ECLI:NL:RBZWB:2026:4863

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
11779410 CV EXPL 25-2345 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • De Graaf
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:230l BWArt. 6:231 BWArt. 6:233 BWArt. 6:193e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring oneerlijk prijsbeding in overeenkomst rechtsbijstand en terugbetaling betaalde bedragen

De zaak betreft een verzetprocedure tegen een verstekvonnis waarin de consument was veroordeeld tot betaling van declaraties van een advocaat die rechtsbijstand verleende bij een nalatenschap. De consument stelde dat de dagvaarding nietig was en dat het prijsbeding in de overeenkomst niet voldeed aan transparantie- en informatieverplichtingen volgens de Richtlijn oneerlijke bedingen en het Burgerlijk Wetboek.

De kantonrechter oordeelde dat de dagvaarding niet correct was betekend, waardoor de kosten daarvan voor rekening van de advocaat komen. Ambtshalve werd getoetst of het prijsbeding transparant en eerlijk was. Gelet op een arrest van het HvJEU uit 2023 werd geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief zonder verdere kostenraming niet voldoet aan het transparantievereiste. De advocaat had onvoldoende informatie verstrekt over de totale kosten en had niet voldaan aan zijn informatieplicht, ook niet over de mogelijkheid van gesubsidieerde rechtsbijstand.

Het prijsbeding werd daarom als oneerlijk en nietig beoordeeld. De advocaat kon niet terugvallen op een redelijke loonvordering of onrechtmatige verrijking. De vordering van de advocaat werd afgewezen en hij werd veroordeeld tot terugbetaling van € 3.877,51 aan de consument, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd de advocaat veroordeeld tot betaling van proceskosten in conventie en reconventie.

Uitkomst: Het prijsbeding is nietig verklaard en de advocaat is veroordeeld tot terugbetaling van € 3.877,51 aan de consument plus wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
zaak/rolnr.: 11779410 / CV EXPL 25-2345
vonnis d.d. 13 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in verzet,
tevens eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: AdvoPro,
tegen
[gedaagde partij] ,
gevestigd te [plaats] ,
gedaagde partij in verzet,
tevens verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verstekvonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 8 januari 2025 met zaaknummer 11281058 CV EXPL 24-2938 (hierna: het verstekvonnis) en de daarin genoemde stukken;
- de verzetdagvaarding bevattende eis in reconventie van 17 juni 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord in oppositie met producties;
- de brieven aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] heeft [eisende partij] rechtsbijstand verleend inzake een nalatenschap waarbij [eisende partij] betrokken was.
2.2.
Bij e-mail van 18 maart 2021 heeft [gedaagde partij] de opdracht van [eisende partij] aanvaard. In die brief is opgenomen dat [gedaagde partij] de werkzaamheden zal uitvoeren op basis van een uurtarief van € 165,00 (exclusief btw) en 5 % kantoorkosten.
2.3.
In de door [gedaagde partij] van toepassing verklaarde algemene voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“9. Indien opdrachtgever voorschotdeclaraties of tussentijdse opgaaf van verrichtingen wenst, zal daaraan steeds gevolg worden gegeven.”
2.4.
Op 12 december 2023 heeft [gedaagde partij] een voorschotdeclaratie ten bedrage van
€ 1.452,00 aan [eisende partij] gestuurd. Hiervan heeft zij een bedrag van € 484,00 betaald.
2.5.
Nadat [eisende partij] het overige onbetaald had gelaten, heeft [gedaagde partij] de opdrachtovereenkomst met [eisende partij] beëindigd.
2.6.
[gedaagde partij] heeft daarop op 7 maart 2024 een einddeclaratie aan [eisende partij] gestuurd. [eisende partij] heeft deze niet betaald.

3.Het geschil

Het verstekvonnis
3.1.
In het verstekvonnis van 8 januari 2025 heeft de kantonrechter [eisende partij] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.615,59, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2024, en de proceskosten.
In conventie
3.2.
[eisende partij] vordert, samengevat, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eisende partij] te verklaren tot een goed opposant en [eisende partij] geheel te ontheffen van de veroordeling;
II. [gedaagde partij] te veroordelen in de nakosten.
3.3.
[eisende partij] stelt primair dat [gedaagde partij] niet ontvankelijk had moeten worden verklaard althans dat de vorderingen niet toegewezen hadden moeten worden. De dagvaarding, die op 20 juni 2024 is betekend door de gerechtsdeurwaarder, is volgens [eisende partij] nietig aangezien deze niet de woonplaats van [eisende partij] vermeldt en deze op een foutief adres is betekend. Voorts stelt [eisende partij] dat het prijsbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst niet voldoet aan het in artikel 4 lid 2 van Pro Richtlijn 93/13 en artikel 6:230l BW neergelegde transparantievereiste en dat [gedaagde partij] onvoldoende informatie aan [eisende partij] heeft verstrekt waardoor het prijsbeding als een oneerlijk beding moet worden beschouwd. [eisende partij] stelt dan ook dat het prijsbeding dient te worden vernietigd en dat de vorderingen van [gedaagde partij] dienen te worden afgewezen.
Subsidiair stelt [eisende partij] dat de BTW niet toewijsbaar is aangezien de opdrachtovereenkomst enkel een uurtarief exclusief BTW bevat en dat [gedaagde partij] volgens artikel 6:193E BW jo. Richtlijn 98/6/EG verplicht was de prijs inclusief BTW mede te delen omdat [eisende partij] een consument is. Voorts zijn, ook als er geen sprake is van een oneerlijk prijsbeding, de essentiële informatieplichten van artikel 6:230l BW geschonden waardoor er volgens [eisende partij] een sanctievermindering van 60% passend is. Subsidiair is er daarom € 2.611,00 verschuldigd en aangezien [eisende partij] al € 3.877,51 heeft betaald, heeft [gedaagde partij] volgens [eisende partij] geen vordering meer.
3.4.
[gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] . Hij betwist dat de dagvaarding onjuist betekend is. Voorts stelt [gedaagde partij] , samengevat, dat er geen sprake is van een oneerlijk prijsbeding en dat hij de essentiële informatieplichten niet heeft geschonden. Het is juist dat er geen indicatie van de verwachte advocaatkosten noch van de gerechtelijke kosten bij de opdracht gegeven is, maar volgens [gedaagde partij] was het voor hem onmogelijk om vooraf te weten wat de kosten zouden zijn. Daarbij had [eisende partij] op basis van de algemene voorwaarden de mogelijkheid om voorschotdeclaraties of tussentijdse opgaaf van verrichtingen op te vragen, wat zij niet heeft gedaan.
In reconventie
3.5.
[eisende partij] vordert, samengevat, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] te veroordelen te voldoen aan [eisende partij] het bedrag van € 3.877,51, dan wel subsidiair € 3.663,51, dan wel meer subsidiair € 1.266,51;
II. [gedaagde partij] te veroordelen aan [eisende partij] te voldoen de wettelijke rente over het bedrag van € 3.877,51 vanaf de datum van dagvaarding;
III. [gedaagde partij] te veroordelen in de nakosten.
3.6.
Primair stelt [eisende partij] dat, als er sprake is van een oneerlijk prijsbeding, de situatie hersteld dient te worden waarin [eisende partij] zou hebben verkeerd zonder dat beding. Zij vordert daarom terugbetaling van alle reeds betaalde bedragen, namelijk € 3.877,51. Subsidiair stelt zij dat, indien er een nationale bepaling gehanteerd dient te worden, deze vast gesteld moeten worden op de laagste eigen bijdrage bij aanvraagjaar 2021, zijnde € 208,00 inclusief BTW, en dat het overige aan voorschotten terugbetaald moet worden. Meer subsidiair stelt zij dat, indien er geen oneerlijk beding is, op grond van de sanctievermindering en de BTW die afgewezen dient te worden, zij teveel betaald heeft aan [gedaagde partij] . Meer subsidiair vordert zij terugbetaling van € 1.266,51 (€ 3.877,51 – € 2.611,00).
3.7.
[gedaagde partij] stelt dat er geen sprake is van een oneerlijk prijsbeding. Indien dat wel het geval zou zijn, moet de prijs worden vastgesteld op grond van artikel 6:248 BW Pro en artikel 7:405 BW Pro. Zelfs als de overeenkomst integraal nietig wordt verklaard stelt [gedaagde partij] dat hij recht heeft op betaling in de vorm van een schadevergoeding aangezien [eisende partij] dan ongerechtvaardigd verrijkt is.

4.De beoordeling

4.1.
Uit de overgelegde processtukken blijkt dat het verzet tijdig is ingesteld, zodat [eisende partij] in haar verzet kan worden ontvangen.
In conventie
Nietigheid van het exploot
4.2.
[eisende partij] beroept zich op de nietigheid van de dagvaarding. Op grond van artikel 122 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet dit beroep worden verworpen, nu niet gesteld of gebleken is dat het gebrek van dien aard is dat [eisende partij] daardoor in haar verdediging is benadeeld. Echter, als het dagvaardingsexploot niet op de juiste wijze is betekend en [eisende partij] daardoor niet in de procedure is verschenen, heeft dit tot gevolg dat de kosten voor de verzetdagvaarding en de betekening daarvan voor rekening van [gedaagde partij] komen. Om deze reden moet ondanks het bepaalde in artikel 122 Rv Pro toch worden beoordeeld of de inleidende dagvaarding juist is betekend.
4.3.
De deurwaarder heeft geconstateerd dat [eisende partij] zich in zowel Nederland als in België had laten uitschrijven en dat zij op het moment van dagvaarden woonachtig was op [adres] in [woonplaats 2] (Portugal). [gedaagde partij] stelt dat de inleidende dagvaarding is betekend op de wijzen die zijn voorgeschreven in artikel 56 lid 2 en Pro lid 3 Rv. Uit de stukken blijkt dat betekening op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 2 Rv Pro niet is gelukt omdat de ontvangende instantie de dagvaarding om een onbekende reden niet heeft kunnen betekenen. Voorts bevindt zich een verzendbevestiging van de deurwaarder in het dossier waaruit blijkt dat de deurwaarder de dagvaarding rechtstreeks per post naar het adres waar [eisende partij] stond ingeschreven heeft verstuurd, maar een ontvangstbevestiging ontbreekt. Hierdoor kan de kantonrechter niet vaststellen of de inleidende dagvaarding correct is betekend, zowel niet op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 2 Rv Pro als op de wijze die is voorgeschreven in artikel 56 lid 3 Rv Pro. Daardoor is de kantonrechter van oordeel dat de inleidende dagvaarding niet goed is betekend waardoor de kosten van de verzetdagvaarding en de betekening daarvan voor rekening van [gedaagde partij] komen.
Ambtshalve toetsen consumentenrecht
4.4.
Aangezien [eisende partij] als een consument moet worden aangemerkt, moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of de overeenkomst die betrekking heeft op de werkzaamheden van [gedaagde partij] voldoet aan de eisen van het consumentenrecht.
4.5.
De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of een beding in de tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] gesloten overeenkomst valt onder de richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn oneerlijke bedingen). De overeenkomst is vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 18 maart 2021. Daarin is onder meer opgenomen dat de werkzaamheden in rekening worden gebracht tegen een tarief van € 165,00 per uur exclusief btw. De kantonrechter is van oordeel dat dit kostenbeding kwalificeert als een kernbeding. Volgens artikel art. 6:231 onder Pro a van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen hoeven kernbedingen alleen ambtshalve te worden getoetst op oneerlijkheid als deze niet transparant zijn.
4.6.
Bij de beoordeling van de transparantie van het kostenbeding is het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 12 januari 2023 (C-395/21) relevant. In deze uitspraak speelde de vraag of een beding in een overeenkomst voor het verrichten van juridische diensten, waarin over de kosten alleen een uurtarief is afgesproken zonder verdere precisering, voldoet aan het vereiste dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn geformuleerd in de zin van artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is overwogen dat de advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te schatten, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld. Wat er van een advocaat verwacht kan worden aan informatieverstrekking hangt af van de aard van de werkzaamheden. Hoe concreter de opdracht is, hoe preciezer de totale kosten door de advocaat kunnen worden geschat. Naast de richtlijn oneerlijke bedingen, vloeien deze verplichtingen ook voort uit regel 17 lid 2 van de gedragsregels voor de advocatuur.
Het kostenbeding is niet transparant
4.7.
De kantonrechter is van oordeel dat het kostenbeding niet voldoet aan het transparantievereiste van artikel 6:231 sub a BW Pro en artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen. Voor [eisende partij] was op geen enkele wijze in te schatten hoeveel uren door [gedaagde partij] zou worden besteed en welke andere kosten [gedaagde partij] zou gaan maken. Hierdoor waren de totale kosten niet in te schatten voor [eisende partij] en biedt het [gedaagde partij] de mogelijkheid om onbeperkt uren aan de zaak te besteden en te declareren en kosten in rekening te brengen.
4.8.
De stelling van [gedaagde partij] dat [eisende partij] op elk moment de mogelijkheid had om voorschotdeclaraties of een tussentijdse opgaaf van verrichtingen op te vragen, maakt dit niet anders. Gelet op het hiervoor genoemde arrest van het HvJEU diende [gedaagde partij] namelijk voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst informatie te verstrekken met aanwijzingen om de totale kosten bij benadering te ramen.
4.9.
[gedaagde partij] stelt dat, gelet op de aard van de zaak, een kostenraming bij het aangaan van de overeenkomst niet goed te geven was. Het HvJEU heeft over de mogelijke complexiteit van de te verlenen juridische bijstand overwogen dat ook indien het moeilijk of zelfs onmogelijk is het aantal uren te voorspellen, de informatie van de handelaar aanwijzingen moet bevatten die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van de aangeboden diensten te ramen. Daarbij kan gedacht worden aan informatie over het voorzienbare of minimaal aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak tussen partijen om periodiek tussentijdse facturen of overzichten op te maken waarin het totaal van de gewerkte uren wordt vermeld. De complexiteit van het geschil is op zich dus onvoldoende om [gedaagde partij] te ontslaan van zijn informatieverplichting jegens [eisende partij] bij de totstandkoming van hun overeenkomst.
Het kostenbeding is oneerlijk
4.10.
Nu het kostenbeding niet transparant is bevonden, dient de kantonrechter te beoordelen of het kostenbeding ook oneerlijk is. Op grond van artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn oneerlijke bedingen is een beding oneerlijk als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In artikel 6:233 onder Pro a BW, dat de implementatie is van de richtlijn oneerlijke bedingen, wordt in dit kader gesproken over een beding dat ‘onredelijk bezwarend’ is. Bij de beoordeling van de goede trouw moet worden gelet op de verschillende onderhandelingsposities van de partijen en op de vraag of de consument op enige wijze ertoe is aangezet om in te stemmen met het beding. Het komt dan aan op de vraag of de handelaar er vanuit mocht gaan dat, als hij op eerlijke en billijke wijze zou hebben onderhandeld, de consument het beding zou hebben aanvaard. Het HvJEU heeft in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat een niet-transparant beding niet meteen een oneerlijk beding is, maar dat het gebrek aan transparantie wel meeweegt bij de beoordeling van de (on)eerlijkheid.
4.11.
De overeenkomst tussen partijen betreft een overeenkomst van opdracht. Vast staat dat er niet afzonderlijk is onderhandeld over het prijsbeding. Wanneer geen loon is overeengekomen, is de opdrachtgever in beginsel het op de gebruikelijke wijze berekende loon of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon verschuldigd (artikel 7:405 lid Pro BW). Naar het oordeel van de kantonrechter is het gehanteerde uurtarief van € 165,00 exclusief btw marktconform. De kantonrechter is echter van oordeel dat het kostenbeding zonder een totale kosteninschatting gelet op de specifieke omstandigheden in dit geval oneerlijk is. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
4.12.
De consument bevindt zich, door zijn kennisachterstand, bij de totstandkoming van een overeenkomst in beginsel in een zwakkere positie dan de advocaat. Het is niet gebleken dat [gedaagde partij] op enige wijze voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst informatie heeft verstrekt over de in totaal te verwachten kosten. Hij heeft [eisende partij] ook niet duidelijk gemaakt wat de financiële gevolgen van de overeenkomst zouden zijn of andere maatregelen genomen om een overschrijding van kosten te voorkomen die het evenwicht tussen partijen zouden kunnen herstellen. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] ook niet periodiek van een urenspecificatie voorzien, terwijl hij dat op grond van regel 17 lid 4 van de gedragsregels advocatuur wel verplicht was te doen.
4.13.
Daarbij komt dat [gedaagde partij] niet werkt op basis van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het klopt dat [gedaagde partij] daartoe niet verplicht is, maar op basis van de gedragsregels advocatuur is [gedaagde partij] wel verplicht om zijn cliënten te informeren dat zij mogelijk in aanmerking komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand en, indien een cliënt daarvan afziet, na te gaan of de cliënt dat daadwerkelijk wil en dat de cliënt de consequenties daarvan overziet en kan dragen. Niet alleen is niet gebleken dat [eisende partij] geïnformeerd is over de financiële consequenties en de werkwijze van gesubsidieerde rechtsbijstand, maar er staat ook in de opdrachtbevestiging dat [eisende partij] nadrukkelijk afstand doet van elke eventuele aanspraak op gesubsidieerde rechtsbijstand en dat [gedaagde partij] de opdracht zou beëindigen als [eisende partij] , bijvoorbeeld door gewijzigde omstandigheden, hier toch aanspraak op zou willen maken.
4.14.
Tegen deze achtergrond lag het des te meer op de weg van [gedaagde partij] om voorafgaand aan de start van de werkzaamheden zo veel mogelijk inzicht te geven in de kosten en het ook op voorhand aan te geven dat het feit dat hij niet op basis van toevoeging werkt betekent dat de kosten volledig voor rekening van [eisende partij] zouden komen terwijl zij mogelijk wel in aanmerking zou zijn gekomen voor gesubsidieerde rechtsbijstand bij een andere advocaat. Alleen onder die omstandigheden zou [eisende partij] de mogelijkheid hebben gehad om een reële afweging te maken of en op welke voorwaarden zij de overeenkomst met [gedaagde partij] zou willen aangaan. [gedaagde partij] mocht er naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden daarom redelijkerwijs niet vanuit gaan dat [eisende partij] ook zou hebben ingestemd met het kostenbeding als er afzonderlijk over was onderhandeld.
4.15.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat door [gedaagde partij] het vereiste van goede trouw niet is nageleefd en er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van [eisende partij] . De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het in de opdrachtbevestiging opgenomen kostenbeding als oneerlijk moet worden beschouwd ook al is het gehanteerde uurtarief van € 165,00 exclusief btw marktconform.
Conclusie
4.16.
Aangezien het kostenbeding in de overeenkomst van opdracht als oneerlijk in de zin van artikel 6:233 sub a BW Pro wordt beoordeeld, is het beding nietig en dient het buiten toepassing te blijven. Voorts volgt uit de [naam] -arresten van het HvJEU (ECLI:EU:C:2021:68) dat wanneer de rechter vaststelt dat een beding in een overeenkomst oneerlijk en nietig is, de rechter die overeenkomst niet mag aanvullen door de inhoud van het beding te herzien en dat ook niet kan worden teruggevallen op bepalingen van aanvullend nationaal recht. Dit betekent dat in dit geval een beroep op betaling van een redelijk verschuldigd loon ex artikel 7:405 lid Pro BW niet kan slagen. Ook het beroep van [gedaagde partij] op onrechtvaardigde verrijking slaagt niet omdat [gedaagde partij] niet heeft gesteld in welke mate en voor welk bedrag [eisende partij] zou zijn verrijkt. De vordering van [gedaagde partij] zal daarom in zijn geheel worden afgewezen.
4.17.
Nu op grond van het voorgaande de vordering geheel zal worden afgewezen, is het niet nodig om de andere door [eisende partij] aangevoerde verweren te bespreken.
4.18.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. Dit geldt ook voor de kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding omdat verstek is verleend op een nietige dagvaarding. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- verzetdagvaarding € 145,45
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 865,45
In reconventie
4.19.
Hetgeen hiervoor in conventie is overwogen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4.20.
De kantonrechter heeft het kostenbeding in de overeenkomst van opdracht tussen partijen nietig verklaard. Dat betekent dat [eisende partij] zonder rechtsgrond € 3.877,51 aan [gedaagde partij] heeft betaald. [gedaagde partij] zal daarom worden veroordeeld dit bedrag aan [eisende partij] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de verzetdagvaarding.
4.21.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 288,00 (2 punten x tarief € 288,00 x 0,5)

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
verklaart het ingestelde verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 8 januari 2025, geregistreerd onder rolnummer 11281058 CV EXPL 24-2938;
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
wijst de vorderingen van [gedaagde partij] af;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van € 865,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde partij] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen;
in reconventie
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.877,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 juni 2025 tot de dag van voldoening;
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van € 288,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde partij] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen;
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Graaf, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.