Uitspraak
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben samen drie kinderen, waarvan twee minderjarig. De man verzoekt de rechtbank om de kinderalimentatie per 1 januari 2020 te verlagen en vanaf 1 februari 2025 te nihilleren. De vrouw verzet zich tegen deze verzoeken.
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, waaronder een gewijzigde zorgverdeling en hogere inkomens van partijen. De rechtbank beoordeelt haar internationale bevoegdheid en bevestigt dat zij naar Nederlands recht moet beslissen.
De rechtbank wijst het verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie per 1 januari 2026 toe, omdat partijen dit al onderling zijn overeengekomen en de vrouw de reeds betaalde bedragen heeft terugbetaald. Het verzoek tot wijziging van de alimentatie voor de periode 1 februari 2025 tot 1 januari 2026 wordt afgewezen omdat de man onvoldoende recente financiële gegevens heeft overgelegd en zijn behoefte- en draagkrachtberekeningen niet overtuigend zijn.
De rechtbank wijst ook het verzoek tot veroordeling in de proceskosten af, omdat de man dit niet langer handhaaft. De beschikking wordt uitgesproken door rechter Van den Broek op 7 mei 2026.
Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie per 1 januari 2026 op nihil en wijst het verzoek tot wijziging voor 2025 af wegens onvoldoende onderbouwing.