ECLI:NL:RBZWB:2026:4979

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446570 / JE RK 26-536
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWLeerplichtwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen binnen een gezin. De kinderrechter heeft de procedure met gesloten deuren gevoerd en de mening van twee minderjarigen gevraagd, die hier geen gebruik van maakten.

De ouders hebben het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij hen. De ondertoezichtstelling was reeds eerder ingesteld en verlengd. De GI verzoekt nu een verlenging van een jaar voor alle drie de kinderen, met het oog op systematische hulpverlening, vooral voor de oudste minderjarige.

De ouders wijzen op positieve ontwikkelingen en betwijfelen de noodzaak van verlenging, vooral vanwege moeizame samenwerking met de GI en zorgen over de betrokkenheid van de oudste minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat voor de jongste twee kinderen geen verlenging nodig is omdat hun ontwikkeling niet meer ernstig wordt bedreigd en zij in een veilige omgeving opgroeien. Voor de oudste minderjarige is er echter nog steeds sprake van ernstige bedreiging van haar ontwikkeling, mede door zorgen over haar schoolgang en recente incidenten op een zorgboerderij. De GI moet betrokken blijven om de situatie te monitoren en passende hulp te bieden. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek. De beslissing is direct uitvoerbaar en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de oudste minderjarige wordt verlengd voor zes maanden, terwijl het verzoek voor de andere twee wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446570 / JE RK 26-536
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder, en
[de vader], hierna te noemen de vader, gezamenlijk te noemen: de ouders,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hier geen gebruik van gemaakt
.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun ouders.
2.3.
Bij beschikking van 15 mei 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 15 mei 2025 en tot 15 november 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. De ondertoezichtstelling is vervolgens verlengd, laatstelijk tot 15 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. Op advies van hun gedragswetenschapper wil de GI systematische hulpverlening inzetten voor [minderjarige 1] . Over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn op dit moment minder zorgen, maar omdat zij wel betrokken zullen worden bij de systematische hulpverlening verzoekt de GI voor alle drie de kinderen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Het contact met de ouders is niet altijd soepel verlopen. Het is belangrijk dat de ouders en de GI goed met elkaar in contact staan.
4.2.
De ouders voeren aan dat er veel positieve ontwikkelingen zijn binnen het gezin. Mede dankzij de SCHIP-therapie leren ouders elkaar beter begrijpen en is de rust teruggekeerd in het gezin. [minderjarige 1] krijgt op dit moment thuisonderwijs, hetgeen haar erg goed doet. [minderjarige 1] is de laatste periode blij, heeft structuur en maakt op een positieve manier deel uit van het gezin. De moeder heeft in het verleden veel geprobeerd om [minderjarige 1] naar school te krijgen, tot op heden is dit niet gelukt. De ouders betwijfelen of het inzetten van extra begeleiding om weer naar school te gaan passend is voor [minderjarige 1] . De ouders hebben zorgen over de manier waarop [minderjarige 1] wordt betrokken in het proces. Het is belangrijk dat er zorgvuldig met [minderjarige 1] wordt omgegaan en dat zij niet extra wordt belast. Verder verloopt de samenwerking met de GI moeizaam. De ouders zijn van mening dat een verlenging van de ondertoezichtstelling alleen passend is als er een goede samenwerking kan ontstaan tussen de GI en de ouders. De ouders geven aan open te staan voor de samenwerking en voor overige hulp, maar vragen zich ook af wat op dit moment de meerwaarde is van de betrokken GI. Tot slot geven de ouders aan dat zij in het verleden al eens systeemtherapie hebben gevolgd.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling oordeelt de kinderrechter dat de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet meer ernstig wordt bedreigd. Het gaat goed met de kinderen en de GI ziet geen reden om hulpverlening bij [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in te zetten. De ouders en de kinderen wonen nu al weer enige tijd als gezin samen en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben voldoende onbelast contact met de beide ouders. De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dit moment opgroeien in een fysiek en emotioneel veilige opvoedingsomgeving. De enkele omstandigheid dat er binnen het gezin systeemtherapie moet worden ingezet omdat dit, met name voor [minderjarige 1] , nodig is, is onvoldoende reden om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen. De kinderrechter wijst het verzoek voor de verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] daarom af.
5.3.
Aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] is wel voldaan. [1] De kinderrechter legt hierna uit waarom. De afgelopen periode gaat het beter in het gezin. Er is meer stabiliteit in de relatie tussen de ouders, hetgeen zorgt voor rust in het gezin. Dit is uiteraard positief. Ook met [minderjarige 1] gaat het de afgelopen tijd beter. De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt echter nog steeds ernstig bedreigd, omdat er nog steeds zorgen over haar zijn. [minderjarige 1] is een kwetsbaar meisje met veel kindeigenproblematiek. [minderjarige 1] heeft meer dan gemiddeld behoefte aan een duidelijke en voorspelbare opvoedomgeving. De huidige stabiliteit tussen de ouders en in het gezin is daarnaast nog pril. Het is belangrijk dat de GI de komende periode betrokken blijft om de stabiliteit binnen het gezin te monitoren en te onderzoeken wat [minderjarige 1] nodig heeft in haar ontwikkeling. Daarbij dient aandacht te worden gegeven aan de schoolgang van [minderjarige 1] . Een punt van zorg is namelijk dat zij al enkele maanden niet naar school gaat. Hoewel het thuisonderwijs op dit moment volgens de ouders goed verloopt, bestaan hierover bij de GI zorgen. Hoewel de situatie nu iets anders lijkt te zijn, werd in het verzoekschrift nog benoemd dat bij de dagbesteding geen vrolijke [minderjarige 1] werd gezien. Het is onduidelijk wat de meest passende vorm van onderwijs voor [minderjarige 1] en of zij inderdaad niet terug naar school kan gaan. Hier dient onderzoek naar te worden gedaan, waarbij rekening moet worden gehouden met de verplichtingen die volgen uit de Leerplichtwet.
5.4.
Daarnaast hebben er recentelijk incidenten plaatsgevonden op de zorgboerderij waarbij er zorgen waren over de (seksuele) veiligheid van [minderjarige 1] . Hoewel er tussen de ouders en de zorgboerderij veiligheidsafspraken zijn gemaakt, baart het de kinderrechter zorgen dat de communicatie over de incidenten tussen de ouders en de GI niet goed is verlopen. De GI zal moeten monitoren of de zorgboerderij een veilige plek is voor [minderjarige 1] en of de gemaakte veiligheidsafspraken worden nageleefd. Tot slot moet de GI systeemtherapie voor het gehele gezin inzetten. Het is daarbij belangrijk dat de resultaten uit de eerder ingezette hulpverlening ten aanzien van [minderjarige 1] worden betrokken, voor zover deze nog bruikbaar zijn. De ouders hebben in het verleden immers al erg veel hulp ingeschakeld voor [minderjarige 1] en onderzoek naar haar laten doen.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders en de GI nog onvoldoende op één lijn zitten. Doordat de ouders en de GI nog onvoldoende samenwerken lukt het niet om adequate hulpverlening binnen het gezin in te zetten. De GI moet de komende periode de regie blijven voeren om de juiste hulpverlening voor [minderjarige 1] en de ouders in te zetten en de stabiliteit in het gezin te borgen. Zowel de GI als de ouders dienen zich ervoor in te spannen om duidelijk maar ook constructief met elkaar te communiceren. Dit is in het belang van [minderjarige 1] .
5.6.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat het verzoek voor de verlenging van de ondertoezichtstelling voor zes maanden wordt toegewezen, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Na de komende zes maanden verwacht de kinderrechter meer duidelijkheid over welke hulpverlening en welke vorm van onderwijs het meest passend is voor [minderjarige 1] . Ook is er meer zicht op de stabiliteit in het gezin. Over zes maanden kan worden beoordeeld of een beëindiging van de ondertoezichtstelling passend is.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] af;
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 15 november 2026;
6.3.
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling van
vrijdag 9 oktober 2026 PRO FORMA, en verzoekt de GI om uiterlijk 14 dagen voor deze datum te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de stand van zaken, haar nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.