ECLI:NL:RBZWB:2026:4980

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/435765/ FA RK 25/2660
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van den Broek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging en nihilstelling van kinderalimentatie na wijziging omstandigheden

Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen, waarvan twee minderjarig. De man verzoekt de rechtbank om de kinderalimentatie per 1 januari 2020 te verlagen en vanaf 1 februari 2025 te nihilleren. De vrouw verzet zich tegen deze verzoeken.

De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waaronder een gewijzigde zorgverdeling en hogere inkomens van partijen. De rechtbank beoordeelt haar internationale bevoegdheid en bevestigt dat zij naar Nederlands recht moet beslissen.

De rechtbank wijst het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie per 1 januari 2026 toe, omdat partijen dit al onderling zijn overeengekomen en de vrouw de reeds betaalde bedragen heeft terugbetaald. Het verzoek tot wijziging van de alimentatie voor de periode 1 februari 2025 tot 1 januari 2026 wordt afgewezen omdat de man onvoldoende recente financiële gegevens heeft overgelegd en zijn behoefte- en draagkrachtberekeningen niet overtuigend zijn.

De rechtbank wijst ook het verzoek tot veroordeling in de proceskosten af, omdat de man dit niet langer handhaaft. De beschikking wordt uitgesproken door rechter Van den Broek op 7 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie per 1 januari 2026 op nihil en wijst het verzoek tot wijziging voor 2025 af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/435765/ FA RK 25/2660
Datum uitspraak: 7 mei 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. M.J.E.M. Edelmann,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. D. van Wensen.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 23 mei 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 19 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig verzoek;
- de beschikking betreffende levensonderhoud van deze rechtbank van 11 april 2016 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 15 december 2015.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Ook na te noemen [minderjarige 1] die gedurende de looptijd van de zaak meerderjarig is geworden, is ter zitting verschenen. Nadat de rechter hem had uitgelegd waar de zitting over zou gaan en wat zijn rol daarin kon zijn, heeft bij besloten de zitting niet verder bij te wonen en heeft hij de zittingszaal verlaten.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek
.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2005 tot [datum 2] 2016;
- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:
1. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] (Spanje) op [geboortedag 1] 2008,
2. [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2013.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over die minderjarigen;
- uit het huwelijk is ook het navolgende meerderjarige kind geboren:
[minderjarige 1] , geboren te [geboortedag 3] 2007 op [geboorteplaats 3] (Frankrijk).
2.2
Ingevolge het ouderschapsplan dat onderdeel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank van 11 april 2016 dient de man nu -inclusief de wettelijke indexeringen- € 200,32 per maand per kind te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
2.3.
Eén van de minderjarige kinderen, ter zitting is gebleken dat dat [minderjarige 3] zal zijn geweest, heeft gereageerd en op het keuzeformulier aangegeven niet op gesprek te willen komen maar dat hij graag wil dat hij op vrijdag, zaterdag, zondag en maandag bij zijn vader slaapt en dat hij op dinsdag, woensdag en donderdag bij zijn moeder wil slapen.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt in zijn verzoekschrift de door hem te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2020 nader vast te stellen op € 21,00 per kind per maand en vanaf 1 februari 2025 vast te stellen op nihil, een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
3.2.
De vrouw voert hiertegen verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de man af te wijzen dan wel, voor het geval de maandelijkse bijdrage wordt gewijzigd, te bepalen dat de datum van wijziging op de datum van de beschikking wordt gesteld, dan wel op de datum van indiening van het verzoekschrift en verder te bepalen dat al hetgeen de vrouw als kinderalimentatie van de man heeft ontvangen, door de vrouw kan worden behouden.

4.De beoordeling

4.1
Vanwege de verschillende nationaliteiten van de vrouw en de kinderen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die internationale aspecten ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
De positie van [minderjarige 1]
4.2.
Voor zover het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie betrekking heeft op de kinderalimentatie die hij betaalt voor [minderjarige 1] , merkt de rechtbank op zij dit verzoek slechts zal beoordelen tot [geboortedag 3] 2025. Op [geboortedag 3] 2025 is [minderjarige 1] meerderjarig geworden en dat betekent dat hij niet langer door de vrouw wordt vertegenwoordigd, tenzij [minderjarige 1] de vrouw daartoe uitdrukkelijk zou hebben gemachtigd. Een dergelijke machtiging ontbreekt en de man heeft zijn verzoek ook niet aangepast in die zin dat hij zijn verzoek vanaf 1 juli 2025 rechtstreeks aan [minderjarige 1] heeft gericht. [minderjarige 1] is weliswaar door de rechtbank uitgenodigd voor de zitting, maar hij heeft zich niet formeel in de procedure gesteld.
De man is ontvankelijk in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie
4.3.
De man voert als grond voor zijn verzoek aan dat sinds eerder genoemde beschikking van 11 april 2016 de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de overeengekomen bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet [1] . In dit verband stelt hij enerzijds dat de kinderen - in afwijking van de in het ouderschapsplan gemaakte afspraken- al vrij snel ieder weekend bij hem verbleven, wat van invloed is op de hoogte van de zorgkorting. Anderzijds genereert de vrouw volgens de man, in ieder geval sinds 2017, meer inkomen dan waarvan partijen ten tijde van het opstellen van het ouderschapsplan zijn uitgegaan.
4.4.
De vrouw betwist niet dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden aangezien beide partijen meer zijn gaan verdienen in de loop van de tijd. Wel vraagt zij zich af of de wijziging rechtens relevant is.
4.5.
De rechtbank concludeert dat tussen partijen niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een onderzoek rechtvaardigt naar de vraag of de alimentatie moet worden gewijzigd als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De man is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank moet beoordelen of de gestelde wijzigingen van omstandigheden ook rechtens relevant zijn en maken dat de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige kinderen moet worden gewijzigd.
De kinderalimentatie van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt per 1 januari 2026 op nihil gesteld
4.6.
Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen voorafgaand aan de zitting al met elkaar hebben afgesproken dat de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2026 op nihil wordt gesteld. De door de man betaalde alimentatie over de maanden januari, februari en maart 2026 is door de vrouw aan de man terugbetaald. De rechtbank hoeft over de periode vanaf 1 januari 2026 en een eventuele terugbetaling van de bedragen die na 1 januari 2026 zijn betaald dan ook niet meer inhoudelijk te oordelen.
De rechtbank wijst de overige verzoeken af
4.7.
De man heeft zijn verzoek ter zitting beperkt tot de periode gelegen tussen 1 februari 2025 en 1 januari 2026 (het moment van nihilstelling). De rechtbank moet dus nog oordelen over een periode van 11 maanden, allen gelegen in 2025.
4.8.
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek een jaaropgave overgelegd waaruit zijn inkomen blijkt en twee jaaropgaven uit 2024 waaruit het inkomen van de vrouw blijkt. Over het inkomen in 2025 heeft de man geen informatie gegeven en geen stukken overgelegd. De man heeft verder behoefte- en draagkrachtberekeningen overgelegd die zijn gebaseerd op genoemde jaaropgaves van de man en de vrouw.
4.9.
Door de vrouw is aangevoerd dat met betrekking tot het inkomen van de man enkel een jaaropgave is overgelegd waaruit niet blijkt op welk jaar deze betrekking heeft. De vrouw merkt hierbij nog op dat enkel een jaaropgave onvoldoende informatie geeft over het inkomen van de man. De vrouw kan op basis van enkel een jaaropgave bijvoorbeeld niet vaststellen of er nog andere inkomsten zijn. Verder had volgens de vrouw de man stukken over 2025 in het geding moeten brengen, zodat bij de beoordeling van het verzoek van recente inkomensgegevens uit kan worden gegaan.
4.10.
De rechtbank overweegt dat het aan de man is om de verzochte wijziging/nihilstelling van de kinderalimentatie te onderbouwen en dat heeft hij op basis van de overgelegde stukken onvoldoende gedaan. De man heeft een jaaropgave in het geding gebracht, maar daaruit blijkt niet op welk jaar die betrekking heeft. De man heeft ter zitting gesteld dat de jaaropgave betrekking heeft op 2024, maar heeft dit niet aan kunnen tonen.
Verder verzoekt de man een nihilstelling van de alimentatie over de periode 1 februari 2025 tot 1 januari 2026, maar laat na om financiële stukken over 2025 in het geding te brengen. Dit had van de man wel verwacht mogen worden en sterker nog, de rechtbank heeft de man in de oproep voor de zitting ook uitdrukkelijk verzocht om in ieder geval actuele, onderbouwde berekeningen in het geding te brengen.
Verder geldt dat ook als zou worden uitgegaan van de door de man overgelegde behoefte- en draagkrachtberekeningen, daaruit niet voortvloeit dat er een nihilstelling zou moeten volgen. Op basis van de genoemde berekeningen resteert namelijk nog een draagkracht aan de zijde van de man om een bijdrage te betalen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de kinderalimentatie als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
4.11.
De man heeft in eerste instantie verzocht de vrouw in de proceskosten te veroordelen, maar ter zitting heeft de man aangegeven dat verzoek niet langer te handhaven.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de bijdrage van de man in de kosten en verzorging voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vanaf 1 januari 2026 op nihil wordt gesteld;
5.2.
wijst alle overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van den Broek, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 BW Pro