Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4947

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
26/2931
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning tijdelijke opvanglocatie statushouders

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom heeft verleend voor het oprichten van een tijdelijke opvanglocatie voor statushouders/asielzoekers. Het college verklaarde het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbenden zijn, aangezien zij niet binnen 300 meter van de locatie wonen.

Verzoekers stelden dat er sprake is van een spoedeisende situatie vanwege de geplande ingebruikname van de opvanglocatie medio juni 2026, met mogelijke onomkeerbare gevolgen zoals sociale onveiligheid en parkeeroverlast. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang is, omdat de afstand tot de opvanglocatie circa 300 meter bedraagt en de gestelde gevolgen niet van betekenis zijn.

Daarnaast is bewoning volgens de voorzieningenrechter omkeerbaar, omdat deze kan worden beëindigd als de vergunning in beroep wordt vernietigd. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen en wees op de mogelijkheid om de belangen in het beroep te laten beoordelen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2931

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] , uit [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers (vergunninghouder).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een tijdelijke opvanglocatie voor statushouders/asielzoekers in [woonplaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in beroep niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het college heeft met het besluit van 30 oktober 2025 een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een tijdelijke opvanglocatie voor statushouders/ asielzoekers voor een periode van vijf jaar aan de [adres] in [woonplaats] . Met het bestreden besluit van 26 mei 2026, heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard omdat het college hen geen belanghebbenden vindt. Verzoekers wonen namelijk niet binnen 300 meter van de opvanglocatie. Bezwaren van enkele anderen zijn wel ontvankelijk geacht en inhoudelijk beoordeeld door het college.
3. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en hebben ook om een voorlopige voorziening verzocht. De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak alleen op het verzoek en niet op het beroep.
4. Verzoekers voeren aan dat sprake is van een spoedeisende situatie omdat de opvanglocatie medio juni 2026 in gebruik zal worden genomen. Opschorting van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning is volgens hen noodzakelijk om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, met name ten aanzien van de nu al ervaren sociale onveiligheid en parkeeroverlast die door de ingebruikname alleen maar zullen verergeren. Een vertegenwoordiger van het college heeft aan de griffier bevestigd dat de opvanglocatie vanaf 11 juni 2026 in gebruik zal worden genomen en dat vanaf dat moment de eerste bewoners zich in het pand zullen gaan vestigen. [1]
5. Naar oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Er moet sprake zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid). Anders dan verzoekers stellen, ziet de voorzieningenrechter geen reden om spoedeisend belang voor verzoekers aan te nemen vanwege de bewoning en de gevolgen die zij daarvan stellen te ervaren. Het college heeft het bezwaar van verzoekers immers niet-ontvankelijk verklaard omdat zij (volgens het college) geen gevolgen van enige betekenis ervaren gelet op de afstand van meer dan 300 meter tot de opvanglocatie. Hemelsbreed gemeten op de website van Regels op de kaart, concludeert de voorzieningenrechter dat de afstand tussen het perceel van de projectlocatie en het perceel van verzoekers circa 300 meter is. [2] Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn daarom de gestelde gevolgen voor de sociale veiligheid en parkeeroverlast, voor verzoekers niet van enige betekenis. Bovendien is bewoning in een zekere mate omkeerbaar, in die zin dat de bewoning kan worden beëindigd in reactie op een eventuele vernietiging van de omgevingsvergunning in beroep. Daarom ziet de voorzieningenrechter onvoldoende spoedeisend belang bij het beoordelen van de vraag of verzoekers belanghebbenden zijn. Deze vraag kan in beroep worden behandeld. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 4 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook: https://www.bergenopzoom.nl/vluchtelingen, onder ‘Wanneer komen de eerste bewoners?’.
2.https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.