Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 april 2026;
- de brief van mr. Van Hoof met bijlage, ontvangen op 1 mei 2026.
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
2.De feiten
- In de even weken is [minderjarige] van woensdagmiddag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vader. De vader haalt haar op woensdagmiddag op uit school en brengt haar op donderdagochtend weer naar school.
- In de oneven weken is [minderjarige] van vrijdagmiddag uit school tot zaterdag 18.00 uur bij de vader. De vader haalt haar op vrijdagmiddag op uit school en brengt haar op zaterdagavond om 18.00 uur terug naar de moeder.
3.De verzoeken
- In de even weken verblijft [minderjarige] bij vader van donderdag na schooltijd tot en met maandag voor schooltijd.
- In de oneven weken verblijft [minderjarige] bij vader van woensdag na schooltijd tot en met vrijdag voor schooltijd.
- Deze weken wisselen elkaar af in een doorlopende cyclus.
- De wisseling vindt plaats op school.
- Tijdens (school)vakanties heeft [minderjarige] minimaal eenmaal per week contact met de andere ouder via videobellen.
- Ouders kunnen in onderling overleg aanvullende of afwijkende afspraken maken, mits deze in het belang van [minderjarige] zijn.
- Ouders zijn niet bevoegd om eenzijdig omgangsmomenten te wijzigen.
- De vakantie start op vrijdag na school. De ouder waar [minderjarige] in de eerste week van de vakantie verblijft, haalt haar op uit school.
- De ouder waar [minderjarige] in de eerste week verblijft, brengt [minderjarige] om 10.00 uur (op vrijdag) naar de andere ouder.
- De ouder bij wie [minderjarige] in de tweede week verblijft, brengt [minderjarige] op maandagochtend na de vakantie weer naar school.
- De zomervakantie wordt bij helfte verdeeld. Bij afwijkingen overleggen de ouders onderling.
- De vakantie start op de vrijdag na school. De ouder bij wie [minderjarige] in de eerste drie weken verblijft, haalt haar op van school.
- De ouder bij wie [minderjarige] in de eerste drie weken verblijft, brengt haar (op vrijdag) om 10.00 uur naar de andere ouder.
- De ouder bij wie [minderjarige] in de tweede drie weken verblijft, brengt haar op de maandagochtend na de vakantie weer naar school.
- [minderjarige] verblijft in de eerste twee weken, van 11 juli tot 25 juli 2026, bij de vader.
- In de derde en vierde week, van 25 juli tot 8 augustus 2026, verblijft [minderjarige] bij de moeder.
- In de vijfde week, van 8 augustus tot 15 augustus 2026, verblijft zij bij de vader.
- In de zesde week, van 15 augustus tot 22 augustus 2026, verblijft [minderjarige] bij de moeder.
- De ouder bij wie [minderjarige] verblijft, brengt haar naar de andere ouder.
- De vakantie start op vrijdag na school. De ouder waar [minderjarige] in de eerste week van de vakantie verblijft, haalt haar op uit school.
- De ouder waar [minderjarige] in de eerste week verblijft, brengt [minderjarige] om 10.00 uur (op vrijdag) naar de andere ouder.
- De ouder bij wie [minderjarige] in de tweede week verblijft, brengt [minderjarige] op maandagochtend na de vakantie weer naar school.
- 2e Paasdag en 2° Pinksterdag vallen altijd op een maandag, [minderjarige] zal dan door de vader om 10.00 uur naar de moeder worden gebracht.
- Hemelvaart valt altijd op een donderdag. [minderjarige] zal dan door de vader om 10.00 uur naar moeder worden gebracht.
4.De standpunten
5.De beoordeling
6.De beslissing
- In de even weken verblijft [minderjarige] bij vader van donderdag na schooltijd tot en met maandag voor schooltijd.
- In de oneven weken verblijft [minderjarige] bij vader van woensdag na schooltijd tot en met vrijdag voor schooltijd.
- Deze weken wisselen elkaar af in een doorlopende cyclus.
- De wisseling vindt plaats op school.
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 met ingang van heden;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.