ECLI:NL:RBZWB:2026:4977

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/446842 / JE RK 26-595
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Borm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in gezinshuis

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen die sinds 2025 in een gezinshuis verblijven. De ouders oefenen het ouderlijk gezag uit, maar de kinderen kunnen niet thuis wonen vanwege overbelasting van de vader en gezondheidsproblemen van de moeder.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren de ouders afwezig maar de minderjarigen spraken met de kinderrechter. Uit deze gesprekken bleek dat de kinderen het goed hebben in het gezinshuis, hoewel de wens om thuis te wonen bij een van hen nog aanwezig is. De samenwerking tussen de vader en het gezinshuis verloopt moeizaam, wat een belasting vormt voor de kinderen.

De kinderrechter oordeelt dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk blijven omdat de ontwikkeling van de kinderen nog steeds ernstig bedreigd wordt en de huidige positieve ontwikkelingen nog niet zijn geborgd. Er wordt een borgingsplan opgesteld en passende hulpverlening ingezet. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen voor drie maanden en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446842 / JE RK 26-595
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
Bij beschikking van 27 augustus 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 augustus 2020 en tot 27 augustus 2021. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 mei 2026.
2.3.
Bij beschikking van 27 augustus 2020 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 27 augustus 2020 en tot 27 februari 2021. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 februari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 13 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 27 februari 2025 en tot 27 augustus 2025. De machtiging is voor het laatste verlengd tot 27 mei 2026.
2.5.
Op grond van voornoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinshuis.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van drie maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing naar de overgelegde stukken. Hoewel er soms moeilijkheden zijn, zitten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] goed in het gezinshuis. [minderjarige 2] heeft geaccepteerd dat ze niet thuis kan wonen. Bij [minderjarige 1] blijft de wens om thuis te wonen nog aanwezig. Verder verloopt de samenwerking tussen de vader en het gezinshuis soms moeizaam, hier worden de kinderen mee belast. Met de oma van moederszijde is de afspraak gemaakt dat zij niet direct contact heeft met de moeder, maar dat zij alleen via het gezinshuis contact opneemt over de kinderen. De komende periode gaat de GI kijken naar wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben en zal er een borgingsplan worden gemaakt. De GI verwacht dat een periode van drie maanden daarvoor voldoende is.
4.2.
[minderjarige 1] geeft in haar gesprek met de kinderrechter aan dat ze het goed vindt om bij de pleegouders te blijven wonen. [minderjarige 1] zou graag naar een andere school willen. Ze zit nu op het [college] , maar dit is volgens [minderjarige 1] geen leuke school. In de weekenden gaan [minderjarige 1] met haar zus naar hun ouders, dat gaat goed. Er is ook goed contact met de oma van moederszijde. Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat steeds beter. [minderjarige 1] vindt een onderzoek naar ADHD prima.
4.3.
[minderjarige 2] geeft in haar gesprek met de kinderrechter aan dat ze het goed vindt om bij de pleegouders te blijven wonen. [minderjarige 2] weet inmiddels dat ze niet naar huis kan. Ze heeft het goed bij het pleeggezin, al was het vorige pleeggezin wel meer een echt gezin. Nu wonen er in het gezinshuis in totaal tien personen. In de weekenden is het leuk bij de ouders. Tot slot gaat het contact met [minderjarige 1] met pieken en dalen.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het afgelopen jaar hebben kunnen profiteren van de stabiliteit, structuur en voorspelbaarheid die het gezinshuis biedt. De plaatsing in het gezinshuis is hun ontwikkeling ten goede gekomen. Uit de gesprekken tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de kinderrechter blijkt dat de kinderen het goed hebben in het gezinshuis. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt echter nog steeds ernstig bedreigd, omdat de huidige positieve ontwikkelingen nog niet zijn geborgd. In de komende maanden zullen er nog stappen moeten worden gezet om de stabiliteit te waarborgen. Op dit moment wordt via [jeugdzorg] een breed onderzoek naar [minderjarige 1] uitgevoerd. De uitkomst hiervan is essentieel om passende hulpverlening in te zetten voor [minderjarige 1] . De komende tijd zal ook worden benut om waar nodig de juiste hulpverlening voor [minderjarige 2] in te zetten. Ook zal er verder moeten worden gebouwd aan het versterken van de samenwerking met de ouders en aan het versterken van hun draagkracht.
5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het vertrouwen tussen de ouders, de betrokken hulpverlening, de pleegouders en de jeugdbescherming kwetsbaar blijft. Het is belangrijk dat GI de komende periode de regie blijft voeren om een borgingsplan op te stellen en de benodigde hulpverlening in te zetten.
5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van drie maanden.
5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds 2025 in een gezinshuis. Het gezinshuis biedt stabiliteit en is een plek waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zichzelf kunnen ontwikkelen. Het is niet mogelijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug thuis gaan wonen. Bij de vader is er sprake van overbelasting, omdat hij de zorg voor de kinderen combineert met het runnen van zijn restaurant. De vader staat daarnaast niet goed in contact met de jeugdbeschermer, waardoor er onvoldoende stappen kunnen worden gelet. Bij de moeder blijft de gezondheid een zorg. Dit heeft effect op haar draagkracht. Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk dat de machtiging uithuisplaatsing wordt gecontinueerd.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 27 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 27 augustus 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.