ECLI:NL:RBZWB:2026:4988

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/441956 / JE RK 25-2029
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voortzetting uithuisplaatsing minderjarige wegens zorgelijke gedragsproblemen

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds november 2025 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De minderjarige verblijft in een woongroep, maar ervaart daar veel problemen, waaronder een recent incident waarbij de politie werd ingeschakeld. De minderjarige geeft aan haar familie te missen en zou het liefst terug naar huis willen, maar erkent dat dit momenteel niet mogelijk is.

De Raad voor de Kinderbescherming en de GI ondersteunen het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing. Zij wijzen op het grensoverschrijdende en agressieve gedrag van de minderjarige, de zorgelijke situatie op de woongroep en het feit dat de thuissituatie momenteel niet passend is. De ouders zijn betrokken; de moeder uit zorgen over de woongroep en de risico's van terugkeer, terwijl de vader het verzoek steunt en spreekt van ouderverstoting.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De huidige situatie op de woongroep is problematisch, maar terugkeer naar huis brengt te veel risico's voor de stabiliteit van het gezin. Er wordt benadrukt dat nader onderzoek nodig is naar de passende woonplek en de kindeigenproblematiek, mede op basis van een nog af te wachten IQ-test. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de machtiging verlengd tot 25 november 2026.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 25 november 2026 en direct uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/441956 / JE RK 25-2029
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W. Tiggelaar uit Middelburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBECHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 25 november 2025, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- de schriftelijke briefrapportage van de GI van 10 maart 2026 met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;
- het rapport van de Raad van 17 maart 2026, ontvangen op 31 maart 2026.
1.2.
Op 7 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 2] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 25 november 2025 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel.
2.4.
Op grond van voornoemde beschikking verblijft [minderjarige 1] bij een [woongroep] .

3.Het verzoek

3.1.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten van 25 mei 2026 en tot 25 november 2026. Ook wordt verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat ze grote moeite heeft met de leiding van [woongroep] . De dag voor het gesprek heeft er een voorval plaatsgevonden op de woongroep. [minderjarige 1] heeft op haar kamer moeten huilen. [minderjarige 1] is toen gewaarschuwd dat ze stiller moest zijn, anders zou de politie gebeld worden. Dit is vervolgens ook gebeurd. Ze is niet getroost. Hierna is [minderjarige 1] weggelopen uit de woongroep en naar de moeder gegaan. Op de woongroep mist ze haar familie. [minderjarige 1] zou het liefst terug naar huis gaan. Ze snapt echter dat dit niet kan. Het contact met de moeder en haar broertje [minderjarige 2] verloopt goed, maar het is de vraag of dit zo blijft als ze weer volledig thuis zou wonen. [minderjarige 1] gaat minder naar de vader toe. Dit komt doordat de vader ver van [woonplaats 1] woont, maar ook omdat de band met de vader over de tijd minder is geworden. Verder is [minderjarige 1] blij dat er een school voor haar gevonden is. Ze zal op [school] een nieuwe start kunnen maken. Ze vindt het niet nodig dat men zich zorgen om haar maakt.
4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing naar de overgelegde stukken. De Raad is van mening dat [minderjarige 1] nog niet thuis kan wonen. [minderjarige 1] laat grensoverschrijdend en zelfbepalend gedrag zien, ze is makkelijk beïnvloedbaar en kan fysiek en verbaal agressief reageren. De Raad vindt dit gedrag zorgelijk, hetgeen maakt dat de thuissituatie niet passend is. In het resterende deel van de uithuisplaatsing zal duidelijk moeten worden wat nodig is voor een terugthuisplaatsing.
4.3.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De afgelopen periode zijn er veel fysieke incidenten geweest op de woongroep. De GI denkt dat dit komt doordat [minderjarige 1] structureel overvraagd wordt en niet op haar plek zit op de woongroep. De woongroep vraagt veel zelfstandigheid van [minderjarige 1] , dat lukt [minderjarige 1] niet. Het zelfbepalende gedrag van [minderjarige 1] is erg zorgelijk, waarbij ze ook veel onveiligheid creëert voor de mensen om haar heen. Op dit moment wordt er minimaal tot geen vooruitgang gezien bij [minderjarige 1] . Het doel moet zijn om terug naar huis te gaan, maar dat is op dit moment nog niet haalbaar. De GI is in afwachting van een IQ-test. Met deze uitslagen wil de GI kijken naar welke woonplek voor [minderjarige 1] passend is. Mogelijk is een woning die gespecialiseerd is in jongeren met een verstandelijke beperking passend. [minderjarige 1] zal binnenkort beginnen op haar nieuwe school. De hoop is dat dit haar iets positiefs brengt. Tot slot complimenteert de GI de ouders voor hun medewerking.
4.4.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat de moeder zich refereert aan het oordeel van de rechter. Daarbij worden wel kritische noten aangevoerd. De GI heeft geen grip op [minderjarige 1] . Sinds de uithuisplaatsing is de situatie eerder verslechterd dan verbeterd. De woongroep lijkt geen passende plek voor [minderjarige 1] te zijn. [minderjarige 1] vertrekt regelmatig vanuit de woongroep om naar de moeder te gaan. Bovendien neemt de woongroep herhaaldelijk contact op met de moeder als er uitdagingen zijn met [minderjarige 1] . De moeder wil het liefste dat [minderjarige 1] terug thuis komt wonen, maar daar zijn ook risico’s aan verbonden. Het zou zonde zijn als de onrust binnen het gezin weer terug zou keren. De uitslag van de IQ-test zal medebepalend zijn voor de vraag welke plek het meest passend is voor [minderjarige 1] . Ook moet er onderzoek worden gedaan naar de kindeigenproblematiek van [minderjarige 1] .
4.5.
De vader geeft aan dat hij achter het verzoek van de Raad staat. De vader heeft [minderjarige 1] al sinds kerst niet gezien. Volgens de vader is er sprake van ouderverstoting.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter maakt zich zorgen over [minderjarige 1] . Het gaat de laatste periode niet goed met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] laat sterk zelfbepalend gedrag zien en staat niet open voor hulpverlening. De woongroep lijkt weinig grip te hebben op [minderjarige 1] ’s gedrag. [minderjarige 1] kan zowel verbaal als fysiek agressief reageren richting de groepsleiding en richting de moeder. Dit gedrag heeft geleid tot betrokkenheid bij meerdere incidenten op de woongroep. De GI geeft aan dat de woongroep geen passende plek is voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] wordt op de woongroep te veel overvraagd. In het gesprek tussen [minderjarige 1] en de kinderrechter komt ook naar voren dat [minderjarige 1] zich niet fijn voelt op de woongroep. [minderjarige 1] heeft veel moeite met de wijze van communiceren van de groepsleiding en loopt regelmatig weg. [minderjarige 1] kan echter nog niet terug naar huis. Ondanks de wens van zowel [minderjarige 1] als de moeder brengt de terugthuisplaatsing nog te veel risico’s met zich mee. Op dit moment is er stabiliteit in de thuissituatie bij de moeder en [minderjarige 2] . Een terugthuisplaatsing van [minderjarige 1] zorgt mogelijk voor een doorbreking van deze stabiliteit. Dat is in niemands belang. Voor [minderjarige 1] is het belangrijk dat zij ook op een onbezorgde manier bij haar moeder en [minderjarige 2] kan zijn. Bovendien kunnen de zorgen om [minderjarige 1] niet worden opgelost in thuissituatie. Het is belangrijk dat eerst onderzocht wordt wat [minderjarige 1] nodig heeft in haar ontwikkeling. Het blijft daarnaast noodzakelijk dat de ouders begeleid en gestuurd worden in het creëren van een veilige en stabiele opvoedomgeving voor [minderjarige 1] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de voorwaarden voor een machtiging uithuisplaatsing. De komende periode moet worden gewerkt aan het bouwen van een stabiele basis voor [minderjarige 1] . Het is daarbij belangrijk dat wordt onderzocht welke woonplek op dit moment het meest passend is voor [minderjarige 1] . De uitslag van de IQ-test kan in dit onderzoek worden meegenomen. Ook moet de GI onderzoek doen naar de kindeigenproblematiek van [minderjarige 1] . Het is daarnaast van belang dat [minderjarige 1] de komende periode open gaat staan voor hulpverlening en zich gemotiveerd opstelt.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 mei 2026 tot 25 november 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.