Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 28 juni 2024 in Etten-Leur opzettelijk 64,03 kilogram ketamine in voorraad had zonder de vereiste registratie. De verdachte, geboren in 1998, werd bijgestaan door raadsman mr. R.B.M. Poppelaars. Tijdens de zitting op 15 januari 2026 heeft de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, de beschuldigingen toegelicht. De rechtbank oordeelde dat de verdachte op de hoogte moest zijn van de inhoud van de sporttassen waarin de ketamine was aangetroffen, gezien zijn rol als eigenaar en bestuurder van het voertuig. De rechtbank achtte de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig, omdat hij geen informatie kon geven over de vriend die hem de tassen had gegeven en niet kon verifiëren waar hij de tassen naartoe moest brengen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wettig en overtuigend schuldig was aan het opzettelijk in voorraad hebben van de ketamine zonder registratie, en legde een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 38 van de Geneesmiddelenwet.