ECLI:NL:RBZWB:2026:4976

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/02/438429 FA RK 25-4007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenstemming en beschikking over alimentatie jongmeerderjarige dochter

De zaak betreft een verzoek van de jongmeerderjarige dochter om vaststelling van alimentatie door haar vader, inclusief achterstallige betalingen en kosten van kliniekopname. De dochter is sinds 2023 meerderjarig en heeft in 2026 de leeftijd van 21 jaar bereikt. Er was geen rechterlijke uitspraak over alimentatie.

De dochter vorderde een maandelijkse alimentatie vanaf 2023, indexering, betaling van achterstallige alimentatie en een bijdrage in kliniekkosten. De vader stelde lagere bedragen voor en verzocht tevens om de dochter te veroordelen in de proceskosten.

Tijdens de mondelinge behandeling op 23 april 2026 bereikten partijen overeenstemming over een totaalbedrag van €2.000 voor de periode van 1 september 2023 tot 1 maart 2026. De rechtbank heeft deze afspraak bekrachtigd en het overige afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

De beschikking is op 7 mei 2026 uitgesproken door rechter Bollen in aanwezigheid van griffier De Wit. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak via het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank bekrachtigt de overeenkomst waarbij de vader €2.000 betaalt als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter over september 2023 tot maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/438429 FA RK 25-4007
7 mei 2026
beschikking betreffende levensonderhoud
in de zaak van
[de dochter],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de dochter,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur,
en
[de vader],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.C. Appünn.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 30 juli 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 29 september 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- de brieven van mr. Avontuur van 14 augustus 2025, 26 maart 2026 en 20 april 2026 met bijlagen;
- de brief van mr. Appünn van 10 april 2026 tevens houdende gewijzigd en aanvullend zelfstandig verzoek met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 23 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2.De feiten

2.1
Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- de dochter is op [geboortedag] 2005 geboren uit de inmiddels verbroken relatie tussen de vader en mevrouw [naam] ;
- de dochter is sinds [geboortedag] 2023 meerderjarig;
- de dochter heeft op [geboortedag] 2026 de leeftijd van 21 jaar bereikt;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de vader een onderhoudsbijdrage aan de dochter moet voldoen.

3.De verzoeken

3.1
De dochter heeft verzocht:
- voor recht te verklaren dat de vader aan haar in 2023 een bedrag van € 537,= per maand aan alimentatie verschuldigd was, welk bedrag geïndexeerd moet worden per
1 januari 2024 en 1 januari 2025;
- te bepalen dat de vader over de periode van september 2023 tot en met juli 2025 een bedrag van € 13.242,52 verschuldigd is aan achterstallige alimentatie;
- te bepalen dat de vader de helft van de kosten van de opname in de kliniek zal moeten betalen, aldus een bedrag van in totaal € 2.600,=;
- te bepalen dat de vader als bijdrage in haar kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 september 2025 een bedrag van € 433,= per maand bij vooruitbetaling aan haar zal voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vaststelt.
3.2
De vader heeft verzocht:
- de door hem aan de dochter te betalen bijdrage vast te stellen op:
- € 367,= in september 2023;
- € 227,54 per maand van oktober tot en met december 2023,
- € 315,= per maand van januari tot en met december 2024,
- € 318,= per maand van januari tot en met mei 2025,
- nihil van mei tot en met december 2025,
- € 197,98 in januari 2026,
- 50,= in februari 2026,
- nihil in maart 2026;
- de dochter te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

4.1
Na een bespreking van de standpunten van partijen ter zitting zijn partijen er tijdens een schorsing van de zitting in geslaagd alsnog overeenstemming te bereiken. Partijen hebben afgesproken dat de vader een bedrag van € 2.000,= aan de dochter betaalt uit hoofde van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie over de periode van
1 september 2023 tot 1 maart 2026.
4.2
Op verzoek van partijen zal de rechtbank overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraak beslissen. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
4.3
De vader heeft ter zitting zijn verzoek tot veroordeling van de dochter in de proceskosten ingetrokken. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
bepaalt dat de vader aan de dochter als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie over de periode van 1 september 2023 tot 1 maart 2026 een bedrag betaalt van in totaal € 2.000,= (twee duizend euro);
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. De Wit, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.