ECLI:NL:RBZWB:2026:4923

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
C/02/447222 / JE RK 26-660
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot intrekking schriftelijke aanwijzing door moeder

De moeder, belast met het ouderlijk gezag over twee minderjarigen, verzocht de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te laten vervallen. Deze aanwijzing was gegeven in het kader van een ondertoezichtstelling die sinds maart 2023 van kracht is en meerdere malen is verlengd.

De omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen was bij beschikking vastgesteld, inclusief bezoekmomenten en reiskostenbijdrage. De moeder gaf aan dat de verstandhouding met de gecertificeerde instelling was verbeterd sinds de inzet van een nieuwe gezinsvoogd en trok haar verzoek in, waardoor de mondelinge behandeling niet meer nodig was.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet verder onderzocht kon worden en verklaarde de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing. De beschikking werd op 4 mei 2026 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden, via de griffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De moeder is niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot intrekking van de schriftelijke aanwijzing.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/447222 / JE RK 26-660
datum uitspraak: 4 mei 2026
beschikking over een schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Linne,
tegen
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 te [geboorteplaats] .

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het verzoek van de moeder van 16 maart 2026 met bijlagen;
- het bericht van mr. Remport Urban van 29 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 9 maart 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 9 maart 2023 en tot 9 maart 2024. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatste bij beschikking van 25 maart 2024 voor de periode van 9 april 2024 en tot 9 december 2024.
2.4.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 januari 2025 is bepaald dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar één keer per vier weken op woensdag gedurende vier uur op een neutrale plek in [plaats] en onder begeleiding van [zorgbureau] en met in achtneming van hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 2.5.7 is overwogen. Ook is bij die beschikking bepaald dat de vader en de minderjarigen gerechtigd zijn tot een belcontact met elkaar op vrijdag één keer per twee weken op een in onderling overleg overeen te komen tijdstip, alsmede dat de vader uiterlijk twee dagen voorafgaand aan een bezoekmoment € 35,- aan de moeder dient te voldoen als bijdrage in de reiskosten van de moeder en de minderjarigen naar [plaats] .
2.5.
Bij beschikking van 9 januari 2025 is de beslissing ten aanzien van het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangehouden. Bij beschikking van 19 september 2025 is het verzoek tot ondertoezichtstelling toegewezen met ingang van 19 september 2025 en tot 19 juni 2026, uit te voeren door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.

3.Het verzoek

3.1
De moeder heeft verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de schriftelijke aanwijzing van de GI van 3 maart 2026 vervallen te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
Op 29 april 2026 heeft mr. Remport Urban namens de moeder aangegeven dat er sprake is van verbetering van de verstandhouding met de GI sinds de GI een nieuwe gezinsvoogd heeft ingezet. Wat haar betreft hoeft de mondelinge behandeling geen doorgang te vinden.
4.2.
Nu de moeder het verzoek heeft ingetrokken, kan dit verzoek niet meer verder worden onderzocht. De kinderrechter zal de moeder dan ook niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1
verklaart de moeder niet ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026, in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.