ECLI:NL:RBZWB:2026:4967

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/02/399848 / FA RK 22-3295
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag en stopzetting contactregeling tussen vader en minderjarige

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de moeder om haar eenhoofdig gezag te geven over haar minderjarige kind en om de bestaande zorg- en contactregeling met de vader stop te zetten. De vader was niet aanwezig bij de zitting en verzet zich tegen de voorgestelde maatregelen, met name tegen begeleide omgang.

De feiten tonen aan dat er sinds mei 2025 geen contact meer is geweest tussen vader en kind, mede door de weigering van de vader om begeleide omgang te accepteren. De gecertificeerde instelling en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de contactregeling stop te zetten, omdat het contact niet op gang is gekomen en de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden sinds het verkrijgen van het gezamenlijk gezag zodanig zijn gewijzigd dat het in het belang van het kind is om het gezag aan de moeder toe te wijzen. Tevens wordt de voorlopige contactregeling gewijzigd door het contact tussen vader en kind stop te zetten, met het oog op het welzijn van het kind. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en een kindvriendelijke brief wordt aan de minderjarige gestuurd om de beslissing uit te leggen.

Uitkomst: De moeder krijgt eenhoofdig gezag over de minderjarige en de contactregeling met de vader wordt stopgezet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/399848 / FA RK 22-3295
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Nadere beschikking over gezag en verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw] ,hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk,
tegen
[de man], hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
is in de procedure gekend: de
Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • de tussenbeschikking van 7 mei 2025 en alle daarin vermelde stukken;
  • de brief van mr. Van Reeven-Özer, van 12 maart 2026;
  • de brief van de man, ontvangen op 28 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De man is, met kennisgeving vooraf, niet bij de zitting verschenen.
1.4.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige zaak met het door de GI ingediende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling met kenmerk C/02/445559 / JE RK 26-345, zijn beide verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis in kort geding van 12 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de beschikking van 23 augustus 2022 gewijzigd en bepaald dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigrecht hebben op contact met elkaar:
  • eenmaal in de week een videobelmoment;
  • eens in de drie weken op de zaterdag van 10:00 uur tot 12:00 uur op neutraal terrein,
  • in de omgeving van de woonplaats van de vrouw, bijvoorbeeld een (binnen)speeltuin
  • onder begeleiding van grootvader (moederszijde). Bij de eerste contacten zal de vrouw aanwezig zijn.
  • zowel de man als de vrouw laten zich op geen enkele manier negatief uit over de andere ouder of zijn of haar familie;
  • voor het geval aan een contact kosten zijn verbonden (zoals entreekosten) neemt de man de kosten van zichzelf en [minderjarige] voor zijn rekening;
  • in de periode vanaf 9januari tot 31 januari 2025 zijn de grootouders op vakantie en kunnen er dus geen contactmomenten plaatsvinden; dat geldt ook in geval van ziekte van grootvader mz.
2.2.
Bij voormelde beschikking van 7 mei 2025 heeft de rechtbank bepaald, onder wijziging van de in het vonnis van 12 november 2024 vastgestelde voorlopige zorgregeling, dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigrecht hebben op contact met elkaar:
- eens in de drie weken op de zaterdag van 10:00 uur tot 12:00 uur op neutraal terrein, in de omgeving van de woonplaats van de vrouw.
De verdere uitbreiding van deze voorlopige contactregeling zal onder regie van de GI plaatsvinden.
2.3.
Laatstelijk, bij de in deze zaak gegeven beschikking van 7 mei 2025, heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van partijen aangehouden, in afwachting van schriftelijk verslag van de GI over de actuele stand van zaken met betrekking tot het verloop van de ondertoezichtstelling, de hulpverlening en de voortgang van de contacten tussen de man en [minderjarige] .
2.4.
Vervolgens heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De GI concludeert daarin, samengevat, als volgt. Het contact tussen [minderjarige] en zijn vader is het afgelopen jaar niet tot stand gekomen. [minderjarige] wil het contact in een rustig tempo opbouwen en heeft daarbij behoefte aan begeleiding en de aanwezigheid van een vertrouwd persoon. Het contact wordt bemoeilijkt doordat de man voornamelijk Spaans spreekt, een taal die [minderjarige] nauwelijks beheerst. Bovendien verzet de man zich tegen begeleiding, de aanwezigheid van derden en het inzetten van een tolk. Hierdoor blijft begeleide omgang onmogelijk en sinds eind mei 2025 is er geen structureel contact meer geweest tussen vader en [minderjarige] . De GI heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van zes maanden. Deze termijn acht de GI noodzakelijk om, indien mogelijk, begeleide omgang tussen vader en [minderjarige] alsnog te kunnen opstarten.

3.De (resterende) verzoeken

3.1.
Aan de orde zijn de (gewijzigde) verzoeken van de vrouw aan de rechtbank om bij
beschikking, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:
I. De vrouw voortaan de belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;
II. Te bepalen dat het bij vonnis van 12 november 2024 vastgestelde voorlopige contactregeling wordt voortgezet, met dien verstande dat de wekelijkse videobelmomenten worden stopgezet;
III. Althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.
3.2.
De man verzoekt de rechtbank om de (gewijzigde) verzoeken van de vrouw af te wijzen.
3.3.
Bij wege van zelfstandig verzoek, verzoekt de man de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. Te bepalen dat de huidige voorlopige contactregeling aldus wordt gewijzigd in die zin dat de man en [minderjarige] voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur en iedere woensdag van 12:30 uur tot 18:00 uur, dan wel een voorlopige regeling vast te stellen welke de rechtbank juist acht.
II. Wanneer het verzochte onder I. niet mogelijk is, verzoekt de man om het bij vonnis van 12 november 2024 vastgestelde voorlopige contactregeling voort te zetten.

4.De (nadere) standpunten en het advies van de Raad

4.1.
Door en namens de vrouw is, samengevat, aangevoerd dat de man na de zitting van 8 april 2025 heeft aangegeven niet verder te willen met begeleide omgang. Hij is het oneens met het besluit dat hij [minderjarige] alleen onder begeleiding mag zien. Hierdoor heeft [minderjarige] eind maart 2025 voor het laatst contact gehad met de vader via begeleid bezoek. Omdat de vader niet openstaat voor begeleide omgang, is er sindsdien geen contact geweest tussen hen en is er geen hechtingsrelatie. Hulpverlening van ‘ [hulpverlening] ’ heeft geprobeerd contact met vader te leggen, maar dit is niet gelukt. De vader is wantrouwig en staat niet open voor hulpverlening. Het contact tussen de ouders verloopt daarnaast ook nog moeizaam. De vader uit regelmatig zijn frustraties richting moeder via app en e-mail. Zijn reacties zijn vaak negatief en richten zich niet op de inhoud, maar op zijn onvrede over de situatie. Hij beschuldigt moeder ervan dat hij zijn zoon niet mag zien en verwijt haar onder meer dat [minderjarige] van hem vervreemd is. Daarnaast uit hij kritiek op betrokken hulpverleners en wenst de vrouw negatieve dingen toe. De vrouw acht het, samen met de GI, noodzakelijk dat er op korte termijn duidelijkheid wordt gecreëerd aangaande het gezag en de omgang tussen de man en [minderjarige] . Zij handhaaft haar verzoek tot eenhoofdig gezag.
4.2.
De man heeft in zijn brief aan de rechtbank het volgende aangevoerd. De man ervaart dat hij al jarenlang vastzit in een onrechtvaardige situatie. Hij weigert verder deel te nemen aan de juridische procedures, omdat hij vindt dat de uitslagen altijd in het voordeel zijn van de vrouw, en hij geen eerlijke kans krijgt. Volgens hem geloven de rechters vooral de verklaringen van hulpverleners, die naar zijn mening niet eerlijk en niet accuraat zijn. Zijn eigen bewijs en zorgen worden niet serieus genomen. Hij verwijt met name medewerkers van de Raad en andere betrokken instanties dat ze onjuiste informatie verspreiden, en voelt zich machteloos omdat de onjuiste rapportages telkens worden overgenomen. Hij heeft nooit iets gedaan tegen/bij zijn zoon. De man wil zijn verantwoordelijkheid als vader nemen en vindt het onrechtvaardig dat hem het contact met zijn zoon is ontnomen. Hij wil geen omgangsbegeleiding, omdat deze is opgelegd op basis van een onterecht rapport. De man voelt zich onterecht gescheiden van zijn zoon. Hij wil zijn zoon graag weer zien, zonder begeleiding. Hij verzoekt om het verzoek van de vrouw af te wijzen.
4.3.
Namens de GI is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De GI heeft (in de zaak met kenmerk C/02/445559 / JE RK 26-345) verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen met zes maanden. Voor het standpunt van de GI verwijst de rechtbank hier kortheidshalve naar de in die zaak gegeven beschikking. In de komende periode van de ondertoezichtstelling is het de bedoeling dat geprobeerd wordt om voor een laatste keer omgang, onder begeleiding van passende hulpverlening, op een veilige en gestructureerde wijze tot stand te laten komen. De GI benadrukt hierbij dat omgang uitsluitend haalbaar is wanneer de man bereid is om mee te werken aan de ingezette hulpverlening en de voorwaarden die nodig zijn om de veiligheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige] te waarborgen. Indien de man opnieuw aangeeft niet te willen meewerken aan het tot stand komen van omgang onder begeleiding van hulpverlening, is het standpunt van de GI dat het in het belang van [minderjarige] is als wordt vastgelegd dat er (tijdelijk) geen contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] , omdat dit duidelijkheid en rust biedt.
4.4.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, om het gezag van de vader te beëindigen. De Raad is van mening dat er voldoende redenen zijn dat [minderjarige] klem en verloren raakt als de ouders het gezag samen blijven uitoefenen. Er is al lange tijd geen goed overleg tussen de ouders en ook al geruime tijd geen contact tussen de man en [minderjarige] . De Raad vraagt zich af of de man voldoende op de hoogte is van [minderjarige] om het gezag goed te kunnen uitvoeren. Er heeft een ondertoezichtstelling gelopen, waarbij de moeder zich actief heeft ingezet voor de hulpverlening. De Raad ziet geen bezwaren of risico’s als de moeder het gezag alleen krijgt. Wat betreft de contactregeling ziet de Raad geen mogelijkheden om een (definitieve) regeling vast te stellen. Het is niet gelukt om begeleide omgang te organiseren. Daardoor is het contact niet op gang gekomen. Het zou wenselijk zijn als er uiteindelijk toch contact kan ontstaan, maar alle beschikbare middelen hebben dit tot nu toe niet bereikt. Nu [minderjarige] al sinds mei 2025 geen contact heeft met zijn vader, kan er naar mening van de Raad geen regeling vastgesteld worden.

5.De (nadere) beoordeling

Wijziging gezag
5.1.
In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen het gezamenlijk gezag is vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over [minderjarige] krijgt.
5.2.
In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3.
Het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten zal worden toegewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.4.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de ouders samen het gezag uitoefenen. Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, is het de rechtbank duidelijk dat de onderlinge verstandhouding tussen partijen en tussen [minderjarige] en de man verstoord is en er nu geen zorgregeling meer geldt. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
5.5
Vervolgens moet worden beoordeeld of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag behouden, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingsgronden die in artikel 1:253n BW vermeld staan. De rechtbank is van oordeel dat aan deze uitzonderingsgrond is voldaan. Voor gezamenlijk gezag is namelijk vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, blijkt dat hiervan geen sprake meer van is. De rechtbank stelt vast dat de communicatie tussen partijen al lange tijd moeizaam verloopt.
5.5.
Daarbij komt dat er sinds mei 2025 geen contact meer tussen de man en [minderjarige] is. Hierdoor heeft de man geen zicht op [minderjarige] en is hij niet op de hoogte van wat er in het leven van [minderjarige] speelt. Sinds vorig jaar loopt er een ondertoezichtstelling om, onder andere, het contact weer tot stand te brengen. Dit heeft echter niet het gewenste resultaat opgeleverd en mogelijk de situatie zelfs verergerd. Iedere mogelijkheid die is geboden om het contact op een laagdrempelige wijze op te bouwen en te laten verlopen, is door de man geweigerd. De man is het niet eens met de aanwezigheid van een derde bij de omgangsmomenten. Deze beslissing van de rechtbank is echter niet bedoeld als een verwijt in de richting van de man. De maatregel is bedoeld voor [minderjarige] , zodat het eerste contact rustig en goed kan verlopen en [minderjarige] daarbij de steun krijgt die hij nodig heeft. Omdat [minderjarige] al lang geen contact heeft gehad met zijn vader, kan het weerzien een grote gebeurtenis voor hem zijn en daar kunnen emoties bij komen kijken. Een derde persoon kan helpen om het contact soepel te laten verlopen en kan ook ondersteuning bieden bij de taalbarrière. Tijdens de ondertoezichtstelling is de houding van de man ten opzichte van de begeleide omgang niet veranderd. In zijn bericht aan de rechtbank heeft hij aangegeven dat hij ook in de toekomst niet akkoord gaat met deze regeling. De rechtbank heeft gelet op dit alles niet de verwachting dat de huidige situatie binnen afzienbare termijn positief zal veranderen.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over hem wordt belast. Bij instandhouding van het gezamenlijk gezag bestaat een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank volgt hiermee het advies van de Raad.
Vaststelling verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
5.7.
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.
5.8.
De kinderrechter beoordeelt of het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld. Vastgesteld is dat het de ouders niet lukt om overeenstemming met elkaar te bereiken over het contact tussen de man en [minderjarige] .
5.9.
De kinderrechter overweegt als volgt. [minderjarige] en de man hebben al geruime tijd geen contact gehad. De kinderrechter ziet op dit moment geen mogelijkheid om een contactregeling vast te stellen. Dit betekent dat de voorlopige regeling wordt stopgezet. Contact tussen vader en [minderjarige] wordt niet ontzegd; zowel [minderjarige] heeft recht op contact met zijn vader als andersom. Voordat het contact kan worden hervat, moet er echter eerst duidelijkheid komen over hoe het voor [minderjarige] is als het contact weer wordt opgestart. Hoewel de vader het niet eens is met de aanwezigheid van een derde persoon bij de omgangsmomenten, is dit voor [minderjarige] wel noodzakelijk. Het gaat er niet om dat de man iets verkeerd heeft gedaan, maar om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zich prettig en goed voelt tijdens het contact, zeker gelet op de heftige reacties die hij heeft laten zien in het verleden. Een derde kan helpen bij het opstarten van het eerste contactmoment. Op dit moment is het echter niet mogelijk om het contact te realiseren. Het is in het belang van [minderjarige] dat er duidelijkheid komt en dat hij weet waar hij aan toe is. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande de voorlopige regeling zoals in beschikking van 7 mei 2025 is vastgesteld wijzigen en bepalen dat het contact tussen de man en [minderjarige] wordt stopgezet.
5.10.
De kinderrechter overweegt nog het volgende. Hoewel het gezag van de man over [minderjarige] is beëindigd, blijft de man de vader van [minderjarige] . De rechtbank spreekt de hoop uit dat het contact in de toekomst op een goede manier voor [minderjarige] kan worden opgestart.
5.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Kindbrief
5.12.
De kinderrechter zal [minderjarige] een kindbrief sturen waarin de beslissing op een kindvriendelijke manier staat, zodat de beslissing goed aan [minderjarige] uitgelegd kan worden en hij het op een later moment nog eens terug kan lezen. In de kindbrief staat het volgende opgenomen.
Beste [minderjarige] ,
Op 6 mei 2026 hebben wij met elkaar gepraat. We hebben het toen gehad over het contact tussen jou en je vader. Jij hebt toen verteld dat het goed met je gaat. Ook op school gaat het goed. Je vindt rekenen leuk en klimmen ook. We hebben ook gesproken over je vader. Je zei dat je al een tijdje geen contact meer hebt, maar dat je wel een cadeautje van hem kreeg op je verjaardag en dat je hem mist.
Later op dezelfde dag is er ook een zitting geweest. Ik heb toen besloten dat de jeugdbeschermer niet meer zal helpen bij jou en je mama. Ik heb ook besloten dat er geen contactregeling meer zal zijn tussen jou en je papa. Ik heb besloten om een brief naar jou te schrijven om deze beslissing uit te leggen.
Je hebt al bijna een jaar geen echte contact heb met je vader gehad. Het afgelopen jaar hebben je moeder, je vader en Jeugdbescherming Brabant geprobeerd om het contact weer op gang te krijgen, maar dat is nog niet gelukt. Je vader vindt het lastig dat er iemand anders bij moet zijn als jullie elkaar zien, maar ik vind het belangrijk dat er wel iemand bij is, vooral in het begin als het contact zou beginnen. Dat is niet omdat je vader iets fout heeft gedaan, maar omdat het belangrijk is dat jij je prettig voelt. Ik kan me namelijk voorstellen dat het, omdat je al lange tijd geen contact hebt gehad met je vader, best spannend kan zijn om je vader weer te zien.
Nu er al erg lang geen contact is tussen jou en je vader wordt het voor je vader moeilijker om goede beslissingen over jou te nemen. Hij weet niet wat er allemaal in jouw leven speelt. Daarom heb ik besloten dat je moeder vanaf nu alleen de beslissingen over jou mag nemen; dit noemen we dat zij alleen het gezag over jou zal hebben.
Ik heb ook besloten dat het contact met je vader wordt stopgezet. Dit betekent niet dat je hem nooit meer mag zien, maar eerst moet er goed gekeken worden hoe dat voor jou het beste kan. Als je nieuwsgierig bent naar je vader, of hem weer wilt zien of bellen, dan kun je daar altijd hulp bij krijgen. Je hebt ook recht om hem te zien, maar op dit moment kan ik niet bepalen wanneer dat is, op welke manier en hoe vaak. Daar moet hopelijk wat tijd overheen gaan. Omdat het met jou goed gaat, is er geen hulp meer nodig vanuit Jeugdbescherming Brabant. Deze hulp zal stoppen.
Ik vond het fijn dat je bij mij op gesprek bent gekomen, en wens je alle goeds toe voor de toekomst.
Met vriendelijke groet,
Sumner
Kinderrechter
5.13.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ;
6.2.
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat het contact tussen de vader en de minderjarige stopgezet wordt;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 27 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.