouden met de belangen van bewoners?
4.2.
De rechtbank oordeelt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van eisers, namelijk het verminderen van de schaarste aan parkeerruimte bij hun woningen, niet zwaarder weegt dan het belang van het plaatsen van een laadpaal. Dit wordt ondersteund door de gegevens in het bestreden besluit waaruit blijkt dat er behoefte is aan een extra laadpaal. Dat er door het verkeersbesluit een parkeerplaats voor niet-elektrische voertuigen verdwijnt, is geen onaanvaardbaar nadeel in verhouding tot het doel van het verkeersbesluit. Eisers hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het college hadden moeten bewegen tot een ander besluit. Eisers voeren aan dat de laadpaal die geplaatst zal worden bij het parkeervak een risico oplevert vanwege meer verkeersbewegingen, gevaarlijke situaties en een verhoogd brandgevaar in een woonerf. De rechtbank overweegt dat zij een besluit op grond van artikel 8:69a van de Awb niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van het belang van eisers. De beroepsgrond ziet op bescherming van een algemeen belang, in plaats van het belang van eisers. De parkeerplaats voor elektrische voertuigen vervangt een al bestaande parkeerplaats. Daar kan op dit moment ook al worden ingeparkeerd. Daarnaast staat de laadpaal op enige afstand van de woningen van eisers. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde verkeersbewegingen, gevaarlijke situaties en het verhoogd brandgevaar geen bijzonder, individueel belang opleveren voor eisers dat zich voldoende onderscheidt van dat van andere weggebruikers. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
4.3.
De rechtbank begrijpt uit de toelichting van eisers dat zij zich niet gehoord voelen en het gevoel hebben dat lokale omstandigheden en bewonersbelangen ondergeschikt zijn gemaakt aan generieke modellen en externe adviezen. Het is goed voorstelbaar dat de gemeente beleid maakt en dat individuele burgers het gevoel hebben dat hun individuele bezwaren geen verschil meer maken als er een besluit wordt genomen. Een besluit dat in het algemeen belang wordt genomen kan het individu negatief treffen. Waar het om gaat is dat dit nadeel niet onevenredig groot mag zijn ten opzichte van het algemene doel dat met het besluit wordt gediend. Daar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van, omdat er voor eisers in de nabijheid van hun woningen ook nog andere parkeermogelijkheden voor niet-elektrische voertuigen zijn. Het college heeft het belang om het gebruik van elektrische voertuigen te bevorderen daarom zwaarder mogen laten wegen dan het belang van het enigszins toenemen van de parkeerdruk voor de woningen van eisers. Eisers hebben bovendien geen recht op een eigen parkeerplek in openbaar gebied. Ter zitting hebben eisers de wens geuit om met niet-elektrische voertuigen te parkeren bij parkeervakken met een laadpaal. Het bestreden besluit voorziet niet in die mogelijkheid. De rechtbank toetst enkel het bestreden besluit.
4.4.
De beroepsgronden slagen daarom niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Weijze, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 8 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994
Artikel 2, eerste lid
1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.