Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4895

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
26/2345 AVG VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verwerking strafrechtelijke persoonsgegevens door Veilig Thuis

Verzoeker diende een klacht in bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens door Veilig Thuis. De AP besloot geen verder onderzoek te doen en stuurde een normbrief naar Veilig Thuis. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang van het verzoek. Verzoeker stelde dat er onomkeerbare schade dreigde door de aanwezigheid van een juridisch onrechtmatig opgebouwd document in het jeugdbeschermingsdossier van zijn (stief)kinderen, met risico’s voor hun welzijn en reputatieschade voor hemzelf en zijn gezin.

Na nadere toelichting concludeerde de voorzieningenrechter dat er onvoldoende reden was om onverwijlde spoed aan te nemen. De reeds ingetreden schade kon niet met een voorlopige voorziening worden hersteld en er was geen aannemelijke dreiging van verdere ernstige schade of nadelige gevolgen in toekomstige procedures.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2345

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker met betrekking tot de verwerking van strafrechtelijke gegevens.
1.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 2 juli 2025 een klacht ingediend bij de AP over Veilig Thuis [locatie] (VT). De klacht gaat over de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard door VT.
2.1.
Met het besluit van 3 april 2026 heeft de AP op verzoekers klacht gereageerd. De AP heeft besloten om geen verder onderzoek te doen naar verzoekers klacht. Daardoor kan de AP ook niet handhavend optreden naar VT. Wel heeft de AP een normbrief naar VT gestuurd. In die normbrief worden de regels over verwerking van (strafrechtelijke) persoonsgegevens aan VT uitgelegd.
2.2.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 april 2026. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
3.2.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 19 april 2026 gesteld dat hij schade lijdt die deels onomkeerbaar is en verder onomkeerbaar dreigt te worden. Verzoeker stelt dat zolang de VT-rapportage niet is ingetrokken een inhoudelijk weerlegd en juridisch onrechtmatig opgebouwd document in het jeugdbeschermingsdossier van verzoekers (stief)kinderen circuleert, met concrete risico’s voor toekomstige besluitvorming over hun welzijn. Daarnaast zijn de strafrechtelijke gegevens die VT verwerkt volgens verzoeker afkomstig uit een dossier dat zonder rechtmatige grondslag buiten de strafvorderlijke context is terechtgekomen. De voortdurende aanwezigheid van deze gegevens in het jeugdbeschermingsdossier brengt onomkeerbare schade toe aan de reputatie van verzoeker als bestuursvoorzitter van een rijksfonds, aan zijn echtgenote als kinderarts en zijn (stief)kinderen.
3.3
De griffier heeft verzoeker bij brief van 23 april 2026 gevraagd om het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten. Daarbij is gevraagd om toe te lichten om wat voor soort schade het gaat, op welke termijn deze schade zich zal kunnen voordoen en waarom die schade onomkeerbaar zal zijn.
3.4.
Verzoeker heeft bij brief van 28 april 2026 gereageerd op dit verzoek. Daarin heeft verzoeker uiteengezet welke vijf vormen van schade hij zou lijden, op welke termijn en waarom deze schade onomkeerbaar zou zijn. Het zou gaan om ontwikkelingsschade van de kinderen en reputatieschade van zowel verzoeker als zijn echtgenote. Daarnaast wordt volgens verzoeker de positie van de kinderen in toekomstige procedures geschaad en is reeds sprake van verspreiding van strafrechtelijke persoonsgegevens naar personen buiten de officiële keten.
3.5.
De voorzieningenrechter acht de vrees voor schade van verzoeker invoelbaar, maar dit maakt niet dat er op dit moment sprake is van onverwijlde spoed om een voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd onvoldoende reden om aan te nemen dat het voortduren van de situatie zal leiden tot meer of ernstigere schade. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals verzoeker ook zelf aangeeft, een deel van de schade al zou zijn ingetreden. Een voorlopige voorziening kan voor die schade geen soelaas bieden, omdat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen voor de toekomst. Verder vindt de voorzieningenrechter dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een reële dreiging voor de positie van de kinderen in toekomstige procedures. Verzoeker heeft niet aangegeven welke procedures er momenteel lopen of op korte termijn gestart zullen worden, terwijl bij beschikking van 8 januari 2026 de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland volledig herstel van omgang van verzoeker met zijn kinderen heeft bevolen. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van zodanige reële en ernstige dreiging van het verergeren of oplopen van schade dat niet van verzoeker kan worden verwacht dat hij de beroepsprocedure afwacht.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens gebrek aan spoedeisend belang. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.