ECLI:NL:RBZWB:2026:4857

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
11717396 CV EXPL 25-1808 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van der Burgt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:96 lid 6 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geldleningsovereenkomst wegens niet-nakoming en betalingsachterstand

Op 28 februari 2020 sloten partijen een geldleningsovereenkomst waarbij de eisende partij €70.000 leende aan de gedaagde, terug te betalen in 60 maandelijkse termijnen van €1.225. Na beëindiging van het dienstverband per 1 februari 2022 betaalde de gedaagde vanaf mei 2023 slechts gedeeltelijk en onregelmatig.

De eisende partij vordert ontbinding van de overeenkomst en betaling van het openstaande bedrag met rente en kosten. De gedaagde stelt schuldeisersverzuim omdat de eisende partij niet bereid zou zijn de betalingstermijnen opnieuw vast te stellen.

De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde in verzuim is en dat er geen sprake is van schuldeisersverzuim. De overeenkomst wordt ontbonden en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van €13.784,25 met wettelijke rente vanaf de dagvaarding, alsmede beslag- en proceskosten. De vordering tot buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke aanmaningseisen.

Uitkomst: De overeenkomst van geldlening wordt ontbonden en de gedaagde veroordeeld tot betaling van €13.784,25 met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
zaak/rolnr.: 11717396 / CV EXPL 25-1808
vonnis d.d. 8 april 2026
in de zaak van
[eisende partij] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. S. Lagidse,
tegen
[gedaagde partij] ,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. J.W. Dijke.

1.De procedure

1.1.
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. de dagvaarding van 16 mei 2025 met producties;
b. de conclusie van antwoord;
c. de nagekomen beslagstukken van 20 mei 2025;
d. het tussenvonnis van 23 juli 2025;
e. de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de mondelinge behandeling van
12 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 28 februari 2020 is een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen op basis waarvan [eisende partij] een bedrag van € 70.000,00 ter leen heeft verstrekt aan [gedaagde partij] . Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] dit bedrag in 60 maandelijkse termijnen van
€ 1.225,00 terugbetaalt.
2.2.
In de overeenkomst is het volgende opgenomen:
(…) “Uit hoofde van een jarenlange samenwerking en onderlinge afspraken tussen [gedaagde partij] en [persoon] leent [eisende partij] aan [gedaagde partij] een bedrag van € 70.000,- voor ondersteuning fiscale afwikkeling [onderneming] (onderneming van [gedaagde partij] ) zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] b.v. en [gedaagde partij] .
(…)
Partijen komen een betalingsregeling overeen waarbij [gedaagde partij] aan [eisende partij] maandelijks een betaling doet van € 1.225,- voor aflossing en rente gedurende de looptijd van 60 maanden.
De betalingen van € 1.225,- zal worden gedaan voor elke eerste van de maand en zal aanvangen voor 01-07-2020, (…).
Genoemde betalingstermijnen zullen opnieuw in onderling overleg worden vastgesteld indien het dienstverband van [gedaagde partij] bij [bedrijf] b.v. niet kan worden voortgezet (…).”
2.3.
Per 1 februari 2022 is het dienstverband tussen [gedaagde partij] en [bedrijf] B.V. geëindigd.
2.4.
Sinds mei 2023 betaalt [gedaagde partij] maandelijks € 612,50 in plaats van € 1.225,00. In januari 2025 betaalde [gedaagde partij] € 300,00 en in mei 2025 betaalde hij € 612,12.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
te verklaren voor recht dat de overeenkomst van geldlening tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is/wordt ontbonden;
[gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 18.902,17 te vermeerderen met primair de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro en subsidiair de contractuele rente van 1,95% per jaar over voormeld bedrag van € 18.902,17 vanaf 1 januari 2025, althans vanaf enige dag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, tot de dag der algehele voldoening, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
Subsidiair:
3. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te voldoen een bedrag van € 18.684,25 ter zake van de achterstallige betalingen, primair te vermeerderen met de wettelijke rente van € 1.039,56 tot en met 30 april 2025 en de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 tot de dag der algehele voldoening, en subsidiair te vermeerderen met de contactuele rente van 1,95% per jaar van €305,78 tot en met april 2025 en de contactuele rente vanaf 1 mei 2025, tot de dag der algehele voldoening, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
Primair en Subsidiair:
4. [gedaagde partij] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te voldoen de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte ten bedrage van € 964,02 (op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro, vastgesteld conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2021, 141));
5. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van [eisende partij] , de beslagkosten en de zogeheten nakosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde partij] zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst van geldlening niet of niet volledig en niet tijdig is nagekomen omdat hij het overeengekomen maandelijkse aflossingsbedrag sinds mei 2023 niet meer volledig voldoet en omdat hij telkens na de eerste dag van de maand betaalt. Deze tekortkoming in de nakoming rechtvaardigt volgens [eisende partij] de ontbinding van de overeenkomst.
3.3.
[gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van schuldeisersverzuim omdat [eisende partij] niet bereid is om de betalingstermijnen in onderling overleg opnieuw vast te stellen nu dat het dienstverband tussen [gedaagde partij] en [bedrijf] is geëindigd, terwijl dit een verplichting is op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [gedaagde partij] kan het originele termijnbedrag niet meer betalen en is daarom sinds mei 2023 de helft gaan overmaken. Doordat er sprake is van schuldeisersverzuim kan [eisende partij] zich niet beroepen op ontbinding of nakoming van de overeenkomst.

4.De beoordeling

Ontbinding van de overeenkomst van geldlening
4.1.
Primair vordert [eisende partij] ontbinding van de tussen partijen bestaande overeenkomst. Vast staat dat [gedaagde partij] sinds mei 2023 niet meer voldoet aan zijn verplichting om maandelijks het overeengekomen bedrag van € 1.225,00 aan [eisende partij] te betalen. Hij betaalt maandelijks maar een deel van dat bedrag en doet dit ook niet steeds voor de eerste dag van de maand. Aangezien hij niet steeds binnen de afgesproken termijn het volledige bedrag betaalt, is hij van rechtswege in verzuim. [gedaagde partij] heeft een forse betaalachterstand laten ontstaan en de kantonrechter is van oordeel dat deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst in beginsel de gevorderde ontbinding rechtvaardigt.
4.2.
[gedaagde partij] stelt dat [eisende partij] zich niet kan beroepen op ontbinding van de overeenkomst omdat er sprake is van schuldeisersverzuim. Een schuldeiser komt in verzuim wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. [gedaagde partij] stelt dat [eisende partij] hem belet in de nakoming van de overeenkomst omdat [eisende partij] niet bereid is de betalingstermijnen in onderling overleg opnieuw vast te stellen, terwijl zij volgens [gedaagde partij] hiertoe wel verplicht is op basis van de overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat er, ongeacht of [eisende partij] verplicht is in overleg te treden, geen sprake is van schuldeisersverzuim. Als partijen wel in overleg waren getreden, was er nog steeds geen garantie dat zij voor [gedaagde partij] betaalbare betalingstermijnen overeen zouden zijn gekomen. De overeenkomst spreekt namelijk enkel over in overleg treden en de uitkomst daarvan staat niet vast. De oorzaak van de hindering zit dan ook in de betalingsonmacht van [gedaagde partij] en dat kan [eisende partij] niet worden toegerekend. Het beroep op schuldeisersverzuim zal dan ook worden verworpen en de kantonrechter zal de overeenkomst ontbinden.
4.3.
Dit betekent dat de overeenkomst van geldlening hiermee tot een einde is gekomen en dat er voor partijen een ongedaanmakingsverplichting is ontstaan. Nu [gedaagde partij] een bedrag van € 70.000,00 te leen heeft ontvangen van [eisende partij] , moet hij in ieder geval dit bedrag terugbetalen, verminderd met de betaalde aflossingen. Partijen zijn het er op de mondelinge behandeling over eens dat [gedaagde partij] € 59.715,75 aan [eisende partij] heeft voldaan. In totaal is [gedaagde partij] daarom nog € 10.284,25 verschuldigd aan [eisende partij] . Partijen zijn het er ook over eens dat zij een rentebedrag van € 3.500,00 zijn overeengekomen en [eisende partij] vordert dit bedrag als schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat dit bedrag ook toewijsbaar is. Zonder de wanprestatie van [gedaagde partij] zou [eisende partij] een rendement van € 3.500,00 hebben gehad op zijn geldlening aan [gedaagde partij] en dat is zij nu misgelopen. Dit misgelopen rendement dient als schade ten gevolge van de wanprestatie te worden aangemerkt. De kantonrechter zal daarom in totaal een bedrag van € 13.784,25 toewijzen.
Wettelijke rente
4.4.
De wettelijke rente zal als onweersproken en als op de wet gegrond worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.5.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eisende partij] heeft aan [gedaagde partij] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde partij] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
Beslagkosten
4.6.
[eisende partij] heeft in de dagvaarding gesteld dat zij conservatoir beslag heeft gelegd voor haar vorderingen en dat de gemaakte kosten door [gedaagde partij] dienen te worden vergoed. De vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. Niet gebleken is dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. De beslagkosten worden begroot op € 714,00 aan griffierecht, € 380,66 aan explootkosten (= € 294,17 + € 86,49), en op € 653,00 aan salaris advocaat, oftewel op € 1.747,66 in totaal.
Proceskosten
4.7.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- dagvaarding € 120,21
- griffierecht € 747,00
- salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten x tarief € 432,00)
- nakosten
€ 144,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.875,21

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat de tussen partijen bestaande overeenkomst van geldlening is ontbonden;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 13.784,25 vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 16 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de beslagkosten van € 1.747,66;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten van € 1.875,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde partij] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.