Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4930

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
02-348265-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en poging zware mishandeling in jeugdinrichting

Op 1 juli 2025 pleegde verdachte binnen een justitiële jeugdinrichting te Breda meerdere strafbare feiten. Hij roofde sleutels van een medewerker met geweld, gebruikte deze om de cel van een medegedetineerde te betreden en mishandelde deze door hem meerdere keren met een zwaar voorwerp op het hoofd te slaan en te bijten.

De rechtbank achtte de diefstal met geweld, de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en de mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Verdachte had het plan vooraf voorbereid door een zwaar voorwerp als wapen te bemachtigen en te verstoppen, en de sleutels af te pakken om toegang te krijgen tot het slachtoffer.

Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank hield rekening met zijn open houding en het belang van zijn behandeling binnen de PIJ-maatregel. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €3.200 aan het slachtoffer wegens lichamelijk en psychisch letsel, vermeerderd met wettelijke rente en met een schadevergoedingsmaatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en betaling van €3.200 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-348265-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 juni 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] .
raadsman mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. E.A. Kool en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 1 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan
feit 1:diefstal met geweld van sleutels;
feit 2:een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) door hem meerdere malen met een hard voorwerp te slaan op zijn hoofd;
feit 3:mishandeling van [slachtoffer] door hem te bijten in zijn lichaam.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De feiten 1 en 2 heeft verdachte ook bekend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit dat verdachte voor feit 1 moet worden vrijgesproken van de geweldscomponent. Voor het overige wordt ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bij feit 2 wordt primair verzocht verdachte vrij te spreken omdat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Subsidiair wordt aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat sprake was van voorbedachten rade, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Meer subsidiair wordt voor de eenvoudige mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Wat betreft feit 3 wordt aangevoerd dat verdachte het bijten ontkent.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij de sleutels van een medewerker van de [instelling] ( [nummer 1] ) heeft afgepakt door deze uit zijn handen te “rukken”. Ook heeft verdachte bekend dat hij daarna met de sleutels op een dreigende manier op deze inrichtingsmedewerker is afgelopen. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van verdachte aangemerkt kunnen worden als geweldshandelingen, zodat de diefstal die werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Feit 2
Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij [slachtoffer] meerdere keren op zijn hoofd heeft geslagen met een hard voorwerp. Naar eigen zeggen woog dit voorwerp zo’n zes à zeven kilo.
Gelet op deze verklaring van verdachte in combinatie met de aangifte van [slachtoffer] , de getuige [nummer 2] die verklaart dat hij harde klappen hoorde vanuit de kamer en gejammer van de andere jongen en het bij hem geconstateerde letsel, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Door meermalen hard te slaan tegen het hoofd met een hard en zwaar voorwerp bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, zoals bijvoorbeeld hersenletsel. Door meermalen te slaan, heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard.
Voorbedachten rade
De rechtbank acht ook bewezen dat daarbij sprake is geweest van voorbedachten rade. Voordat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar te mishandelen, heeft verdachte eerst een wapen bemachtigd. Dat was het harde, zware voorwerp. Verdachte heeft dit voorwerp vervolgens in zijn broeksband verstopt. Hierna heeft verdachte de sleutels van de cel van [slachtoffer] van een inrichtingsmedewerker afgepakt zodat hij de cel van [slachtoffer] binnen kon gaan (feit 1). Op het moment dat verdachte de cel van [slachtoffer] opende heeft hij het voorwerp uit zijn broek gehaald, is de cel binnengegaan en heeft [slachtoffer] direct diverse keren hard geslagen met het voorwerp. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voorgaande feiten en omstandigheden dat verdachte het plan had om [slachtoffer] zwaar te mishandelen. Voor de uitvoering van dit plan heeft hij voorbereidingshandelingen getroffen, door het bemachtigen van een wapen, dat in zijn broek te verstoppen, vervolgens de sleutels af te pakken van de inrichtingsmedewerker om daarna de celdeur van [slachtoffer] te openen en hem vervolgens diverse keren hard op zijn hoofd te slaan met dat wapen; hij heeft dit plan uiteindelijk ook daadwerkelijk uitgevoerd. Ook uit de omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan de feiten al een excuusbrief had geschreven, leidt de rechtbank af dat hij van tevoren goed over zijn handelen heeft nagedacht en dit bewust heeft gepland.
Feit 3
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te bijten in zijn lichaam. De aangifte van [slachtoffer] wordt ondersteund door het door de arts bij [slachtoffer] geconstateerde letsel, namelijk een hematoom van bijten op de rug.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1op 1 juli 2025 te Breda sleutels die aan [instelling] (Breda), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de sleutels uit de hand van die persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ) te pakken en te trekken en
- door met die sleutels in zijn hand dreigend op die persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ) af te lopen;
Feit 2op 1 juli 2025 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] meerdere malen heeft geslagen op zijn hoofd met een hard en zwaar voorwerp, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3op 1 juli 2025 te Breda [slachtoffer] heeft mishandeld door hem te bijten in zijn lichaam.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van vier maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafbepaling rekening te houden dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop dan wel een voortgezette handeling. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is een ernstig beschadigde jonge jongen met ernstige ontwikkelingsproblematiek. Hij wordt op dit moment intensief behandeld binnen het kader van een PIJ-maatregel. Er moet oog worden gehouden voor het belang van verdere behandeling, stabilisatie en resocialisatie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 1 juli 2023 schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten binnen de justitiële jeugdinrichting. Verdachte had die dag het plan om zijn medegedetineerde [slachtoffer] zwaar te mishandelen. Om dit plan uit te voeren heeft verdachte eerst van een inrichtingsmedewerker de sleutels van de cel van [slachtoffer] afgepakt. Dit deed verdachte door de sleutels uit de hand van die inrichtingsmedewerker te trekken en met de sleutels op een dreigende manier op die medewerker af te lopen. Voor de medewerker ontstond hierdoor een onveilige en bedreigende situatie waaraan hij zich wilde onttrekken. Dit feit getuigt van een gebrek aan respect voor de inrichtingsmedewerker, terwijl die gewoon zijn werk deed. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij bewust de gevoelens van veiligheid van het personeel van de justitiële jeugdinrichting heeft opgeofferd aan zijn plan om een medegedetineerde een lesje te leren.
Vervolgens heeft verdachte met de afgepakte sleutels de celdeur van [slachtoffer] opengemaakt. Toen verdachte de cel van [slachtoffer] binnenkwam, heeft hij hem direct meerdere keren geslagen op zijn hoofd met een hard voorwerp. Ook heeft verdachte [slachtoffer] gebeten in zijn lichaam (rug). Hierdoor heeft [slachtoffer] letsel opgelopen. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] , maar heeft hij ook inbreuk gemaakt op zijn gevoelens van veiligheid. Een cel is voor een gedetineerde de plek waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen; [slachtoffer] kon letterlijk geen kant op.
Eendaadse samenloop / voortgezette handeling?
De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de feiten geen sprake is van eendaadse samenloop dan wel een voortgezette handeling. Weliswaar hebben de bewezenverklaarde feiten elkaar in tijd opgevolgd, maar deze hangen naar het oordeel van de rechtbank niet zo nauw met elkaar samen dat verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt dan wel dat deze het gevolg zijn van één wilsbesluit.
Adolescentenstrafrecht?
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten negentien jaar oud en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechtbank het jeugdstrafrecht (het adolescentenstrafrecht) toepassen voor verdachten tussen de 18 en 23 jaar, als de persoonlijkheid van de dader en/of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. De rechtbank overweegt dat het adolescentenstrafrecht moet worden toegepast als dit gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassene de meest effectieve manier is om het gedrag positief te beïnvloeden, om zo de adolescent te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen.
De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen. Weliswaar zijn de feiten gepleegd tijdens de PIJ-maatregel, maar van een pedagogisch doel bij de toepassing van het adolescentenstrafrecht is de rechtbank op het moment van het plegen van de bewezenverklaarde feiten niet gebleken. Er is in deze zaak ook geen advies beschikbaar dat adviseert om het adolescentenstrafrecht toe te passen.
De straf
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf dan een gevangenisstraf kan worden volstaan. Voor de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De oriëntatiepunten indiceren voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden. Indien er sprake is van een poging, wordt dit in beginsel met één derde verminderd, waardoor in deze zaak kan worden uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier tot vijf maanden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Gelet hierop acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf van acht maanden passend en geboden.
In strafverlagende zin houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft op de zitting het merendeel van de feiten bekend en heeft een open en eerlijke houding aangenomen. Daarmee neemt verdachte verantwoordelijkheid voor zijn handelen. Daarnaast realiseert de rechtbank zich dat een gevangenisstraf het behandeltraject binnen de PIJ-maatregel doorkruist. De rechtbank acht het van belang dat deze behandeling zo min mogelijk wordt doorkruist, te meer nu zij ziet dat het op dit moment beter met verdachte gaat. Gelet hierop zal zij een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk passend en geboden.

7.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.031,25 aan immateriële voor de feiten 2 en 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Door de benadeelde partij is aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval sprake is van een inbreuk op de lichamelijke integriteit. [slachtoffer] had letsel, namelijk meerdere wonden op zijn hoofd die gehecht moesten worden, blauwe plekken en een hematoom op zijn rug. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat hij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. De behandelend EMDR-therapeut geeft aan dat er nog voldoende traumagerelateerde klachten aanwezig waren om te spreken van PTSS bij benadeelde. Dankzij de behandeling ervaart de benadeelde partij wel minder actieve klachten, maar de triggers zijn nog niet helemaal zijn weggenomen. Nu benadeelde PTSS heeft opgelopen als gevolg van het handelen van verdachte acht de rechtbank gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend een vergoeding van een bedrag van € 3.200,00 billijk.
Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal het toegekende schadebedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2025. Tevens zal zij de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 300, 302, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf het bezit van het gestolene te verzekeren;
feit 2:poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;
feit 3:mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij
T.a.v. feiten 2 en 3
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 3.200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 3.200,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 32 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. G.M.J. Kok en mr. L.E. van Oploo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 4 juni 2026.
De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Breda, althans in Nederland, sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ) en/of [instelling] (Breda), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd
voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de sleutels uit de hand van die persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ) te pakken en/of te trekken en/of
- door met die sleutels in zijn hand dreigend op die persoon (aangifte onder nummer [nummer 1] ) af te lopen;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Breda, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen heeft geslagen op zijn hoofd en/of zijn lichaam met een metalen staaf, althans een hard en/of zwaar voorwerp; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Breda, althans in Nederland met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] een of meerdere malen te slaan op zijn hoofd en/of zijn lichaam met een metalen staaf, althans een hard en/of zwaar voorwerp;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 1 juli 2025 te Breda, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld, door hem te bijten in zijn rug en/of lichaam;
( art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )