Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5027

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/5946
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugvordering zorgtoeslag over 2024

Eiser maakte bezwaar tegen de definitieve berekening en terugvordering van de zorgtoeslag over 2024 door de Dienst Toeslagen. De zorgtoeslag werd definitief vastgesteld op €34,- terwijl een voorschot van €637,- was verstrekt, wat leidde tot een terugvordering van €605,-. Eiser stelde dat hij toezeggingen had ontvangen dat een salarisverhoging in 2024 geen invloed zou hebben op de zorgtoeslag en beriep zich op het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat dergelijke toezeggingen waren gedaan en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom niet slaagde. Ook werd geoordeeld dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet was geschonden en dat de terugvordering niet onevenredig was, ondanks de financiële situatie van eiser. De Dienst Toeslagen bood mogelijkheden tot betalingsregelingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat eiser in hoger beroep kan gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de zorgtoeslag over 2024 wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van €605,- bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5946
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Dienst Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening en terugvordering van de zorgtoeslag over 2024.
1.1.
Met het besluit van 8 augustus 2025 heeft de Dienst Toeslagen eisers zorgtoeslag over het jaar 2024 definitief berekend op € 34,- en het te veel verstrekte voorschot zorgtoeslag van € 605,- teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
1.3.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de Dienst Toeslagen op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de Dienst Toeslagen deelgenomen [gemachtigde 1] en mr. B.N. van Dongen. Eiser is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de definitieve berekening en terugvordering van de zorgtoeslag over 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. In het bestreden besluit van 28 oktober 2025 heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat de zorgtoeslag als voorschot wordt verstrekt. Er is uitgegaan van een geschat inkomen in 2024 van € 33.005,-. Uit informatie van de Basisregistratie Inkomen (BRI) blijkt het definitieve inkomen in dat jaar € 37.419,- te zijn. Het recht op zorgtoeslag voor 2024 bedraagt € 34,- voor het gehele jaar, wat resulteert in een totale terugvordering van € 605,-. De Dienst Toeslagen geeft aan dat er geen toezeggingen zijn gedaan dat de zorgtoeslag op basis van het geschat inkomen definitief zou kunnen worden vastgesteld. Er kan volgens de Dienst Toeslagen geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig genomen en is ook niet onevenwichtig of onredelijk bezwarend voor eiser.
5. Volgens eiser heeft hij meerdere malen ondubbelzinnige toezeggingen ontvangen dat zijn salarisverhoging in 2024 geen invloed zou hebben op de hoogte van de zorgtoeslag. Hij beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Verder stelt eiser dat het zorgvuldigheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden. Hij wijst op zijn slechte financiële positie, waardoor hij geld heeft moeten lenen om het griffierecht te kunnen betalen.
6. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, moeten volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stage, drie stappen worden doorlopen. [1] De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging. De vraag is of de uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging, waaruit de belanghebbende kon en mocht afleiden hoe de Dienst Toeslagen in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Bij de tweede stap moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de toezegging aan de Dienst Toeslagen kan worden toegerekend. De vraag is dan of belanghebbende mocht veronderstellen dat de ambtenaar die de toezegging deed de opvatting van de Dienst Toeslagen vertolkte. Bij de derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.
7. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een toezegging, waaruit eiser zou kunnen afleiden dat zijn zorgtoeslag voor het jaar 2024 niet gewijzigd zou worden. Het ligt op de weg van eiser om dit aan te tonen.
Volgens eiser is op 18 juli 2024 telefonisch geweest met de Dienst Toeslagen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een telefoonspecificatie van Odido overgelegd waarin is weergegeven dat op 18 juni 2024 is gebeld met een 088-telefoonnummer. Ter zitting is door de Dienst Toeslagen toegelicht dat het telefoonnummer van de Belastingtelefoon begint met ‘0800’ en niet met ‘088’. De Dienst Toeslagen heeft niet kunnen achterhalen dat er op de door eiser genoemde datum is gebeld met de Belastingtelefoon.
Verder zou volgens eiser ook op 3 oktober 2024 telefonisch contact met de Dienst Toeslagen zijn opgenomen. Van dit gesprek heeft de Dienst Toeslagen geen registratie kunnen terugvinden.
Tot slot stelt eiser dat op 3 november 2025, na de datum van het bestreden besluit, telefonisch contact is opgenomen met de Dienst Toeslagen. Van dit gesprek heeft de Dienst Toelagen een telefoonnotitie opgenomen in het dossier. Volgens eiser zou tijdens het gesprek zijn bevestigd dat onderscheid tussen de Dienst Toeslagen en de Belastingdienst de oorzaak is geweest van de verkeerde verweking. Uit de telefoonnotitie valt niet op te maken dat is gesproken over mogelijk verkeerde verwerking van meldingen.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de zijde van de Dienst Toeslagen toezeggingen zijn gedaan. Concrete aanwijzingen voor een andersluidend oordeel ontbreken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet is geschonden. Anders dan eiser kennelijk meent, bestaat er geen verplichting voor de Dienst Toeslagen om registratie van gevoerde telefoongesprekken bij te houden.
9. Voor het jaar 2024 heeft eiser een voorschot zorgtoeslag van € 637,- ontvangen, terwijl zijn recht is berekend op € 34,-. Dit leidt tot een terug te vorderen bedrag van € 605,- (inclusief € 2,- rentekosten).
Volgens eiser is de terugvordering onevenredig zwaar, gelet op zijn maandinkomen en vaste lasten. De situatie verslechtert en coulance is volgens eiser op zijn plaats.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser geschetste omstandigheden op zichzelf of in samenhang bezien niet aan te merken als bijzondere omstandigheden die na een belangenafweging reden zijn om van terugvordering af te zien of om de terugvordering te matigen.
Ter zitting is door de Dienst Toeslagen aangegeven dat uit gegevens van de Dienst Toeslagen blijkt dat eiser inmiddels een salarisverhoging heeft gehad. Zijn zorgtoeslag is hierdoor lager geworden. Dit is echter onvoldoende om te stellen dat de gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn. De Dienst Toeslagen heeft in het verweerschrift gewezen op de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen, waarbij eiser in 24 gelijke termijnen zijn schuld kan voldoen. Indien een standaardbetalingsregeling niet haalbaar is, bestaat de mogelijkheid een persoonlijke betalingsregeling te treffen.
10. Eiser heeft gewezen op het feit dat hij in een oneerlijke procespositie verkeert doordat hij een beperkte financiële draagkracht heeft om beroep en eventueel hoger beroep in te stellen tegen het besluit van de Dienst Toeslagen. De rechtbank wijst erop dat voor eiser zowel in de beroepsfase als in de hoger beroepsfase de mogelijkheid bestaat om een verzoek te doen op vrijstelling van betaling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Bij de rechtbank is een dergelijk verzoek niet ingediend.

Conclusie en gevolgen

11. De Dienst Toeslagen heeft de zorgtoeslag over 2024 correct vastgesteld op € 34,- en de te veel betaalde zorgtoeslag terecht teruggevorderd. Het beroep is ongegrond. Als gevolg hiervan krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
12. De rechtbank heeft gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier.
De griffier is verhinderd dit proces-verbaal van de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 juli 2019, ECLI:NLRVS:2019:2563