De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 29 mei 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van opzetverkrachting en opzetaanranding van aangeefster met gebruik van dwang, geweld en bedreiging. Verdachte was niet aanwezig, zijn raadsman wel. De officier van justitie achtte de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen, terwijl de verdediging betoogde dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van aangeefster inconsistenties bevatten.
De rechtbank stelde vast dat er wettig bewijs was, waaronder DNA van aangeefster op de onderzijde van de linkerhand van verdachte, verklaringen van getuigen over de gemoedstoestand van aangeefster en het proces-verbaal van bevindingen. Echter, het DNA-spoor was beperkt en er werd geen DNA van verdachte op het lichaam van aangeefster aangetroffen, wat verwacht zou worden bij de gestelde seksuele handelingen. Ook het mes dat in de kamer van verdachte werd aangetroffen bood onvoldoende steun.
Verder was er geen nader onderzoek verricht naar de bedreigingen via Google Translate, wat mogelijk relevante informatie had kunnen opleveren. Gezien deze omstandigheden kon de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar schadevordering van €5.500. De kosten van verdachte werden begroot op nihil.