ECLI:NL:RBZWB:2026:5023

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11877076 \ CV EXPL 25-2960 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Vermariën
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:271 BWArt. 6:272 BWArt. 6:74 BWArt. 6:162 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding aanneemovereenkomst wegens niet-afgewerkt en gebrekkig dakwerk

De zaak betreft een geschil over een aanneemovereenkomst voor dakwerkzaamheden die niet naar behoren zijn uitgevoerd. De opdrachtgever stelde dat het werk niet was afgerond en dat er diverse gebreken waren die ondanks verzoeken niet werden hersteld. De aannemer betwistte dit en voerde aan onvoldoende gelegenheid te hebben gehad om herstelwerkzaamheden uit te voeren.

De kantonrechter oordeelde dat de opdrachtgever de overeenkomst rechtsgeldig mocht ontbinden wegens tekortkomingen en verzuim van de aannemer. De aannemer had onder meer een dakbeschot van onvoldoende dikte aangebracht en de constructie was niet adequaat, wat leidde tot doorzakken van het dak. Een deskundigenrapport onderbouwde de gebreken en herstelkosten.

De rechter bepaalde dat de aannemer de opdrachtgever een deel van het betaalde bedrag moest terugbetalen, rekening houdend met de waarde van het uitgevoerde werk minus de herstelkosten. Daarnaast mocht de aannemer een tegenvordering verrekenen voor meerwerk dat was uitgevoerd en waarvoor de opdrachtgever nog niet had betaald.

De aannemer werd veroordeeld tot betaling van € 9.025,37 aan de opdrachtgever, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 september 2024, en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De overige vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: De aannemer moet € 9.025,37 terugbetalen aan de opdrachtgever, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer:
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf 1] ,
te [plaats 2] (België ),
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[gedaagde] heeft op basis van een aanneemovereenkomst werkzaamheden uitgevoerd aan het dak van de woning van [eiser] . Volgens [eiser] heeft [gedaagde] het werk niet afgemaakt en zijn er allerlei gebreken die [gedaagde] ondanks het verzoek daartoe niet heeft hersteld. Daarom heeft zij de overeenkomst ontbonden en vordert zij volledige terugbetaling van wat zij al heeft betaald. [gedaagde] is van mening dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om alles op te lossen en dat er maar weinig mankeerde aan het dak. Hij betwist dat hij alles terug moet betalen.
De kantonrechter oordeelt dat [eiser] de overeenkomst mocht ontbinden en dat [gedaagde] [eiser] een deel van het door haar betaalde bedrag moet terugbetalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 4 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
- Vanwege een lekkage aan het dak van haar woning heeft [eiser] aan [gedaagde] gevraagd om haar dak te herstellen. Op dat moment had een andere aannemer een draagmuur onder het dak verwijderd. [gedaagde] heeft een offerte gemaakt voor de uit te voeren werkzaamheden voor een totaalbedrag van € 33.235,31, gedateerd op 3 juni 2023. [eiser] is met deze offerte akkoord gegaan. In de offerte zijn onder andere kosten opgenomen voor het vervangen van de dakpannen, nokpannen en nokvorsten, en voor het vervangen van het dakbeschot waarbij een underlayment watervast verlijmd van 18mm staat vermeld.
- [gedaagde] heeft in het najaar van 2023 werkzaamheden aan het dak uitgevoerd.
- [eiser] heeft drie betalingen gedaan met een totaalbedrag van € 19.970,59:
- op 4 augustus 2023 een bedrag van € 6.500,00
- op 31 oktober 2023 een bedrag van € 3.470,59
- op 15 november 2023 een bedrag van € 10.000,00
- Op enig moment omstreeks november 2023 heeft [eiser] de werkzaamheden stilgelegd, omdat zij twijfelde aan de veiligheid van het dak. Op 30 november 2023 heeft [gedaagde] in verband daarmee per WhatsAppbericht laten weten dat hij in afwachting was van de inspectie die [eiser] zou laten uitvoeren en dat hij wilde weten wat hij met het dak moest doen. Dezelfde dag heeft [eiser] laten weten dat zij nog in afwachting was van het oordeel van de inspectie.
- Op 3 februari 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] een brief gestuurd met als titel ‘ingebrekestelling’, waarin zij hem heeft geïnformeerd over nog niet afgemaakte werkzaamheden en gebreken aan het dak. [plaats 2] specifiek schreef [eiser] , samengevat, onder andere dat:
- het dakbeschot slechts 12mm of 15mm dik is, terwijl dit 18mm had moeten zijn volgens de offerte,
- OSB-platen zijn aangebracht in plaats van watervast underlayment,
- er een behoorlijke knik zit aan de voorzijde van het dak en er een knik in het plafond zit,
- de afstand tussen de tengels op zolder niet voldoen aan de voorschriften, en dat tengels er dwars overheen de norm is,
- de aangebrachte dampwerende folie, wat nog niet volledig is aangebracht, niet voldoet;
- dat dat het lood rondom de schoorsteen nog niet is vervangen, en dat overige werken uit de offerte nog niet zijn uitgevoerd.
- Zij verzocht [gedaagde] om een oplossing en gaf aan twee mogelijkheden te zien: hetzij dat [gedaagde] € 15.000,00 terug zou betalen, hetzij dat [gedaagde] de werkzaamheden deugdelijk zou herstellen met de juiste materialen en volgens de geldende regels van goed vakmanschap.
- Op 19 april 2024 heeft [eiser] per brief aan [gedaagde] bevestigd dat afgesproken was dat [gedaagde] in de tweede week van juli de werkzaamheden zou uitvoeren. Zij uitte daarin haar zorgen over de situatie aan het dak op dat moment. Ook schreef zij in de brief
“Ik wil graag ander isolatiemateriaal dan dat jij hebt gekocht. Ik zal dat zelf aanschaffen maar vraag aan jou om dit te gebruiken i.p.v. het andere materiaal”.Tot slot wilde zij graag voorbespreken met [gedaagde] hoe hij alles wilde aanpakken.
- Op 28 mei 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] per SMS aan [gedaagde] gevraagd om op 8 juni een voorbespreking te kunnen doen, met een herinnering op 31 mei 2024. Op 16 juni 2024 heeft [gedaagde] de gemachtigde van [eiser] een SMS-bericht gestuurd waarin hij aangeeft dat hij heeft gezien dat de gemachtigde hem probeerde te bereiken, maar dat hij de komende 1 tot 1½ jaar niet beschikbaar is. De gemachtigde van [eiser] heeft begin juli 2024 laten weten dat dit te lang gaat duren en dat er lekkage is die opgelost moet worden. [gedaagde] heeft op enig moment laten weten dat het bericht dat hij 1 tot 1½ jaar niet beschikbaar was, niet voor de gemachtigde van [eiser] bedoeld was.
- Op 4 september 2024 heeft [eiser] via haar gemachtigde een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij onder andere de overeenkomst integraal ontbond en terugbetaling vorderde op grond van artikel 6:271 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Daarnaast heeft zij [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde] .
- [gedaagde] heeft hierop per e-mail gereageerd en op 4 september 2024 per SMS een voorstel gedaan, voor een oplossing, ook in verband met het nog openstaande bedrag.
- Op 26 september 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] bevestigd dat de overeenkomst ontbonden is en blijft.
- Op 15 oktober 2024 heeft [gedaagde] hierop per brief gereageerd. In deze brief gaf hij onder andere aan dat alle werkzaamheden waren nagekomen, dat [eiser] andere isolatie wilde nadat hij al isolatie had geplaatst en zij dit zou betalen, maar dat niet heeft gedaan en ook verder nog niet alles heeft betaald. Hij zou daarom nog geld moeten krijgen van [eiser] .
- Op 10 januari 2025 heeft [eiser] een brief gestuurd aan [gedaagde] waarin zij schreef:
De gebreken van het dak zijn nu door een andere aannemer (min of [plaats 2] ) opgelost:
- Het dakbeschot is om de 40cm ondersteund. Hierdoor wordt een juiste stevigheid verkregen en is het doorzakken opgelost. Kosten € 4.553,30,-
Het gehele dak eraf halen zou veel [plaats 2] gaan kosten.
- Pannen zijn niet goed gelegd :
- Kantpannen aan de achterzijde zijn niet nieuw.
- Dampfolie was kapot getrapt.
- Pannen zijn niet goed gelegd. Het geheel komt niet goed uit.
Kosten : € 3.951,-
[eiser] stelde voor dat [gedaagde] voor deze zaken een afgerond bedrag zou betalen van € 10.000,00 en in verband met de ontbinding een bedrag van € 10.000,00. Als bijlage heeft zij een specificatie van de werkzaamheden en kosten van de derde mee gestuurd.
- Op 13 februari 2025 heeft [eiser] een brief aan [gedaagde] gestuurd met een rapport van [bedrijf 2] (onderdeel van de [bedrijf 3]) van 5 februari 2025. De inspecteur heeft in het rapport opgenomen welke herstelwerkzaamheden nodig zijn en begroot de kosten daarvan op een bedrag van € 25.894,00 inclusief BTW. In de brief heeft de gemachtigde van [eiser] nog een keer het schikkingsvoorstel gedaan.
- Omdat [gedaagde] hierop niet reageerde, stuurde [eiser] via een nieuwe gemachtigde op 8 mei 2025 een aanmaning waarin [gedaagde] werd verzocht om een voorstel te doen voor een afbetalingsregeling aan [eiser] .
- Dezelfde dag reageerde [gedaagde] per e-mailbericht aan deze gemachtigde van [eiser] dat hij ernstige bezwaren had tegen het rapport. Naar zijn mening bevatte het rapport onjuiste informatie die niet overeenkomt met de feitelijke situatie. Ook kondigde [gedaagde] aan dat hij nog facturen zou sturen voor de openstaande kosten.
- Op 12 mei 2025 kondigde de gemachtigde van [eiser] per brief aan [gedaagde] de dagvaarding aan.
- Dezelfde dag reageerde [gedaagde] per e-mail dat sprake was van onjuistheden en onwaarheden en dat [eiser] bestaande gebreken ten onrechte op hem wilde verhalen. [gedaagde] heeft niet betaald.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van
I. de verschuldigde hoofdsom van € 19.970,59 primair uit hoofde van artikel 6:271 BW Pro, subsidiair op grond van wanprestatie ex artikel 6:74 lid 1 BW Pro en sub-subsidiair op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 lid 2 jo Pro 6:96 lid 4 BW;
II. een algehele schadeloosstelling voor noodzakelijk gemaakte buitengerechtelijke onkosten door de gemachtigden van [eiser] ter hoogte van een bedrag van € 697,36 en € 4.071,83;
III. de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW Pro, namelijk over € 6.500,00 sedert 4 augustus 2023, over € 3.470,59 sedert 31 oktober 2023 en over € 10.000,00 sedert 15 november 2023 tot de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de absolute competentiegrens van de kantonrechter niet zal worden overschreden, waarbij zij afstand doet van het meerdere aan gevorderde wettelijke verschuldigde rente tot € 25.000,00;
4.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
[gedaagde] woont in België. Daarmee heeft deze zaak een internationaal karakter. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van de zaak, en welk recht van toepassing is.
5.2.
De werkzaamheden zijn uitgevoerd in [plaats 1] . Dit betekent dat de verbintenis is uitgevoerd in Nederland. Op grond van artikel 7 lid 1 van Pro de Brussel I-bis Verordening is de Nederlandse rechter daarom bevoegd.
5.3.
Vervolgens is de vraag welk recht van toepassing is. De overeenkomst wordt op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro I Verordening beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. Omdat [gedaagde] de dakwerkzaamheden moest verrichten, is hij degene die de kenmerkende prestatie moest uitvoeren. Bepalend is waar hij woonde op het moment van het totstandkomen van de overeenkomst. Omdat [gedaagde] , zoals ook blijkt uit de offerte, op dat moment nog in [plaats 1] woonde is het Nederlands recht van toepassing.
Beoordeling van de ontbinding
5.4.
[eiser] vordert betaling van een hoofdsom van € 19.970,59. Dit is het totaalbedrag dat [eiser] al aan [gedaagde] had betaald op grond van de aanneemovereenkomst en de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden. [eiser] beroept zich voor de terugbetaling van dit bedrag primair op artikel 6:271 BW Pro, omdat zij de overeenkomst heeft ontbonden. Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij (1) het werk niet heeft afgemaakt en (2) fouten heeft gemaakt, onder meer door voor het dakbeschot OSB-platen van 12 mm in plaats van 18 mm te gebruiken en het doorzakken van het dak. Ter onderbouwing van de gebreken heeft [eiser] een rapport van een deskundige overgelegd. Deze concludeert dat voor een bedrag van € 25.894,00 aan vervanging, herstel, herleggen, aanpassingen en reparaties van het dak nodig is. Daarnaast voert [eiser] aan dat zij [gedaagde] meerdere keren de gelegenheid heeft gegeven om het werk te herstellen en af te maken, maar dat [gedaagde] dat ondanks diverse aanmaningen niet heeft gedaan, zodat sprake is van verzuim. Subsidiair beroept zij zich voor de vergoeding van de schade op artikel 6:74 BW Pro en meer subsidiair op onrechtmatig handelen door [gedaagde] .
5.5.
[gedaagde] heeft betwist dat hij toerekenbaar tekort is geschoten. Het dak hing al door voordat hij de werkzaamheden begon, doordat een eerdere aannemer een draagmuur had verwijderd. Hij heeft [eiser] juist geadviseerd om een bouwkundige in te schakelen om te berekenen of het dak stevig genoeg was. [gedaagde] erkent wel dat afgesproken was dat hij een constructie zou maken om het dak op te vangen. Het klopt dat hij OSB-platen met een dikte van 12 mm in plaats van 18 mm heeft toegepast, maar dat was volgens hem mondeling afgesproken. Voor de besparing op deze goedkopere platen, zou hij andere werkzaamheden uitvoeren, zoals het herstellen van een plafond. Omdat er inmiddels diverse andere mensen met het dak bezig zijn gegaan, betwist [gedaagde] dat de beschadigingen door hem zijn veroorzaakt. Toen [gedaagde] klaar was met het dak, was het dak netjes volgens hem. Er waren nog wel wat afwerkpunten, maar daar was hij nog niet aan toegekomen en die kon hij ook niet meer afwerken, omdat [eiser] de overeenkomst al had ontbonden.
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten
5.6.
[eiser] heeft verschillende kwalificaties gegeven aan de schriftelijke overeenkomst die zij met [gedaagde] heeft gesloten. Vast staat dat [gedaagde] een (grotendeels) nieuw dak moest maken. Daarmee is sprake van het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard zoals bedoeld in artikel 7:750 BW Pro. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat partijen een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten. Naast deze schriftelijke overeenkomst, hebben partijen ook mondelinge afspraken gemaakt.
5.7.
De ontbinding waar [eiser] zich op beroept, is geregeld in artikel 6:265 BW Pro. Uit dat artikel volgt dat [eiser] het recht heeft de overeenkomst te ontbinden als [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, tenzij de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Als [gedaagde] van mening is dat ontbinding niet gerechtvaardigd is, moet hij dat onderbouwen. Ook geldt de eis dat [gedaagde] in verzuim moet zijn (voldoende gelegenheid heeft gekregen om te herstellen), tenzij nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op grond van de volgende overwegingen.
Er is sprake van een tekortkoming
5.8.
Vast staat dat [eiser] in november 2023 aan [gedaagde] heeft laten weten dat zij twijfels had over de sterkte van het door hem gerealiseerde dak en dat hij in verband daarmee moest stoppen met de werkzaamheden. Nadat diverse andere aannemers de werkzaamheden hadden bekeken, heeft [eiser] begin februari 2024 [gedaagde] schriftelijk op de hoogte gesteld van de gebreken die er volgens haar waren, met het verzoek deze gebreken te herstellen en het werk af te maken.
De gebreken heeft [eiser] verder onderbouwd met een rapport van een deskundige van de [bedrijf 3]. Daarin staan diverse punten die niet of niet goed door [gedaagde] zijn uitgevoerd. [gedaagde] heeft een deel daarvan erkend. In ieder geval heeft hij erkend zijn werkzaamheden niet te hebben afgemaakt. Vast staat verder dat sprake is van een constructief gebrek, omdat er (nog) geen adequate opvang is voor de verwijderde draagmuur, terwijl [gedaagde] daar wel voor zou zorgen. Ook staat vast dat [gedaagde] OSB-platen van een andere dikte heeft toegepast dan opgenomen in de offerte. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat mondeling nader is afgesproken 12 mm-platen te plaatsen, maar [eiser] heeft dit betwist. [gedaagde] heeft deze afspraak niet nader onderbouwd, zodat daarvan niet, althans onvoldoende blijkt. Dat betekent dat [gedaagde] op meerdere punten tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst, zodat ontbinding gerechtvaardigd was. Overigens heeft [gedaagde] niet aangevoerd dat ontbinding niet gerechtvaardigd zou zijn.
Er is sprake van verzuim
5.9.
[gedaagde] heeft vervolgens betwist dat hij in verzuim is. [gedaagde] is van mening dat hij onvoldoende gelegenheid tot herstel en het afmaken van het werk heeft gekregen. Volgens hem waren partijen nog aan het wachten op de uitkomst van een onderzoek toen [eiser] de overeenkomst ontbond.
5.10.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen na de ingebrekestelling van [eiser] van februari 2024 in overleg hebben afgesproken dat [gedaagde] in juli 2024 de rest van de werkzaamheden zou uitvoeren. Die afspraak is [gedaagde] niet nagekomen. Ook daarna heeft hij geen werkzaamheden meer uitgevoerd. Weliswaar heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij vanwege problemen met zijn knie enige tijd niet kon werken, maar dit komt in beginsel voor zijn rekening en risico als aannemer. Bovendien blijkt niet dat hij hierover contact heeft gehad met [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat in redelijkheid van [eiser] niet verwacht hoefde te worden dat zij nog langer zou wachten tot [gedaagde] herstel zou uitvoeren. Ook was het niet aan haar nader onderzoek te laten verrichten naar de oorzaken of oplossingen voor het doorzakken van het dak. Afgesproken was immers dat [gedaagde] die zou oplossen. Hij heeft ook verklaard dit te kunnen en dat hij bijna zover was met zijn werkzaamheden, tot alles werd stilgelegd. Dat hij er niet gerust op was dat [eiser] niet weer zou protesteren, betekent niet dat zij daarom eerst een onderzoek moet laten verrichten voordat hij zijn werk afmaakt. Dat betekent dat [gedaagde] in verzuim was op het moment dat [eiser] de overeenkomst ontbond.
Er moet een waardevergoeding worden bepaald
5.11.
Volgens artikel 6:271 BW Pro bevrijdt een ontbinding de partijen van de verbintenissen waarop de ontbinding betrekking heeft. Is al (gedeeltelijk) nagekomen dan ontstaat daardoor een ongedaanmakingsverbintenis. Dat betekent enerzijds dat de betaling die [eiser] heeft gedaan, terugbetaald moet worden. Anderzijds moet het uitgevoerde werk ongedaan worden gemaakt. De aard van die prestatie op grond van de aannemingsovereenkomst sluit echter uit dat die ongedaan wordt gemaakt. In dat geval (artikel 6:272 BW Pro) komt daarvoor in de plaats een vergoeding ter hoogte van de waarde van de prestatie op het tijdstip dat [eiser] die heeft ontvangen. Omdat de prestatie gebrekkig is, gaat het om de waarde die de prestatie voor [eiser] op dat moment in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad.
5.12.
De waarde van de werkzaamheden kan worden bepaald door de aanneemsom te verminderen met de bedragen die begroot zijn voor niet uitgevoerde werkzaamheden en het herstel van de vastgestelde tekortkomingen. Daarbij gaat de kantonrechter uit van de gespecificeerde posten op de aanneemovereenkomst, de beoordeling van de gebreken en daarbij begrote herstelkosten in het rapport van de deskundige van de [bedrijf 3] en de stellingen van partijen in verband daarmee. Dat het werk van [gedaagde] in het geheel geen waarde had, zodat [eiser] niets hoeft te betalen, valt in ieder geval niet in te zien.
5.13.
Partijen zijn een aanneemsom overeenkomen van € 27.467,20 exclusief btw, zijnde € 33.235,31 inclusief btw. Voor zover sprake is van meerwerk, wordt daarop later nog teruggekomen.
5.14.
Van de op de overeenkomst opgenomen posten staat vast dat niet is uitgevoerd ‘dak garage en of keuken’ voor een bedrag van € 2.300,00 en ‘vervangen lood in schoorsteen’ voor een bedrag van € 1.567,00. Dat betekent dat voor een bedrag van € 3.867,00 aan werkzaamheden niet is uitgevoerd en vanwege de ontbinding ook niet hoeft te worden uitgevoerd of betaald. Dit bedrag hoeft dan ook niet te worden betaald en moet in mindering worden gebracht op de aanneemsom. Als uitgangspunt voor de waarde geldt daarmee een bedrag van € 23.600,20 exclusief btw.
5.15.
Vanwege de gebreken, moeten de volgende bedragen op de waarde in mindering worden gebracht:
-
Dakpannen vervangen
De deskundige heeft aangegeven dat de dakpannen opnieuw moeten worden gelegd. Daarvoor heeft hij een bedrag opgenomen van € 3.000,00. [gedaagde] heeft betwist dat dit nodig is, omdat op het moment dat hij het werk achterliet, het dak netjes was. Daarvan heeft hij een foto overgelegd. Hoewel op die foto de dakpannen er inderdaad netjes bijliggen, is dat op de foto’s in het rapport van de deskundige [verder: het rapport] niet zo. Daarbij blijkt uit het rapport dat [gedaagde] de constructie van het dak niet zo heeft gemaakt, dat daarmee de draagfunctie van de verwijderde draagmuur voldoende werd opgevangen. [gedaagde] heeft ook erkend dat hij nog niet klaar was met de versteviging van de dakconstructie. Volgens de deskundige is hierdoor het dak (weer) doorgezakt en liggen de dakpannen niet meer goed. Dit heeft [gedaagde] niet gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Dat betekent dat een bedrag van € 3.000,00 van de waarde moet worden afgetrokken.
-
Nokpannen/nokvorsten vervangen
De deskundige heeft aangegeven dat de nokpannen opnieuw moeten worden gelegd. Daarvoor heeft hij een bedrag opgenomen van € 1.500,00. Voor de beoordeling van dit punt geldt hetzelfde als bij de dakpannen. Daarom zal dit bedrag van € 1.500,00 van de waarde worden afgetrokken. De nokpannen kunnen wel worden hergebruikt.
-
Kantpannen vervangen
Op dit punt heeft de deskundige aangegeven dat voor een bedrag van € 800,00 aan nieuwe kantpannen moeten worden geplaatst. Dit is niet betwist, zodat dit bedrag moet worden afgetrokken.
-
Vervangen dakbeschot
Vast staat dat [gedaagde] geen dakbeschotplaten van 18 mm heeft toegepast zoals afgesproken, maar dakbeschotplaten van 12 mm. Niet blijkt dat deze platen nog daadwerkelijk van waarde zijn voor [eiser] , zodat de waarde op nihil wordt gesteld. Het hiervoor in de aanneemsom opgenomen bedrag van € 3.383,56 moet daarom in mindering worden gebracht op het te betalen bedrag.
-
Dampwerende folie
De deskundige is van oordeel dat een bedrag van € 1.200,00 nodig is voor het repareren of vervangen van beschadigde folie. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat de folie door hem is beschadigd, althans nog niet volledig juist was aangebracht. Omdat het bedrag aan herstelkosten hoger is dan het oorspronkelijk begrote bedrag, moet ervan worden uitgegaan dat op dit punt sprake is van werkelijke waarde van nihil. Het oorspronkelijk begrote bedrag van € 534,00 moet daarom worden afgetrokken.
Samenvattend geldt de volgende waardevermindering:
  • Dakpannen vervangen € 3.000,00
  • Nokpannen/nokvorsten vervangen € 1.500,00
  • Kantpannen vervangen € 800,00
  • Vervangen dakbeschot € 3.383,56
  • Dampwerende folie € 534,00
Dit is een totale waardevermindering van € 9.217,56 op de overeengekomen werkzaamheden.
5.16.
Daarnaast hadden partijen de afspraak gemaakt dat [gedaagde] ervoor zou zorgen dat hij de dakconstructie zo zou maken, dat deze de draagkracht van de verwijderde draagmuur zou opvangen. Er is hiervoor echter geen specifieke post opgenomen in de overeenkomst. Ook blijkt niet onder welke posten hiermee rekening is gehouden.
De deskundige heeft vastgesteld dat het dak constructief niet voldoet. In het rapport staat:
“ - Verwijdering van een dragende muur/balk zonder adequate opvang
-
Doorbuiging in het dakbeschot”
In zijn begroting heeft de deskundige daarbij twee posten opgenomen:
“ - Constructieve aanpassing voor verwijderde muur/balk € 5.000,00
-
Verstevigen doorgebogen dakconstructie € 2.500,00”
[gedaagde] heeft betwist dat ingrijpende maatregelen nodig zouden zijn om de constructie voldoende draagkrachtig te maken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij daarbij toegelicht dat hij al draagbalken had aangebracht. Er hoefden alleen nog extra ravelingen aangebracht te worden volgens hem.
De kantonrechter kan op basis van de aangedragen feiten en omstandigheden niet vaststellen welke werkzaamheden (nog) nodig waren voor de dakconstructie en ook niet welke werkzaamheden nodig zijn. Dat neemt niet weg dat [gedaagde] heeft erkend dat hij zou zorgen voor een voldoende draagkrachtige draagconstructie, terwijl vast staat dat die nu niet aanwezig is. [eiser] mocht er naar het oordeel van de kantonrechter wel vanuit gaan dat een voldoende draagconstructie binnen de aanneemsom gerealiseerd zou worden. Dat alles inmiddels nog opgelost kan worden met het aanbrengen van extra ravelingen, ligt niet voor de hand. Dit blijkt in ieder geval niet uit het deskundigenrapport en nu het dak inmiddels in ingezakt, zal dit opnieuw moeten worden opgebouwd. Op grond daarvan is de kantonrechter van oordeel dat op dit punt een waardevermindering moet worden toegepast van € 7.500,00.
5.17.
Daarmee stelt de kantonrechter de werkelijke waarde van het uitgevoerde aangenomen werk als volgt vast:
Aanneemsom minus niet uitgevoerd werk € 23.600,20
Waardevermindering gebreken algemeen € 9.217,56 –
Waardevermindering dakconstructie
€ 7.500,00 –
Subtotaal € 6.882,64 exclusief btw
21% btw
€ 1.445,35 +
Totaal € 8.327,99 inclusief btw
5.18.
[eiser] had in totaal al een bedrag betaald van € 19.970,59. Dit bedrag moet [gedaagde] vanwege de ontbinding terugbetalen, onder aftrek van de werkelijke waarde die het door hem uitgevoerde werk voor [eiser] heeft, zijnde het bedrag van € 8.327,99. Dat betekent dat [gedaagde] [eiser] een bedrag van € 11.642,60 moet terugbetalen, zodat dit bedrag in beginsel kan worden toegewezen.
5.19.
[gedaagde] heeft echter nog het verweer gevoerd dat hij meerwerk heeft uitgevoerd waarvoor [eiser] nog een bedrag van € 10.318,88 moet betalen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing daarvan een factuur overgelegd, gedateerd op 10 mei 2025. Daarop staan de volgende posten:
Plaatsen en leveren Velux dakraam
Heraansluiten CV rookdoorvoer
Verwijderen waterafvoer van CV uit dakgoot
Dak verzwaard balkenconstructie
Afvoer puin achtergelaten door vorige aannemer
Verwijderen van stroom uit verwijderde tussenmuur
Extra kosten isolatie + verwijderen & opnieuw aanbrengen + gips
Goten schoonmaken garage en keuken
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] hiermee een beroep doet op verrekening. Bij een beroep op verrekening is van belang dat op eenvoudige wijze moet zijn vast te stellen dat [gedaagde] nog een tegenvordering heeft op [eiser] (artikel 6:136 BW Pro).
5.20.
Er is tussen partijen geen schriftelijke overeenkomst voor het uitvoeren van meerwerk. Dat neemt niet weg dat als vast komt te staan dat de extra werkzaamheden zijn uitgevoerd en [eiser] uit zichzelf had moeten begrijpen dat daaraan kosten waren verbonden, [eiser] verplicht is om de redelijke kosten hiervoor te betalen. [1]
5.21.
Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt voldoende dat voor de posten 1 tot en met 3 werkzaamheden zijn uitgevoerd door [gedaagde] en dat het voor [eiser] duidelijk was dat zij hiervoor moest betalen. Zo is op diverse foto’s te zien dat een dakraam is gemaakt en staat ook in het rapport van de [bedrijf 3] BV dat een dakraam is aangebracht. Dat geldt ook voor de CV-werkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn niet opgenomen in de offerte en dus niet oorspronkelijk overeengekomen. Uiteraard moet hier dan nog voor betaald worden. Weliswaar heeft [eiser] geklaagd dat [gedaagde] geen nieuwe waterafvoer van de CV heeft gerealiseerd, maar dit brengt [gedaagde] ook niet in rekening.
5.22.
De posten 4 en 5 staan op de schriftelijke overeenkomst. Niet blijkt waarom hier sprake is van meerwerk. Dat heeft [gedaagde] verder ook niet onderbouwd. Die onderbouwing ontbreek ook voor de posten 6 en 8.
5.23.
In verband met post 7 ‘extra kosten isolatie + verwijderen & opnieuw aanbrengen + gips’ heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [eiser] de isolatie opnieuw wilde laten doen en dat zij de kosten voor het isolatiemateriaal zou betalen, terwijl [gedaagde] dit materiaal ook al had aangeschaft. Dit strookt echter niet met de e-mail van [eiser] van 19 april 2024 – waarna geen werkzaamheden meer zijn uitgevoerd door [gedaagde] – waarin [eiser] schrijft dat ze graag ander isolatiemateriaal wil dan door [gedaagde] gekocht en dat zij dit zelf zal aanschaffen. Dit betekent dat de gegrondheid van dit beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en dus niet slaagt.
Op grond daarvan moet voor de vordering van [gedaagde] van het volgende worden uitgegaan:
  • Dakraam € 1.533,00
  • Heraansluiten CV rookdoorvoer € 365,00
  • Verwijderen waterafvoer CV
Totaal € 2.163,00 exclusief btw
[eiser] heeft niet betwist dat zij voor deze werkzaamheden nog niet heeft betaald. Daarmee staat vast dat [gedaagde] op dit punt nog een vordering heeft op [eiser] voor een bedrag van € 2.163,00, zijnde € 2.617,23inclusief btw. Dit bedrag mag [gedaagde] daarom verrekenen met het bedrag dat hij aan [eiser] moet betalen.
[gedaagde] moet aan [eiser] een bedrag van € 9.025,37 betalen
5.24.
Op grond van deze overwegingen oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] na verrekening van zijn vordering nog een bedrag moet betalen aan [eiser] van (€ 11.642,60 - € 2.617,23=) € 9.025,37, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
5.25.
Doordat [eiser] haar vordering primair heeft gebaseerd op de ontbinding van de overeenkomst en de ontbinding stand houdt, komt de kantonechter niet meer toe aan een beoordeling van de vordering op grond van de ( meer )subsidiaire grondslagen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat het vorderen van vervangende schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW Pro na ontbinding ook niet mogelijk is. Deze schadevergoeding is namelijk een vervanging van de oorspronkelijke verbintenis om een prestatie te leveren (in dit geval: het dak te realiseren). Door de ontbinding geldt die oorspronkelijke verbintenis echter niet meer . Daarom kan die ook niet meer omgezet worden.
5.26.
[eiser] heeft ter zitting nog aangegeven zich er zorgen over te maken dat zij onvoldoende geld zal hebben om haar dak te laten herstellen, wanneer haar volledige vordering niet wordt toegewezen. De kantonrechter merkt hier ten overvloede nog op dat [eiser] [gedaagde] , als alle werkzaamheden waren afgerond en goed waren uitgevoerd, het totale bedrag van € 33.235,31 had moeten betalen. Zij hoeft hem nu maar een gedeelte hiervan te betalen, namelijk € 8.327,99 (het meerwerk hierbij buiten beschouwing gelaten). Dat betekent dat zij het bedrag van € 24.907,32 ‘overhoudt’ voor de benodigde afrondende en herstelwerkzaamheden. Dit komt nagenoeg overeen met het door de deskundige genoemde bedrag.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
5.27.
[eiser] vordert de wettelijke rente over de door haar betaalde bedragen vanaf het moment dat zij deze bedragen aan [gedaagde] betaalde. De terugbetalingsverplichting van [gedaagde] als gevolg van de ontbinding is echter pas ontstaan op het moment dat [eiser] de overeenkomst had ontbonden en terugbetaling van het door haar betaalde bedrag vorderde. Dat was in haar brief van 3 september 2024. Daarin was een betalingstermijn van 7 dagen gegeven. [gedaagde] heeft niet binnen die termijn betaald, zodat hij vanaf 11 september 2024 in verzuim was. Vanaf dat moment is hij rente verschuldigd. De rente zal daarom vanaf die datum worden toegewezen.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke kosten en proceskosten betalen
5.28.
[eiser] vordert een vergoeding voor alle door haar gemaakte (buiten-) gerechtelijke onkosten voor noodzakelijke juridische rechtsbijstand, omdat [gedaagde] volgens haar onrechtmatig heeft gehandeld. Daarbij voert zij aan dat [gedaagde] geen juridische bijstand heeft ingeschakeld, tijd heeft gerekt en geen medewerking heeft verleend om vrij eenvoudige zaken af te wikkelen, waardoor [eiser] extra onkosten heeft moeten maken. Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter echter onvoldoende om aangemerkt te worden als onrechtmatig handelen. Daarom zal de kantonrechter een volledige kostenvergoeding afwijzen.
Buitengerechtelijke kosten
5.29.
Daarom moet de vordering tot vergoeding van incassokosten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal op basis van het Besluit een bedrag van € 999,78 worden toegewezen.
Proceskosten
5.30.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij geldt dat als vergoeding van verschotten BRP niet meer wordt toegekend dan het in dit geval redelijke en gebruikelijke forfaitaire bedrag van € 4,33, waarover ook 21% btw wordt toegewezen. De gevorderde kosten van € 165,00 voor dagvaarding België zullen worden afgewezen, omdat niet, dan wel onvoldoende is onderbouwd waarom deze kosten noodzakelijk waren en niet kan worden vastgesteld dat deze kosten voor rekening van gedaagde dienen te komen. Omdat slechts een gedeelte van de gevorderde hoofdsom wordt toegewezen, zal het gemachtigdensalaris op basis van het toe te wijzen bedrag worden berekend.
De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding en betekening in België
349,36
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
360,00
(1 punt × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
943,36

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot terugbetaling aan [eiser] van een bedrag van € 9.025,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 11 september 2024 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 999,78 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 943,36, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:755 BW Pro.