ECLI:NL:RBZWB:2026:497

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
25/6462 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verhuizing naar andere opvanglocatie

Verzoekster verbleef met haar minderjarige kind in een gemeentelijke opvang en werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes verplicht te verhuizen naar een andere opvanglocatie. Zij stelde dat de nieuwe woonomstandigheden ongeschikt waren en dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de verslechterde psychisch-emotionele toestand van haar kind en andere omstandigheden.

De voorzieningenrechter vroeg verzoekster om nadere onderbouwing en bewijsstukken van het spoedeisend belang, waaronder een medische verklaring en bewijs van inschakeling van instanties zoals Veilig Thuis. Verzoekster reageerde niet inhoudelijk op dit verzoek.

De voorzieningenrechter concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er sprake was van onverwijlde spoed en dat verzoekster de bezwaarprocedure kon afwachten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verhuizing naar een andere opvanglocatie wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6462

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats] , verzoekster
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes(college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake het opleggen van een verhuizing naar een andere opvanglocatie door het college.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.1.
Verzoekster verbleef met haar minderjarig kind in de gemeentelijke opvang aan [adres 1] , [locatie] te [plaats] . Het college heeft haar in een brief van 4 december bericht dat zij dient te verhuizen naar de opvanglocatie [adres 2] te [plaats] . Deze verhuizing heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden.
2.2
In het verzoekschrift van 17 december 2025 stelt verzoekster dat de nieuwe opvang een kleine kamer betreft met gedeelde sanitaire voorzieningen, gedeelde keuken en gemeenschappelijke ruimtes. Deze woonomstandigheden acht zij niet passend voor haar als alleenstaande moeder en een minderjarig kind. Zij stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat:
- sprake is van een minderjarig kind;
- zij geen formeel besluit heeft ontvangen;
- toegang tot woonruimte en persoonlijke eigendommen beperkt is;
- sprake is geweest van een situatie van feitelijke dakloosheid;
- de psychische en fysieke veiligheid van het kind in het geding is.
Verzoekster heeft aangegeven dat de psychisch-emotionele toestand van haar kind aanzienlijk is verslechterd en dat vanwege de ernst van de situatie Veilig Thuis is geïnformeerd.
3.1.
De griffier heeft verzoekster bij brief van 24 december 2025 verzocht om binnen zeven dagen de spoedeisendheid van het verzoek om voorlopige voorziening toe te lichten. Daarbij is verzocht om een onderbouwing met bewijsstukken van de stelling dat de psychisch-emotionele toestand van verzoeksters kind aanzienlijk is verslechterd, zoals een verklaring van een arts. Daarnaast is verzoekster gevraagd om bewijs te overleggen van inschakeling van instanties zoals Veilig Thuis.
3.2.
Verzoekster heeft op 29 december 2025 de ontvangst van de brief van de griffier van 24 december 2025 bevestigd en aangekondigd om, rekening houdend met de feestdagen, “uiterlijk op maandag” te zullen reageren.
3.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat na de brief van 29 december 2025 niet meer van verzoekster is vernomen. Verzoekster heeft dan ook niet inhoudelijk gereageerd op de brief van 24 december 2025. Van verzoekster is geen antwoord ontvangen op de vraag wat haar spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening en evenmin heeft zij de gevraagde bewijsstukken overgelegd.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed. Niet valt in te zien dat verzoekster de bezwaarprocedure niet kan afwachten. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.