ECLI:NL:RBZWB:2026:502

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
02-403604-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het opzettelijk in voorraad hebben van ketamine zonder registratie

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 28 juni 2024 in Etten-Leur opzettelijk 64,03 kilogram ketamine in voorraad had zonder de vereiste registratie. De verdachte, geboren in 1998, werd bijgestaan door raadsman mr. R.B.M. Poppelaars. Tijdens de zitting op 15 januari 2026 heeft de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, de beschuldigingen toegelicht. De rechtbank oordeelde dat de verdachte op de hoogte moest zijn van de inhoud van de sporttassen waarin de ketamine was aangetroffen, gezien zijn rol als eigenaar en bestuurder van het voertuig. De rechtbank achtte de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, omdat hij geen informatie kon geven over de vriend die hem de tassen had gegeven en niet kon verifiëren waar hij de tassen naartoe moest brengen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan het opzettelijk in voorraad hebben van de ketamine zonder registratie, en legde een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-403604-24
vonnis van de meervoudige kamer van 29 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.C. Fimerius en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met anderen ruim 64 kilogram ketamine in voorraad heeft gehad, terwijl hij daar geen registratie voor had.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 juni 2024 64,03 kilogram ketamine opzettelijk in voorraad heeft gehad, terwijl hij daar geen registratie voor had.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak van het vervoeren van ketamine, omdat het opzet - ook in voorwaardelijke zin - daarop ontbreekt. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] waarin is opgenomen dat verdachte heeft verklaard dat het ketamine betrof en dat hij onderweg was naar Breda moet worden uitgesloten van het bewijs. Uit dit proces-verbaal blijkt namelijk niet dat verdachte is geïnformeerd over zijn rechten en ook is niet gebleken dat hij daarvan ondubbelzinnig afstand heeft gedaan. Daarnaast kan op basis van de telefoongegevens in het dossier niet worden bewezen dat verdachte de ketamine binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De inhoud van het proces-verbaal waarin deze telefoongegevens zijn opgenomen wordt door verdachte betwist omdat hij zich voor zijn aanhouding in Nederland, en dus niet in het buitenland, bevond. Het staat dan ook onvoldoende vast dat deze telefoongegevens betrekking hebben op de telefoon van verdachte.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verdachte reed op 28 juni 2024 op de A58 in Etten-Leur in een kleine vrachtwagen. Dit voertuig was op naam van verdachte gesteld. Verdachte was werkzaam als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) in de transportsector en had het voertuig in gebruik voor zijn werk. Verdachte werd met zijn voertuig staande gehouden. Na een transportcontrole werden in de laadruimte van het voertuig (alleen) drie zwarte sporttassen aangetroffen. Verdachte wist dat deze sporttassen in de laadruimte lagen. In de drie sporttassen zat in totaal 64,03 kilogram ketamine.
Wetenschap van de inhoud van de sporttassen
Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat de inhoud van de sporttassen was. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak uitgangspunt is dat een bestuurder en tenaamgestelde van een voertuig weet wat hij daarin vervoert, tenzij hij een aannemelijke verklaring heeft waarom dat in dit geval anders is.
Op dit punt heeft verdachte op de zitting het volgende verklaard. Op 28 juni 2024 was hij opgebeld door een vriend met de vraag of hij drie sporttassen van Etten-Leur naar Breda wilde brengen. Zijn vriend had hem niet verteld wat de inhoud van de sporttassen was. Verdachte zou naar eigen zeggen voor dit korte ritje een relatief hoge beloning krijgen, namelijk €300,--. Zijn vriend kon hem geen vrachtbrief overhandigen, zoals wel gebruikelijk is in de transportsector. Verdachte heeft zijn vriend niet gevraagd naar de inhoud van de tassen. Volgens verdachte heeft hij de opdracht aangenomen en heeft hij gezien dat zijn vriend de tassen in de laadruimte inlaadde. Op het moment dat verdachte in de vrachtwagen was gestapt en onderweg was, bekroop hem naar eigen zeggen een raar gevoel.
Dit door verdachte geschetste scenario komt de rechtbank onwaarschijnlijk voor. Daarbij komt dat verdachte op de zitting niet wilde zeggen wie deze vriend was en verklaarde niet meer te weten waar hij de tassen naartoe had moeten brengen. Dit maakt de verklaring van verdachte niet alleen niet-verifieerbaar, maar ook ongeloofwaardig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden en gaat ervan uit dat verdachte wetenschap had van wat hij vervoerde. Daarnaast beschikte verdachte als eigenaar en bestuurder van het voertuig over de sleutel die toegang gaf tot (onder meer) de laadruimte, zodat hij ook de feitelijke beschikkingsmacht over de sporttassen met ketamine had.
Gelet hierop en gelet op het feit dat aan verdachte geen registratie was verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk 64,03 kilogram ketamine zonder registratie in voorraad heeft gehad.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 juni 2024 te Etten-Leur zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 64,03 kilogram netto ketamine, een werkzame stof, opzettelijk in voorraad heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan kan worden volstaan met een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in voorraad hebben van 64,03 kilogram ketamine, zonder over de vereiste registratie te beschikken. Ketamine valt, als werkzame stof, vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs en is verslavend. Het is algemeen bekend dat drugs en illegaal gebruikte geneesmiddelen schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de handel in dergelijke middelen veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit zoals geweldsdelicten en illegale geldstromen. Deze handel vormt een belangrijke schakel in de keten van crimineel ondermijnende activiteiten die de maatschappij ontwrichten. Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan deze voor de maatschappij zeer nadelige gevolgen van middelengebruik en de handel daarin. Verdachte heeft met dit alles kennelijk geen rekening gehouden en heeft slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.
Verdachte heeft voor zijn handelen op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft zowel bij de politie als op de zitting geen openheid van zaken willen geven. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Het feit dat verdachte geen inzicht heeft willen geven in zijn handelen baart bovendien zorgen voor de toekomst.
De rechtbank is gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit van oordeel dat daarop uitsluitend kan worden gereageerd met een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank komt daarom tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend is. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal een proeftijd van twee jaar worden verbonden, om verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 38, lid 1 van de Geneesmiddelenwet;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. J.C.A.M. Los en
mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.B.H. van Overveld, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2026.