ECLI:NL:RBZWB:2026:5021

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
11534603 \ CV EXPL 25-661
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 lid 1 BWArt. 7:203 BWArt. 7:230a BWArt. 6:262 lid 1 BWArt. 6:83 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurgeschil paardenstallen met onrechtmatig retentierecht en reputatieschade

Een ondernemer die paarden traint huurde vanaf september 2024 twaalf paardenstallen van een vennootschap onder firma (de V.O.F.) met een optie tot uitbreiding. Kort na aanvang meldde zij wegens gezondheidsklachten haar activiteiten te willen beperken en minder stallen te huren. De verhuurder stemde hier niet mee in, waarop de ondernemer de huurovereenkomst opzegde per eind 2024.

Na een incident waarbij een werknemer van de ondernemer werd geweigerd op het terrein, verslechterden de verhoudingen. De verhuurder oefende het retentierecht uit om betaling van huur over de opzegtermijn af te dwingen, terwijl de ondernemer stelde dat dit onterecht was. De ondernemer betaalde onder dwang de huur, maar eiste deze terug samen met de waarborgsom, loonkosten van de geweigerde werknemer, inkomstenderving en een schadevergoeding wegens aantasting van haar eer en goede naam.

De rechtbank oordeelde dat de verhuurder het retentierecht ten onrechte had ingeroepen omdat er geen sprake was van wanbetaling. De verhuurder had de ondernemer en haar personeel niet volledig toegang verleend, wat een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst vormde. De verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van een groot deel van de betaalde huur, de waarborgsom minus een klein bedrag, de loonkosten van de geweigerde werknemer, een schadevergoeding van €1.000 wegens reputatieschade en de buitengerechtelijke incassokosten.

De tegenvorderingen van de verhuurder wegens schade aan de stallen en een uitingsverbod tegen de ondernemer werden afgewezen. De rechtbank vond het uitingsverbod te breed en onvoldoende onderbouwd. De uitspraak werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van huur, waarborgsom, loonkosten en schadevergoeding wegens onrechtmatig retentierecht en reputatieschade; tegenvorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11534603 \ CV EXPL 25-661
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[partij]
handelend onder de naam [bedrijf]
wonende te [plaats 1]
eisende partij in conventie
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: [partij]
gemachtigde: mr. F. Smitshoek
tegen
vennootschap onder firma
[de V.O.F.]
gevestigd te [plaats 2]
gedaagde partij in conventie
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: [de V.O.F.]
gemachtigde: mr. R.P. van den Broek
De zaak in het kort
[partij] houdt voor zichzelf en voor derden paarden die zij beroepsmatig traint. Daarnaast plaatst zij regelmatig vlogs over haar activiteiten op verschillende sociale mediaplatforms. In het najaar van 2024 heeft [partij] stalruimte gehuurd bij [de V.O.F.] . Zij had een optie om tot 18 stallen uit te breiden maar al spoedig meldde zij dat zij wegens gezondheidsklachten haar activiteiten wilde beperken. Uiteindelijk heeft zij de huur opgezegd. Nadien zijn als gevolg van een incident de verhoudingen tussen partijen verslechterd. Op enig moment weigerde [de V.O.F.] om nog langer toegang te verlenen aan een werknemer van [partij] . Kort nadien heeft [de V.O.F.] het in de huurovereenkomst vastgelegde retentierecht ingeroepen. Zij vreesde dat [partij] de huur over de opzeg-termijn van twee maanden niet zou voldoen. Om haar paarden en die van haar klanten weg te kunnen halen heeft [partij] de huur betaald. [partij] vordert dit bedrag terug, evenals de waarborgsom, het loon dat zij aan haar geweigerde werknemer heeft betaald, een vergoeding wegens inkomstenderving en een schadevergoeding wegens smaad en laster. [de V.O.F.] stelt daar onder andere tegenover dat
[partij] de huur verschuldigd was en dat zij meer schade aan het gehuurde heeft toegebracht dan het bedrag van de waarborgsom groot is. Op haar beurt vordert [de V.O.F.] een vergoeding voor toegebrachte materiële schade en dat het [partij] op straffe van een dwangsom wordt verboden om [de V.O.F.] en een van haar vennoten te betichten van bepaalde gedragingen en om [partij] te gelasten al haar uitingen terzake te verwijderen.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [partij] grotendeels toe. De vorderingen van [de V.O.F.] worden afgewezen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 mei 2025;
- de mondelinge behandeling ter zitting van 3 september 2025, waarvan door de griffier
aantekeningen zijn gemaakt;
- de ter zitting door de beide gemachtigden overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Aan het slot van de mondelinge behandeling werd de procedure voor de duur van een week geschorst om partijen gelegenheid te bieden met betrekking tot (een deel van) hun geschillen alsnog tot een vergelijk te komen. In een e-mail van 10 september 2025 berichtte de gemachtigde van [partij] dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt en werd gevraagd om vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
[partij] drijft in de vorm van een eenmanszaak een onderneming waarmee zij zich toelegt op het trainen van paarden en het geven van paardrijlessen. Daarnaast is zij actief als vlogger op sociale media.
2.2.
[de V.O.F.] exploiteert een pensionbedrijf voor paarden.
2.3.
Partijen hebben met elkaar een overeenkomst gesloten op grond waarvan
[partij] met ingang van 1 september 2024 tegen betaling van pensiongeld stalruimte voor het verblijf van paarden is gaan huren van [de V.O.F.] , waarbij die laatste hooi leverde, divers gereedschap voor gebruik ter beschikking stelde, alsmede een (of twee) weide(s) in gebruik gaf.
2.4.
De afspraken tussen partijen zijn schriftelijk vastgelegd in een zogenoemde pension-stallingsovereenkomst. Op die overeenkomst is het huishoudelijk reglement van [de V.O.F.] van toepassing verklaard.
2.5.
Het per stal verschuldigde pensiongeld bedroeg € 400,00 exclusief btw per maand en diende uiterlijk op de eerste dag van de maand bij vooruitbetaling te worden voldaan.
2.6.
[partij] zou per 1 september 2024 12 stallen huren en had tot 31 december 2024 een optie om nog eens 6 stallen te huren.
2.7.
Volgens de overeenkomst was het [partij] toegestaan om op het terrein van [de V.O.F.] haar bedrijfsactiviteiten uit te oefenen. In enkele van de gehuurde stallen waren paarden van klanten van [partij] geplaatst. [partij] had twee medewerkers die in haar onderneming werkzaam waren.
2.8.
Op 6 oktober 2024 heeft [partij] aan [de V.O.F.] meegedeeld dat zij niet aan de pensionstallingsovereenkomst kon of wilde voldoen en dat zij vanaf 1 november 2024 maximaal 12 stallen wilde huren. [de V.O.F.] heeft dit op 13 oktober 2024 per e-mail bevestigd en aan [partij] het voorstel gedaan om per 1 november (2024) 12 stallen te huren op basis van volpension tegen een tarief van
€ 525,00 exclusief btw per stal per maand. Diezelfde dag reageerde [partij] met de mededeling dat zij, zoals eerder aangegeven, wegens medische redenen wilde afschalen naar (het houden van) 3 of 4 paarden van haarzelf en mogelijk het paard van haar werknemer [persoon 1] Het voorstel van [de V.O.F.] kon zij niet accepteren en zij was genoodzaakt om 8 boxen op te zeggen. Hiermee stemde [de V.O.F.] niet in. Zij wees [partij] er op dat zij aan de huurovereenkomst diende te voldoen, in het bijzonder aan artikel 22.2 waarin kort gezegd is opgenomen dat per 1 september 2024
12 stallen worden gehuurd, dat [partij] de mogelijkheid heeft om uit te breiden naar 18 stallen en dat zij een inspanningsplicht heeft om voor 31 december 2024 alle 18 stallen te vullen. Er is geen mogelijkheid om per stal op te zeggen, aldus [de V.O.F.] . In reactie hierop heeft [partij] op 16 oktober 2024 per
e-mail de overeenkomst opgezegd tegen 31 december 2024.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij] vordert dat [de V.O.F.] wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis aan haar te betalen:
€ 11.616,00 wegens onverschuldigd betaalde huur;
€ 4.790,00 wegens borg;
€ 3.067,43 ter zake van betaalde loonkosten;
€ 5.474,00 wegens inkomstenderving;
€ 15.000,00 als schadevergoeding;
€ 899,48 wegens buitengerechtelijke incassokosten.
Daarnaast vordert zij over alle bedragen de wettelijke (handels)rente, alsmede een verklaring voor recht, inhoudende dat zij het gehuurde heeft opgeleverd in de staat van aanvang van de overeenkomst. En ten slotte vordert zij dat [de V.O.F.] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
3.2.
[de V.O.F.] voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij] , dan wel tot afwijzing, althans matiging van haar vorderingen, met veroordeling van [partij] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
Bij wijze van tegenvordering vordert [de V.O.F.] de veroordeling van [partij] tot betaling van € 1.656,96 als vergoeding van schade aan de stallen. Ook vordert [de V.O.F.] om het [partij] te verbieden [de V.O.F.] en/of [vennoot ] bepaalde, in de vordering specifiek genoemde uitingen te doen en gedane uitingen te verwijderen, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tot slot vordert zij dat [partij] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.4.
[partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de V.O.F.] , althans tot afwijzing van de vorderingen van [de V.O.F.] , met veroordeling van [de V.O.F.] in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
De overeenkomst die partijen met elkaar zijn aangegaan heeft als titel “Pensionstallingsovereenkomst”. Hierna zal deze echter meestal worden aangeduid als de overeenkomst of de huurovereenkomst. Het gaat namelijk om een huurovereenkomst die betrekking heeft op een gedeelte van een gebouwde onroerende zaak die woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro is. De kenmerkende prestatie betreft het tegen betaling ter beschikking stellen van stallen voor paarden met aangrenzend terrein (paddock, weide, etc.). Daarnaast biedt [de V.O.F.] enkele bijbehorende diensten, zoals het leveren van hooi. De maandelijkse betalingsverplichting, het pensiongeld, wordt hierna meestal aangeduid als huur.
4.2.
Partijen zijn door een voorval met elkaar in conflict geraakt, dat uiteindelijk heeft geresulteerd in deze procedure. In het kort heeft zich het volgende voorgedaan.
4.3.
Begin oktober 2024, niet lang nadat partijen de overeenkomst hadden gesloten, heeft [partij] aan [de V.O.F.] meegedeeld dat zij om gezondheidsredenen genoodzaakt was het aantal stallen dat zij huurde terug te brengen tot maximaal vijf per januari 2025. In reactie daarop schreef [de V.O.F.] dat zij hiermee niet instemde en dat er geen mogelijkheid was om per stal op te zeggen. Vervolgens schreef [partij] op 16 oktober 2024 dat haar dan als enige optie restte alle boxen op te zeggen [1] . Met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden zou zij al haar paarden verhuizen naar een andere locatie.
4.4.
Op 24 oktober 2024 was [vennoot ] , vennoot van [de V.O.F.] , mest uit een longeercirkel aan het verwijderen. Daarbij gebruikte zij een harkje dat bij een zogeheten mestboy behoort. Op enig moment wees zij - naar eigen zeggen - met dat harkje naar haar dochter, met wie zij in gesprek was. In de naastgelegen longeercirkel was medewerker [persoon 1] van [partij] een paard aan het longeren. [persoon 1] verklaarde dat [vennoot ] zonder aanleiding naar haar begon te roepen, terwijl zij met het harkje naar haar wees. Op de vraag van [persoon 1] wat zij verkeerd had gedaan antwoordde [vennoot ] dat [persoon 1] helemaal niets verkeerd had gedaan. Volgens [vennoot ] heeft zij niet naar [persoon 1] geschreeuwd of gewezen.
Later die dag heeft [partij] in een e-mail waarin zij uitgebreid reageerde op klachten van [de V.O.F.] over de wijze waarop zij aan de overeenkomst uitvoering gaf, in een enkele zin gerefereerd aan het schreeuwen tegen een personeelslid van haar, tegelijk met het zwaaien in de lucht met een hark. Meer daarover heeft [partij] in die e-mail niet opgemerkt.
4.5.
In de ochtend van 26 oktober 2024 vroeg [vennoot ] aan [persoon 1] of zij zich door dit voorval bedreigd voelde. [persoon 1] zou volgens [de V.O.F.] hebben geantwoord dat dat het geval was. Daarop heeft [de V.O.F.] aan [persoon 1] verzocht om het erf te verlaten. Als reden daarvoor noemde [de V.O.F.] dat wanneer [persoon 1] zich bedreigd voelde door de uitvoering van werkzaamheden door de vennoten van [de V.O.F.] en zij daarover onwaarheden vertelde, dit betekende dat [de V.O.F.] ernstig beperkt werd op het eigen terrein. Om die reden is [persoon 1] de huisregels die bij de huurovereenkomst horen niet nagekomen, aldus [de V.O.F.] .
4.6.
In een gesprek met [partij] later die ochtend lichtte [vennoot ] het besluit om [persoon 1] van het terrein te sturen toe [2] . Aan [persoon 1] heeft zij voorgehouden dat als [persoon 1] zich door het werken met het harkje bedreigd voelde en daarover een e-mail gestuurd moet worden, waarbij [vennoot ] doelde op de hierboven vermelde e-mail van [partij] , zij zich afvroeg of [persoon 1] nog wel bij [de V.O.F.] moest zijn aangezien het daar voor haar niet veilig zou zijn. Anderzijds voelde [vennoot ] zich ook niet meer veilig op eigen terrein wanneer zij met materiaal aan het werk is en dat als bedreigend kan worden uitgelegd. [vennoot ] heeft [persoon 1] daarom de toegang tot het terrein van [de V.O.F.] ontzegd. [partij] hield [vennoot ] voor dat zij als gevolg van dit besluit haar werk niet meer kon uitvoeren. Zij vroeg hoe de samenwerking tussen haar en [de V.O.F.] nu verder zou gaan. In antwoord daarop zei [vennoot ] dat [de V.O.F.] zich aan het contract hield en dat als [partij] tot een oplossing wilde komen zij maar een brief moest sturen die [de V.O.F.] dan aan haar advocaat zou voorleggen. Opnieuw werd haar gezegd dat [persoon 1] niet meer op het terrein zou worden toegelaten.
4.7.
Bij brief/e-mail van 30 oktober 2024 heeft (de gemachtigde van) [partij] [de V.O.F.] gesommeerd [persoon 1] volledige toegang te verlenen, bij gebreke waarvan [partij] haar verplichtingen uit de overeenkomst, waaronder de betaling van huur, zou opschorten.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in conventie
Onverschuldigd betaalde huur
4.9.
[partij] vordert terugbetaling van de door haar betaalde huur voor de maanden november en december 2024 van in totaal € 11.616,00. Zij stelt dat zij dit bedrag onverplicht heeft voldaan.
4.10.
Die betaling heeft [partij] gedaan nadat [de V.O.F.] op 30 oktober 2024 de toegang tot het terrein blokkeerde, waardoor het voor [partij] niet mogelijk was om, samen met enkele andere personen, een aantal van haar paarden weg te halen. [de V.O.F.] stelt dat zij vreesde dat [partij] de paarden zou meenemen zonder het voor de maanden november en december 2024 verschuldigde stalgeld te betalen. Die vrees kwam voort uit informatie die [de V.O.F.] had gekregen omtrent het betaalgedrag van [partij] bij de vorige pensionstal en werd bevestigd door de aankondiging van de advocaat van [partij] bij brief van 30 oktober 2024 dat de betaling van de huur zou worden opgeschort indien [persoon 1] niet het terrein van [de V.O.F.] mocht betreden. Toen [partij] op 30 oktober 2024 samen met een groep mensen en verschillende trailers trachtte het terrein van [de V.O.F.] te betreden heeft [de V.O.F.] de politie ingeschakeld en heeft zij een beroep gedaan op haar contractueel overeengekomen retentierecht. Met tussenkomst van de politie werd besproken dat [partij] en haar personeel - met uitzondering van [persoon 1] - weer toegang tot het terrein zou krijgen indien de openstaande facturen zouden worden betaald, aldus [de V.O.F.] .
4.11.
Geoordeeld wordt dat [de V.O.F.] geen goede gronden had om het retentierecht in te roepen. Zij beroept zich op het beding in de overeenkomst (art. 4.3) waarvan de eerste zin luidt: “
Pensionstal behoudt zich bij het in gebreke blijven van betaling van het pensiongeld zich het retentierecht op het paard/pony en toebehoren van Pensiongast voor.” Volgens de overeenkomst diende het pensiongeld maandelijks uiterlijk op de eerste dag van de maand bij vooruitbetaling te worden betaald (art. 4.1). Dat [partij] achter bleef met de betaling, zoals [de V.O.F.] zonder enige onderbouwing stelt [3] , is niet vastgesteld. Niet gebleken is dat [partij] op 30 oktober 2024 de tot en met die maand verschuldigde huur (deels) onbetaald had gelaten. Van het in gebreke blijven met de betaling van het pensiongeld was op die dag dan ook geen sprake. Er waren bovendien geen aanwijzingen dat [partij] de huur voor de maanden november en december 2024 niet zou voldoen. Dat [partij] op 29 oktober 2024 al haar spullen had weggehaald, zoals [de V.O.F.] eveneens stelt, heeft
[partij] ter zitting gemotiveerd weersproken. Daarbij is informatie over haar betaalgedrag bij de vorige pensionstal die [de V.O.F.] volgens haar stellingen van horen zeggen en via sociale media heeft verkregen, volstrekt onvoldoende om een beroep op het overeengekomen retentierecht te rechtvaardigen. En tot slot bood ook de - onder voorwaarden - in het vooruitzicht gestelde opschorting van verdere huurbetalingen geen geldige reden om het retentierecht te gebruiken teneinde betaling van twee maanden huur te forceren. Zoals uit de hierboven genoemde brief/e-mail van 30 oktober 2024 volgt werd de betaling door [partij] opgeschort zolang haar werknemer [persoon 1] niet werd toegelaten tot het terrein van [de V.O.F.] . Aangezien [partij] volgens de overeenkomst haar onderneming mocht drijven bij [de V.O.F.] en daarvoor eigen personeel mocht inzetten (art. 22.2) kwam [de V.O.F.] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet na toen zij weigerde [persoon 1] tot het terrein toe te laten. Daartoe bestond geen valide reden. Het gevoel van onveiligheid op eigen terrein dat [vennoot ] of de andere vennoten van [de V.O.F.] bij de eventuele aanwezigheid van [persoon 1] zou(den) ervaren komt de kantonrechter, gehoord [vennoot ] beschrijving van het voorval met het harkje, als niet reëel, althans als niet rationeel voor. Er was eigenlijk helemaal niets aan de hand. Zou [persoon 1] zich al per ongeluk door [vennoot ] bedreigd hebben gevoeld, dan had het eerder op de weg van [vennoot ] gelegen om dat ongemak weg te halen bij [persoon 1] Het wegsturen van [persoon 1] is een bewuste escalatie van het conflict door [de V.O.F.] . [partij] was dan ook bevoegd om in het voorkomende geval dat aan haar en haar personeel geen toegang tot het terrein zou worden verleend, haar betalingsverplichting op te schorten [4] .
4.12.
Onder druk van het - onterecht - uitgeoefende retentierecht heeft [partij] de huur voor de laatste twee maanden van 2024 vooruit betaald. Dat het gaat om een bedrag van in totaal € 11.616,00 weerspreekt [de V.O.F.] niet.
4.13.
Dat bedrag zou [partij] verschuldigd zijn indien [de V.O.F.] haar verplichtingen uit de overeenkomst zou zijn nagekomen. Daarvan is echter geen sprake geweest. [de V.O.F.] ontzegde niet alleen een werknemer van [partij] expliciet de toegang tot het terrein. Op 30 oktober 2024 verhinderde zij dat [partij] c.s. enkele paarden uit de door haar gehuurde stallen ophaalde. Toen [partij] de volgende ochtend bezig was om een paard van een klant weg te halen sprak [vennoot ] de wens uit “
Ik hoop dat je zo snel mogelijk vertrekt met alles” en kreeg [partij] te verstaan: “
Alleen jij hebt toegang, verder niemand. [5] . Anders dan [de V.O.F.] stelt [6] werd na de betaling van de huur het personeel van [partij] dus niet toegelaten. Uit die opmerking volgt immers dat niet alleen werknemer [persoon 1] niet meer welkom was, de andere medewerker van [partij] was dat evenmin, alsook de vriend van [partij] en eventuele andere personen die haar volgens een eerdere mededeling van [vennoot ] nog in [persoon 1] ’s plaats bij haar werkzaamheden zouden kunnen helpen. [partij] moest het vanaf die dag klaarblijkelijk alleen zien te rooien. Kennelijk moest zij in weerwil van de huurovereenkomst waarin werd toegestaan dat [partij] met eigen personeel (art. 22.2) bedrijfsactiviteiten verrichtte, de verzorging van de nog aanwezige paarden en het onderhoud van alle door haar gehuurde stallen alleen uitvoeren.
4.14.
Ingevolge de wet is een verhuurder verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is [7] . Door [partij] te belemmeren om met haar medewerkers haar bedrijfs-activiteiten uit te voeren zoals partijen zijn overeengekomen, waaronder ook alle werkzaamheden tot aan de oplevering bij het einde van de huurovereenkomst, heeft [de V.O.F.] het gehuurde niet volledig ter beschikking van [partij] gelaten. [de V.O.F.] heeft dan ook niet aan haar wettelijke verplichting voldaan. Uit de geciteerde mededeling van [vennoot ] aan [partij] dat alleen zij toegang had mocht [partij] afleiden dat [de V.O.F.] in de nakoming van haar verplichting tekort zou schieten. Een ingebrekestelling was daardoor niet nodig om het verzuim te doen intreden [8] . Het tekort schieten door [de V.O.F.] in de nakoming van de afspraken uit de huurovereenkomst verplicht haar om de schade die [partij] daardoor heeft geleden te vergoeden [9] . De vraag is dan wat die schade is geweest. [partij] vordert het volledige bedrag aan huur terug, stellende dat dit onverschuldigd is betaald. Daarin kan zij echter niet worden gevolgd. Immers bestond er na opzegging, tot aan het einde van het jaar 2024 een huurovereenkomst en dus een betalingsverplichting uit hoofde daarvan. Van een eerdere beëindiging op een van de wijzen die [partij] bij e-mail van 15 november 2024 aanvoerde is niet gebleken, althans zijn de gronden daarvoor niet of onvoldoende onderbouwd [10] . Gelet hierop is de huur dan ook niet onverschuldigd betaald. Wel kan worden geoordeeld dat [partij] na 31 oktober 2024 nog slechts een zeer beperkt genot van het gehuurde heeft gehad. Niet alleen doordat niemand anders dan zijzelf nog in het gehuurde werkzaam kon zijn, maar ook de door [vennoot ] uitgesproken wens dat [partij] zo snel mogelijk met alles vertrok zal hebben bijgedragen aan het voortijdige vertrek van [partij] . De schade die zij daardoor heeft geleden kan op grond van de wet door de kantonrechter worden vastgesteld of geschat [11] . Ervan uitgaande dat [partij] in de maand november 2024 nog twee dagen van het gehuurde gebruik heeft gemaakt wordt haar schade vastgesteld op 59/61 x € 11.616,00 = € 11.235,15. [de V.O.F.] zal worden veroordeeld om dat bedrag aan [partij] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente [12] vanaf 3 november 2024.
Waarborgsom
4.15.
Bij het aangaan van de huurrelatie heeft [partij] een bedrag gelijk aan een maand pensiongeld als waarborgsom betaald. Het gaat om in totaal € 4.800,00. Zij vordert dat [de V.O.F.] dit bedrag, minus € 10,00, aan haar terugbetaald.
4.16.
[de V.O.F.] weigert dat, stellende dat zij voor een bedrag van in totaal € 6.171,87 schade heeft geleden. Die schade bestaat uit de kosten voor het vervangen van 19 houten palen in de omheining van de zandpaddocks, de kosten voor het reinigen van het gehuurde door een gespecialiseerd bedrijf, de kosten voor een nieuwe kruiwagen en die voor een naambord. De waarborgsom wordt aangewend om een deel van deze kosten te voldoen.
4.17.
Overwogen wordt dat een waarborgsom is bedoeld om aan een verhuurder de zekerheid te bieden dat eventuele schade aan het gehuurde die na de oplevering aanwezig is en waarvoor de huurder aansprakelijk is, wordt vergoed. In artikel 4.1 van de huurovereen-komst is daartoe het volgende bepaald: “
Wanneer na de beëindiging van de Overeenkomst de stalruimte is ontruimd en in behoorlijke staat is opgeleverd, zal door Pensionstal de waarborgsom worden terugbetaald, uiterlijk een maand na oplevering.” Het gaat dus om oplevering van het gehuurde in een behoorlijke staat en niet in een “
uitstekende” of zelfs “
gelijke sublieme staat”, zoals [de V.O.F.] in haar correspondentie aan
[partij] voorhield [13] .
4.18.
Een van de bedragen die [de V.O.F.] wil verhalen op de waarborgsom ziet op de kosten voor het vervangen van 19 houten palen voor in totaal € 4.949,11 exclusief btw. Vervanging zou nodig zijn omdat de palen door de paarden van [partij] zijn aangevreten. [partij] heeft hiertegen verweer gevoerd. Dat [de V.O.F.] deze kosten heeft gemaakt kan niet worden vastgesteld. Zij verwijst naar een op 13 januari 2025 opgemaakte offerte maar een factuur voor daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden, of een betalingsbewijs heeft zij niet in het geding gebracht. Maar ook in het geval dat de palen wel zijn vervangen staat niet vast dat de schade daaraan (uitsluitend) werd veroorzaakt door de paarden van [partij] . Zij heeft enkele, op 28 en 29 augustus 2024 gemaakte foto’s in het geding gebracht met daarop een aantal palen die toen reeds zichtbaar beschadigd waren. Verder heeft zij vrijwel onmiddellijk nadat [vennoot ] haar erop had gewezen dat haar paarden aan de palen knaagden, meerdere keren een anti-knaagmiddel op de palen aangebracht. Dat wordt niet weersproken door [de V.O.F.] . Op haar beurt heeft [de V.O.F.] gewezen op foto’s die [partij] op 30 augustus 2024 op haar Instagramaccount heeft geplaatst met daarop enkele ogenschijnlijk onbeschadigde palen en op een video waarop aangevreten palen te zien zijn. Gezien het conflicterende beeldmateriaal en de omstandigheid dat niet duidelijk is vastgelegd wat de staat van de betreffende palen was bij aanvang van de huurovereenkomst per 1 september 2024 en het vertrek van [partij] slechts twee maanden later, kan niet worden vastgesteld vast te staan dat [partij] aansprakelijk is voor de gestelde schade. Geoordeeld wordt dan ook dat [partij] niet kan worden gehouden om het betreffende bedrag te voldoen. Het kan dus niet verrekend worden met de waarborgsom.
4.19.
Ook voor de kosten in verband met het professioneel reinigen van het gehuurde geldt dat daarvan enkel een offerte is overgelegd en niet een factuur of betalingsbewijs. Het gaat om een bedrag van € 1.114,00. [partij] heeft een grote hoeveelheid foto’s overgelegd waarmee zij wil aantonen dat zij het gehuurde schoon heeft opgeleverd. [de V.O.F.] is het daar niet mee eens en benoemt in haar conclusie van antwoord welke onderdelen van het gehuurde niet schoon zijn opgeleverd, waardoor in haar visie professionele reiniging noodzakelijk is. Overwogen wordt dat volgens het beding in artikel 4.1 van de huurovereenkomst de stalruimte in behoorlijke staat moet worden opgeleverd. Wat behoorlijk is en in het bijzonder, hoe moet worden gereinigd om de stalruimte in een behoorlijke staat te kunnen opleveren vermeldt de huurovereenkomst niet. Niet valt uit te sluiten dat [partij] het gehuurde niet zo grondig heeft schoongemaakt als [de V.O.F.] van haar huurders verwacht maar nu zij niet aan [partij] kenbaar heeft gemaakt wat zij in dat opzicht van haar verlangde bestaat onvoldoende grond om het vermelde bedrag voor professionele schoonmaakwerkzaamheden te verrekenen met de waarborgsom.
4.20.
Dat laatste geldt ook voor de kosten van een nieuwe kruiwagen. [partij] betwist dat zij die heeft beschadigd. Het tegendeel toont [de V.O.F.] niet aan. Overigens heeft [de V.O.F.] geen factuur van een nieuw aangeschafte kruiwagen overgelegd, terwijl zij er bovendien geen rekening mee houdt dat een nieuwe kruiwagen een hogere waarde vertegenwoordigd dan een kruiwagen die waarschijnlijk al enige tijd in gebruik was op het moment dat [partij] ging huren.
4.21.
[partij] erkent wel dat zij € 10,00 moet betalen om een beschadigd naambordje te vervangen. Dat bedrag zal daarom met de waarborgsom worden verrekend.
4.22.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat [de V.O.F.] de waarborg-som, onder aftrek van € 10,00 aan [partij] moet terugbetalen. Hiertoe zal zij dan ook worden veroordeeld. De wettelijke rente [14] die [partij] over het bedrag van € 4.790,00 vordert wordt toegewezen vanaf de eerste dag waarop dit bedrag opeisbaar werd, zijnde 1 februari 2025. Verwezen wordt naar het hierboven geciteerde beding in artikel 4.1 van de huurovereenkomst. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat oplevering eerst per het einde van de huurovereenkomst kon plaatsvinden. Niet gebleken is dat partijen afspraken hebben gemaakt over een vervroegde oplevering.
Verklaring van recht
4.23.
Ondanks het bovenstaande wordt de gevorderde verklaring van recht afgewezen. Daargelaten dat [partij] niet stelt welk concreet belang zij bij deze vordering heeft [15] , valt niet te beoordelen dat zij het gehuurde aan [de V.O.F.] heeft opgeleverd in de staat bij aanvang van de (huur)overeenkomst. Wel zou kunnen worden beslist dat het gehuurde in behoorlijke staat is opgeleverd, als bedoeld in artikel 4.1 van de huurovereenkomst, maar een verklaring met die strekking vordert [partij] niet.
Loonkosten werknemer [persoon 1]
4.24.
Stellende dat zij het loon van haar werknemer [persoon 1] heeft moeten doorbetalen terwijl [persoon 1] door toedoen van [de V.O.F.] niet op het terrein van het gehuurde heeft kunnen werken vordert [partij] de loonkosten met betrekking tot de maanden november en december 2024 van [de V.O.F.] . Het gaat om een bedrag van in totaal € 3.067,43.
4.25.
[de V.O.F.] bestrijdt deze vordering. Evenwel worden haar argumenten daarbij onvoldoende geoordeeld. In haar conclusie van antwoord stelt [de V.O.F.] dat [persoon 1] in de periode nadat [partij] haar paarden per 2 november 2024 elders had gestald, vermoedelijk haar werkzaamheden aldaar heeft kunnen uitvoeren en [partij] in de laatste twee maanden van 2024 zeer waarschijnlijk van de diensten van [persoon 1] gebruik heeft kunnen maken. Enige onderbouwing voor die aannames ontbreekt hierbij. Daarnaast lijkt [de V.O.F.] zich te verwonderen over de verlenging van de arbeidsovereenkomst met [persoon 1] Het contract werd getekend op 24 oktober 2024, kort nadat [partij] de huurovereenkomst had opgezegd en bovendien op de dag van het incident met de mestboy. De duur van de verlenging was twee maanden. Dat is wel heel toevallig en riekt naar een opzetje, aldus [de V.O.F.] [16] . Daarbij gaat [de V.O.F.] eraan voorbij dat op de laatstgenoemde dag er nog geen sprake van was dat [de V.O.F.] [persoon 1] niet langer op haar terrein wilde toelaten. Pas op 26 oktober 2024 ontzegde [de V.O.F.] (onterecht) aan [persoon 1] de toegang. De kantonrechter acht aannemelijk dat [partij] er op de 24e nog vanuit ging dat zij de opzegtermijn van twee maanden zou uitdienen en [persoon 1] dus nog werk kon bieden. Zoals gezegd is niet vast komen te staan dat [partij] op dat moment al uit eigen beweging aan het vertrekken was met al haar paarden. De kantonrechter gaat er vanuit dat t [partij] voortijdig met haar paarden c.a. is vertrokken door toedoen van [de V.O.F.] . Dat [partij] gedurende de betreffende maanden nog ten volle gebruik heeft kunnen maken van de werkzaamheden van [persoon 1] is niet aannemelijk nu [partij] , naar uit haar niet weersproken stelling volgt, na 2 november 2024 de meeste paarden niet langer houdt. Zij moest deze terugbrengen naar de betreffende eigenaren. Dat betekent dat er geen stalwerkzaamheden meer te doen waren voor [persoon 1] Ter zitting heeft [partij] daaraan toegevoegd dat er voor [persoon 1] geen ander werk meer was.
4.26.
Geoordeeld wordt daarom dat [partij] het loon, inclusief emolumenten, dat zij met betrekking tot de maanden november en december 2024 aan [persoon 1] heeft moeten betalen, als schade kan verhalen op [de V.O.F.] [17] . Tegen de gevorderde bedragen heeft [de V.O.F.] geen, althans geen zelfstandig verweer gevoerd. Dit betekent dat het bedrag van € 3.067,43 zal worden toegewezen.
4.27.
Over dat bedrag is [de V.O.F.] de wettelijke rente verschuldigd [18] vanaf de dag van dagvaarding, zijnde 30 januari 2025.
Inkomstenderving
4.28.
[partij] stelt daarnaast dat zij door het gedwongen vertrek inkomsten is misgelopen. Zij vordert een bedrag van € 5.474,00 als vergoeding voor gederfde winst. [de V.O.F.] betwist dat [partij] winst heeft gederfd. Zij verzet zich ook tegen de onderbouwing van de vordering, die zij ontoereikend vindt.
4.29.
De kantonrechter is het met [de V.O.F.] eens dat de cijfermatige onderbouwing van deze vordering onvoldoende is om die te kunnen toewijzen. [partij] legt slechts een eenvoudige berekening over. Volgens die berekening miste zij in de maanden november en december (2024) telkens € 6.125,00 aan inkomsten uit 7 trainingsboxen. Dat bedrag is de som van de kostenopgave in 6 e-mails aan even zoveel personen waarin [partij] bevestigde dat zij de pony dan wel het paard van de geadresseerde in training nam, alsmede uit een met haar werknemer [persoon 1] gesloten overeenkomst met eenzelfde strekking. Op dat bedrag strekt de huurprijs van 7 stallen in mindering (7 x € 400,00 x 1,21 x 2 = € 6.776,00). De uitkomst is een inkomstenderving van € 5.475,00. Onzeker is echter of in het geval dat [partij] de stallen bij [de V.O.F.] volgens overeenkomst had kunnen blijven gebruiken, de eigenaren van de pony en de paarden in diezelfde periode gebruik hadden gemaakt van de diensten van
[partij] . In haar e-mail van 13 oktober 2024 (17.18 u) schreef [partij] aan [de V.O.F.] dat zij in verband met haar gezondheid haar bedrijfsactiviteiten in de periode tot 1 januari 2025 wilde verminderen, totdat zij alleen nog haar 3 of 4 eigen paarden zou houden. Verder blijkt uit de haar onderbouwing van de vordering niet dat [partij] de inkomsten van genoemde 7 klanten na oktober 2024 ook daadwerkelijk is verloren. Bevestigingen van de beëindiging van de met hen aangegane overeenkomsten heeft zij niet in het geding gebracht.
Daarnaast wordt in dit verband opgemerkt dat de eventuele schade die [partij] mogelijk heeft geleden niet gelijk zal zijn aan de berekende omzetderving. In haar berekening van de gevorderde schadevergoeding heeft [partij] enkel de betaalde huur in mindering op de gemiste inkomsten gebracht. Andere kosten, bijvoorbeeld in verband met het gebruik van een auto en paardentrailer, voor materialen, de (loon)administratie en overige kosten die het voeren van een onderneming met zich brengt, heeft [partij] niet benoemd en ook buiten haar berekening gelaten.
4.30.
Het voorgaande betekent dat dit onderdeel van de vorderingen bij gebreke aan een deugdelijke onderbouwing wordt afgewezen.
Schadevergoeding wegens smaad en laster
4.31.
[partij] vordert tevens een schadevergoeding van € 15.000,00 omdat zij, naar zij stelt, door berichten van [de V.O.F.] in sociale media is aangetast in haar goede naam en reputatie. [de V.O.F.] heeft haar daar ten onrechte beschuldigd van wantoestanden en het niet tijdig voldoen van huurtermijnen. Verder heeft [de V.O.F.] andere stalhouders actief benaderd met onwaarheden over haar, kennelijk met het doel haar reputatie te schaden en/of er voor te zorgen dat zij haar bedrijf niet langer kan voeren. Binnen een besloten Facebookgroep heeft [de V.O.F.] in strijd met de waarheid beschuldigingen geuit, die ook in de geanonimiseerde versie gemakkelijk naar haar zijn terug te leiden. Daarnaast heeft [de V.O.F.] haar op een ‘zwarte lijst’ onder pensionstalhouders laten plaatsen, aldus [partij] .
4.32.
[de V.O.F.] verzet zich tegen deze vordering. Van smaad of laster in strafrechtelijke zin is geen sprake, noch van belediging, waarvan [partij] bij de politie aangifte heeft gedaan. Indien zij haar vordering baseert op een onrechtmatige daad dan ontbreken in haar betoog de vereisten daarvoor. De forse beschuldigingen aan het adres van [de V.O.F.] onderbouwt [partij] niet. [vennoot ] heeft wel haar relaas op haar Facebookpagina geplaatst om zich tegenover klanten en buurtgenoten te verontschuldigen en aan hen een verklaring te geven, alsmede om roddels de kop in drukken. Daarbij heeft ze de naam en de bedrijfsnaam van [partij] niet genoemd, aldus - verkort - [de V.O.F.] .
4.33.
Dat [partij] door negatieve berichtgeving over haar in sociale media vermogensschade heeft geleden is niet gebleken. Niettemin kan wanneer zij in haar eer of goede naam is geschaad, aan haar een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toekomen voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat [19] .
4.34.
[partij] brengt enkele door een zekere ‘ [persoon 2] ’ op sociale media geplaatste berichten in het geding waarin die persoon [partij] bepaald onheus heeft aangeschreven. Gebleken is echter dat deze ‘ [persoon 2] ’ geen vennoot van [de V.O.F.] is. Haar uitingen kunnen niet aan [de V.O.F.] worden toegerekend. Dit is anders ten aanzien van het bericht dat [vennoot ] op de Facebookpagina van [de V.O.F.] plaatste (beginnend met “
Weer een ervaring rijker”) maar daarin is de naam van [partij] niet genoemd. Het bericht heeft echter wel de interesse gewekt van ene [persoon 3] , die een (verondersteld) besloten Facebookgroep bijhoudt ten behoeve van stalhouders en hen wil waarschuwen voor wanbetalers. Aan deze [persoon 3] heeft [vennoot ] , naar zij ter zitting erkende, een bericht gestuurd waarin [partij] door [vennoot ] heel bewust bij naam werd genoemd en waarin onder meer werd vermeld dat zij een influencer is die gebakken lucht verkoopt, die haar klanten belazerd tot en met, die een paard alleen longeert wanneer een eigenaar op afspraak komt kijken en die dan een ‘bingkoekverhaal lult’ dat het zo goed vooruit gaat. Verder deed [vennoot ] in hetzelfde bericht in negatieve bewoordingen kort verslag van de communicatie zoals zij die kennelijk heeft beleefd, met betrekking tot de door [partij] gemelde burn- outklachten en haar wens om in verband daarmee minder stallen te huren. Vervolgens heeft deze [persoon 3] het verhaal van [vennoot ] verspreid in haar Facebookgroep om, zoals zij schreef, pensionhouders te waarschuwen. Weliswaar zonder de naam van [partij] te vermelden maar die konden de lezers bij [persoon 3] opvragen, aldus het bericht.
4.35.
Geoordeeld wordt dat het bericht dat [vennoot ] in vervolg op een eerder bericht op de Facebookpagina van [de V.O.F.] , aan genoemde [persoon 3] toestuurde en waarin zij [partij] bij naam noemde, de eer en goede naam van [partij] aantast. Die aantasting brengt in potentie langdurig ernstige gevolgen met zich mee aangezien, zoals het geval lijkt te zijn, meerdere paardenstalhouders in Nederland via sociale media contact hebben met elkaar en, zoals [de V.O.F.] , althans [vennoot ] weet, [partij] een onderneming drijft waarbij zij afhankelijk is van gehuurde stalruimte. De inhoud van het bericht is bovendien zeer subjectief, alsook diffamerend. Dat [partij] haar klanten belazerd wordt niet met feiten gestaafd. Verder is niet gesteld of gebleken dat [vennoot ] aan [persoon 3] heeft gevraagd om de inhoud van het bericht niet te verspreiden. Gelet op de werking van sociale media kon [vennoot ] daarom verwachten dat haar relaas zich snel onder stalhouders zou verspreiden.
4.36.
De schadevergoeding in verband met de aantasting van de goede naam van [partij] dient naar billijkheid te worden vastgesteld. De bedragen die [partij] aan haar vordering verbindt voldoen niet aan dat criterium. Een vergoeding van € 1.000,00 ligt - gelet op de jurisprudentie - naar het oordeel van de kantonrechter wel in de rede, zodat dit bedrag ten laste van [de V.O.F.] zal worden toegewezen. Daarbij wordt het gewraakte bericht van [vennoot ] aan [persoon 3] toegeschreven aan de vennootschap nu dit bericht volgde op de mededeling van [vennoot ] op de Facebookpagina van [de V.O.F.] . Tussen [partij] en [vennoot ] bestond alleen een zakelijke relatie. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [vennoot ] het bericht aan [persoon 3] heeft gestuurd in haar hoedanigheid van vennoot.
4.37.
Over het bedrag van de schadevergoeding is [de V.O.F.] de wettelijke rente [20] verschuldigd. Omdat in de dagvaarding een motivering bij een van de genoemde data vanaf welke die rente toewijsbaar is ontbreekt, wordt bepaald dat die rente verschuldigd is vanaf de dag waarop de dagvaarding werd uitgebracht, zijnde 30 januari 2025.
Buitengerechtelijke kosten
4.38.
De door [partij] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden kan worden toegewezen, niettegenstaande het daartegen gevoerde verweer. Uit de bij de dagvaarding gevoegde stukken blijkt dat de gemachtigde van [partij] reeds vóór deze procedure aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de huur over de periode van 3 november tot en met 31 december 2024 en de waarborgsom [21] . Uitgaande van de betreffende bedragen, althans van de toe te wijzen bedragen is het gevorderde bedrag van € 899,48 exclusief btw voor deze werkzaamheden lager dan de wet toestaat [22] .
4.39.
Over dit bedrag wordt de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding toegewezen.
Proces- en nakosten
4.40.
[de V.O.F.] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.177,42
4.41.
De over deze proces- en nakosten gevorderde wettelijke handelsrente [23] is niet toewijsbaar aangezien deze kosten geen schade betreft die het gevolg is van de vertraging in de voldoening van een uit een handelsovereenkomst voortvloeiende geldsom.
4.42.
Op de vordering van [partij] worden de tegen [de V.O.F.] uit te spreken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard [24] .
in reconventie
Schadevergoeding
4.43.
[de V.O.F.] vordert dat [partij] wordt veroordeeld om aan haar € 1.659,96 inclusief btw te betalen. [de V.O.F.] stelt dat de gehuurde stallen niet conform de in de huurovereenkomst gemaakte afspraken zijn opgeleverd en zij daardoor aantoonbaar schade heeft geleden. In totaal gaat het om een bedrag van € 6.171,87. Nadat op dat bedrag de door [partij] betaalde waarborgsom in mindering is gebracht resteert het nu gevorderde bedrag.
4.44.
Overwogen wordt dat hierboven in conventie bij de beoordeling van de vordering van [partij] tot terugbetaling aan haar van de waarborgsom, de kosten die [de V.O.F.] stelt te hebben en waaruit haar vordering is opgebouwd reeds aan de orde zijn gekomen. Daarbij was het oordeel dat de gestelde kosten niet ten laste van
[partij] kunnen worden gebracht. Uitzondering hierop was € 10,00 voor een vernield naambordje. Dat bedrag wordt in mindering gebracht op de terug te betalen waarborgsom. Gelet op het oordeel in conventie is de in reconventie voorliggende vordering niet toewijsbaar.
Uitingsverbod
4.45.
[de V.O.F.] vordert [partij] te verbieden om [de V.O.F.] en/of [vennoot ] mondeling en/of schriftelijk (communicatie via e-mail en alle sociale media kanalen inbegrepen) direct of indirect, publiek of specifiek ten opzichte van een relatie, te betichten van het veroorzaken van haar burn-out, te zijn opgelicht, te zijn gechanteerd en/of malafide gedrag en [partij] te gelasten al haar uitingen van die strekking onmiddellijk en blijvend te verwijderen, dit op straffe van verbeurte van dwangsommen.
4.46.
Ter onderbouwing van deze vordering stelt [de V.O.F.] dat [partij] er met uitingen op haar sociale mediakanalen kennelijk bewust op uit is om de reputatie van [de V.O.F.] en/of [vennoot ] schade toe te brengen. [de V.O.F.] verwijst in het bijzonder naar een vlog van 1 februari 2025 waaruit [de V.O.F.] in haar conclusie diverse opmerkingen van [partij] citeert [25] . De vlog is veel bekeken, zodat veel mensen de (onjuiste) publieke uitlatingen over [de V.O.F.] hebben gezien. In reacties onder de vlog wordt opgeroepen om op Google negatieve reviews over [de V.O.F.] te geven. De onjuiste uitlatingen en beschuldigingen hebben dan ook ernstige gevolgen voor [de V.O.F.] .
4.47.
De kantonrechter heeft - vanzelfsprekend - de genoemde vlog gezien en beluisterd. Daarin legt [partij] uit hoe zij de voorbije periode heeft ervaren. Anders dan [de V.O.F.] betoogt beschuldigt [partij] [de V.O.F.] er niet van haar burn-out te hebben veroorzaakt, noch wordt dit door haar gesuggereerd. En op geen enkel moment noemt zij de namen [de V.O.F.] of [vennoot ] . Niettemin is aannemelijk dat volgers, die [partij] persoonlijk of van haar eerdere uitingen op sociale media kennen, uit het relaas van [partij] kunnen afleiden welke pensionstal zij bedoelt. Begrijpelijk is dat [de V.O.F.] het zeer ongewenst vindt om op deze wijze in een negatief daglicht te worden gesteld Of dat ook moet leiden tot toewijzing van de vordering is de vraag.
4.48.
Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het gevorderde verbod is (te) breed geformuleerd. Een algemeen geformuleerd uitingsverbod levert een vergaande beperking van de vrijheid van meningsuiting op. Of sprake is van een onrechtmatige uiting die leidt tot aantasting van eer en goede naam (de reputatie van [de V.O.F.] en/of [vennoot ] ) zal steeds moeten worden getoetst aan de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij een belangenafweging dient plaats te vinden. Bij een breed geformuleerd verbod kan onzekerheid of twijfel bestaan of een bepaalde uiting onrechtmatig is en tot aantasting van eer en goede naam leidt. Deze onzekerheid of twijfel kan weer leiden tot executiegeschillen [26] . Datgene wat door [de V.O.F.] wel heel concreet is geformuleerd, namelijk dat [partij] niet meer mag communiceren dat [de V.O.F.] haar burn-out heeft veroorzaakt, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebaseerd op een uiting die is komen vast te staan. Uit de vlog blijkt niet dat [partij] zich daarover heeft uitgelaten. Meer in het algemeen geldt dat [partij] in de vlog haar gevoelens beschrijft bij wat er is voorgevallen en daarbij
- in de ogen van de kantonrechter - geen beschuldigingen uit aan het adres van [de V.O.F.] .
Proceskosten
4.49.
Als de in het ongelijk gestelde partij moet [de V.O.F.] ook de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [partij] worden gerelateerd aan de hoogte van de schadevordering en vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
217,00
(2 punten × factor 0,5 × € 217,00)
Totaal
217,00
4.50.
De gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt [de V.O.F.] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [partij] te betalen:
a. € 11.235,15, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot de
dag van volledige betaling;
€ 4.790,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025 tot de dag
van volledige betaling;
€ 3.067,43, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 tot de dag
van volledige betaling;
€ 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 tot de dag
van volledige betaling;
€ 899,48 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025
tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [de V.O.F.] in de proceskosten van € 2.177,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [de V.O.F.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [de V.O.F.] af;
5.6.
veroordeelt [de V.O.F.] in de proceskosten van € 217,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.7.
verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en is in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.

Voetnoten

1.E-mail d.d. 16 oktober 2024 (10.46 u), productie 5 bij dagvaarding.
2.Van dit gesprek heeft [partij] een geluidsopname in het geding gebracht (akte, productie 37).
3.Conclusie van antwoord, § 26.
4.Artikel 6:262 lid 1 BW Pro.
5.Ook van dit gesprek heeft [partij] een geluidsopname overgelegd (dagvaarding, productie 11).
6.Conclusie van antwoord, § 27.
7.Artikel 7:203 BW Pro.
8.Artikel 6:83, aanhef en onder c BW.
9.Artikel 6:74 lid 1 BW Pro.
10.In haar e-mail van 15 november 2024 (dagvaarding, productie 15) noemt [partij] in een adem achtereen-volgens als beëindigingsgronden een beëindigingshandeling vanwege [de V.O.F.] , schuldeisersverzuim door haar, dan wel een buitengerechtelijke ontbinding of vernietiging van huurovereenkomst door [partij] per 2 november 2024, dan wel per 15 november 2024.
11.Artikel 6:97 BW Pro.
12.Artikel 6:119 BW Pro.
13.Conclusie van antwoord, § 53, met verwijzing naar de als productie 27 bij dagvaarding gevoegde e-mail d.d. 7 januari 2025.
14.Artikel 6:119 BW Pro. Zie ook rechtbank Amsterdam 12 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:562, rov 4.3.
15.Artikelen 3:302 en 3:303 BW.
16.Spreekaantekeningen, § 7.
17.Artikel 6:74 BW Pro.
18.Zie noot nr. 16.
19.Artikel 6:106 lid Pro 1, aanhef en onder b BW. Van het in deze bepaling eveneens genoemde ‘lichamelijk letsel’ is in casu geen sprake, net zomin als dat [partij] ‘op andere wijze in haar persoon is aangetast’ (vgl. Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, rov. 4.2.1 - 4.2.2).
20.Ook hier geldt dat de vordering niet is gebaseerd op een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW.
21.E-mail d.d. 15 november 2024 (dagvaarding, productie 15) en, m. b. t. de waarborgsom, de e-mails van 24 december 2024 en 2 januari 2025 (dagvaarding, producties 25 en 26).
22.Artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder c BW, in verbinding met artikel 2 lid 1 Besluit Pro vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
23.Artikel 6:119a BW.
24.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen moeten worden uitgevoerd, ook wanneer daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
25.Een opname hiervan is door [de V.O.F.] in het geding gebracht (conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, productie 10).
26.Vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6528, rov. 4.63.