ECLI:NL:RBZWB:2026:4981

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/444812 / FA RK 26-655
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRMArt. 1:275 BWArt. 1:276 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag moeder en benoeming voogd over minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige is sinds december 2023 onder toezicht gesteld en sinds maart 2025 uit huis geplaatst op een leefgroep. De moeder is niet in staat gebleken het gezag adequaat uit te oefenen, mede door gedragsproblemen en het ontbreken van contact.

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen en Stichting Jeugdbescherming Brabant als voogd te benoemen. De minderjarige stemde in met dit verzoek en gaf aan dat zij het contact met haar moeder beperkt vindt en liever de GI als voogd wil. De moeder verzette zich niet tegen het verzoek, mede vanwege haar persoonlijke omstandigheden en gezondheidsproblemen.

De rechtbank oordeelde dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige en dat lichtere maatregelen niet meer toereikend zijn. De belangen van het kind staan voorop. De rechtbank beëindigde het gezag van de moeder, benoemde de GI tot voogd en bepaalde dat de moeder verantwoording moet afleggen over het vermogen van de minderjarige. De beschikking is direct uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en Stichting Jeugdbescherming Brabant wordt benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444812 / FA RK 26-655
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.M.A. uit Leijser,
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] aan hem heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.
De feiten
2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 maart 2020 is de moeder belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De vader is geëmigreerd en verblijft in België.
2.3.
[minderjarige] is sinds 19 december 2023 onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is verlengd tot 19 december 2026. Verder is [minderjarige] met een machtiging uit huis geplaatst en verblijft zij sinds maart 2025 op een [leefgroep]. De machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot het einde van de ondertoezichtstelling.
2.4.
De GI heeft zich bij brief van 28 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] geeft in haar gesprek met de kinderrechter aan dat zij instemt met het verzoek van de Raad. De laatste keer dat zij haar moeder heeft gezien was in november 2025. Er is nu alleen nog maar af en toe appcontact. Met haar vader, die nu in België woont, heeft zij wel vaker contact. [minderjarige] ziet dat de huidige situatie, waarin alleen haar moeder het gezag heeft, tot problemen leidt in het nemen van belangrijke beslissingen over haar. Zij wil graag dat de huidige jeugdbeschermer van de GI haar voogd wordt, zodat hij samen met haar de voor haar belangrijke beslissingen neemt.
4.2.
De vertegenwoordiger van de Raad heeft geen aanvullende informatie op het uitgebreide rapport. Volstaan wordt met een verwijzing naar dat rapport. Het is zorgelijk dat de moeder aangeeft dat zij het gezag over [minderjarige] niet meer wil uitvoeren. De moeder heeft ook verwijtbaar gedrag vertoond door geld van de bankrekening van [minderjarige] af te halen. De appcontacten tussen [minderjarige] en de moeder zijn steeds kort. Het is fijn dat [minderjarige] nu goed contact heeft met haar vader. De beëindiging van het gezag van de moeder is in het belang van [minderjarige] . De Raad volhardt daarom in zijn verzoek.
4.3.
De advocaat van de moeder geeft aan dat het voor de moeder emotioneel te zwaar is om naar de zitting te komen. Er zit veel verdriet bij haar. Zij heeft vorig jaar een auto-ongeluk gehad, waardoor zij een niet aangeboren hersenletsel heeft opgelopen. Haar omgeving ziet dat zij sindsdien negatief in gedrag is veranderd. De moeder maakt zich zorgen om het gedrag van [minderjarige] . Zij realiseert zich dat [minderjarige] niet (meer) bij haar kan wonen en dat zij ziet zij als falen. De moeder verzet zich niet tegen het verzoek van de Raad.
4.4.
De vertegenwoordiger van de GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Het is wenselijk dat de gezagssituatie wordt gewijzigd. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is hersteld. [minderjarige] kampt met gedragsproblematiek, maar zij wordt daarin professioneel ondersteund. De GI ziet een moeder die heel graag moeder wil zijn voor [minderjarige] , maar bij wie dat niet lukt. De GI volhardt in haar bereidverklaring om te worden belast met de voogdij over [minderjarige] . Bij toewijzing van het verzoek zal namens de GI de huidige jeugdbeschermer de uitvoerend voogd worden.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW) te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
5.2.
De rechtbank betrekt hierbij dat gezagsbeëindiging een verstrekkende en ingrijpende maatregel is, waardoor inmenging plaatsvindt in het gezinsleven van een ouder en zijn kind. Op deze inmenging is artikel 8 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van toepassing. Uit richtinggevende jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat van een beëindiging van het ouderlijk gezag slechts sprake kan zijn, als is gebleken dat voortzetting van de familieband, in dit geval in de vorm van een gezagsverhouding, schadelijk is voor het kind. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of het laten voortduren van het gezag van de moeder schadelijk is voor [minderjarige] .
5.3.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1]
5.4.
Uit de overgelegde stukken en standpunten die zijn gegeven op het kindgesprek en op de zitting blijkt dat [minderjarige] in haar leven veel onrust en wisselingen in woonplek heeft gekend. Zowel het wonen bij haar vader en moeder is meermaals niet goed gegaan. In 2023 is [minderjarige] weggelopen bij haar vader en is zij bij haar moeder gaan wonen. De opvoedsituatie van [minderjarige] bij haar moeder bleek ook zorgelijk. [minderjarige] kwam uiteindelijk op een crisisopvang terecht, omdat de moeder aangaf niet om te kunnen gaan met de gedragsproblematiek van [minderjarige] .
5.5.
Op dit moment woont [minderjarige] na op de [leefgroep]. Geconstateerd wordt door zowel de groepsleiding als haar leerkrachten dat zij zich daar goed ontwikkelt. Zowel [minderjarige] als de moeder geven aan niet meer terug te (willen) werken aan een thuisplaatsing, en dat deze groep goed voor haar is.
5.6.
Sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] is er geen (fysiek) contact en heel sporadisch appcontact tussen [minderjarige] en haar moeder. Er is gedurende de ondertoezichtstelling het besluit genomen niet terug te werken naar huis en de moeder sluit sindsdien ook niet meer aan bij gesprekken die over [minderjarige] gaan. De moeder geeft zowel bij de GI als bij de Raad aan geen rol voor zichzelf te zien in het leven van [minderjarige] , op geen enkele manier. Zij staat dan ook niet open voor contactherstel of hulpverlening hierbij. Daarnaast wordt het steeds moeilijker om de moeder gezagsbeslissingen over [minderjarige] te laten nemen. Door geen, actueel, inzicht te hebben in het leven van [minderjarige] is de moeder steeds minder in staat om de behoeften van haar dochter in te zien en te begrijpen. Het is voorts meermalen gebeurd dat zij gezagsbeslissingen heeft gedwarsboomd. Gezegd kan worden dat hierin binnen een afzienbare termijn geen veranderingen in positieve zin worden verwacht.
5.7.
Uit het voorgaande blijkt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. Uitgaande hiervan zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in beginsel niet langer de geëigende maatregelen. Volgens jurisprudentie van het EHRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging anders dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW Pro. Volgens artikel 8 EVRM Pro is beëindiging van het ouderlijk gezag een verstrekkende inmenging in het familie- en gezinsleven. Deze inmenging moet in een redelijke verhouding staan tot het doel dat wordt nagestreefd en een lichtere maatregel dient te worden verkozen boven een zwaardere maatregel als het doel daarmee ook kan worden bereikt. Slechts wanneer voortzetting van de band tussen het kind en zijn ouders in het nadeel zal zijn voor de verdere ontwikkeling van het kind, aldus de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), kan en mag er sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag. Uit het voorgaande blijkt dat de lichtere beschermingsmaatregelen in beginsel niet meer voldoen. Hieruit volgt tevens dat het voortduren van het gezag van de moeder schadelijk is voor [minderjarige] . Het vrijwillig kader voldoet dan ook niet meer.
5.8.
Aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, aanhef en onder a, BW en de vereisten van artikel 8 EVRM Pro wordt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. Door deze beslissing verandert er niets tussen de familieband die de moeder en [minderjarige] met elkaar hebben. De moeder blijft haar moeder.
5.9.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. Om in dat gezagsvacuüm te voorzien zal de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen die voortaan de gezagsbeslissingen zal nemen. [2] De GI heeft verklaard beschikbaar te zijn om dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI met de voogdij dient te worden belast.
5.10.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . [3] Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor haar de geldzaken kan regelen.
5.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
5.12.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de Raad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1981 in [geboorteplaats] , over [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ;
6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie [woonplaats] , tot voogdes over genoemde minderjarige;
6.3.
bepaalt dat de moeder aan de GI rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026, in aanwezigheid van Weterings als griffier, en op schrift gesteld op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
3.Artikel 1:276, eerste lid, BW.
4.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.